RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL24.35262
V-nummer: [v-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser],
geboren op [geboortedag] 1986, van Iraakse nationaliteit, eiser,
(gemachtigde: mr. M.C.M. van der Mark),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. N.F. van der Gouw).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn tweede opvolgende asielaanvraag.
De minister heeft met het bestreden besluit van 9 september 2024 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 24 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, tolk Z. Karem in de Koerdische taal en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de opvolgende asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden die eiser heeft aangevoerd.
3. Naar het oordeel van de rechtbank is het beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Achtergrond
4. Eiser heeft eerder, op 17 oktober 2015, een asielaanvraag ingediend. Eiser heeft in deze procedure onder meer naar voren gebracht dat hij vreest voor de behandeling door de Iraakse autoriteiten in verband met zijn homoseksuele geaardheid. De minister heeft deze aanvraag bij besluit van 6 maart 2017 afgewezen als ongegrond en daarbij de homoseksuele geaardheid van eiser ongeloofwaardig geacht. Bij uitspraak van 24 oktober 2017 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, het beroep van eiser tegen dit besluit ongegrond verklaard. De Afdeling heeft deze uitspraak bij uitspraak van 12 december 2017 in hoger beroep bevestigd.
Eiser heeft vervolgens op 21 augustus 2018 een opvolgende asielaanvraag ingediend. De minister heeft deze aanvraag bij besluit van 26 april 2019 niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, Vw. Bij uitspraak van 29 mei 2019 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, het beroep van eiser tegen dit besluit ongegrond verklaard.
Eiser heeft op 18 mei 2022 opnieuw een asielaanvraag ingediend. Over deze aanvraag gaat de huidige procedure.
Asielrelaas
5. Eiser heeft aan zijn aanvraag opnieuw ten grondslag gelegd dat hij homoseksueel is. Hij heeft daartoe in deze procedure een arrestatiebevel, twee verklaringen en schermafbeeldingen van activiteiten op Grindr overgelegd.
Besluitvorming
6. Het asielrelaas bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
Identiteit, nationaliteit en herkomst;
Dat de Irakese autoriteiten hem willen arresteren wegens homoseksuele
handelingen; en
- Verklaringen over een nieuw relatie en activiteiten als homoseksueel.
De minister acht de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. Dat de Irakese autoriteiten eiser willen arresteren wegens homoseksuele handelingen acht de minister niet geloofwaardig. Dit komt doordat eiser zijn verklaringen niet met objectieve documenten heeft ondersteund die zijn asielmotief volledig onderbouwen. Dat geldt ook voor het arrestatiebevel omdat de authenticiteit hiervan niet kan worden beoordeeld. Verder vormen eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel omdat eisers verklaringen over zijn homoseksualiteit en de gebeurtenissen die zouden hebben geleid tot het arrestatiebevel reeds in de eerdere procedures ongeloofwaardig zijn geacht. Ook de verklaringen over een nieuwe relatie en over de activiteiten als homoseksueel maken eisers homoseksualiteit niet alsnog geloofwaardig omdat eisers verklaringen hierover summier en onvoldoende overtuigend zijn.
Arrestatiebevel
7. Eiser heeft als beroepsgrond aangevoerd dat de minister het arrestatiebevel bij de beoordeling dient te betrekken, ook al heeft Bureau Documenten de authenticiteit ervan niet kunnen vaststellen. Op de zitting heeft de gemachtigde van eiser deze beroepsgrond ingetrokken. Omdat op verzoek van eiser een contra-expertise is verricht, vervalt daarmee ook de grond dat de minister ten onrechte heeft tegengeworpen dat eiser geen contra-expertise heeft laten verrichten. Daaraan doet niet af dat nu eiser ervoor heeft gekozen de uitkomst van de contra-expertise niet in te brengen omdat het resultaat niet naar wens was, de authenticiteit van het arrestatiebevel niet kan worden vastgesteld. Dat betekent dat met het overleggen van het arrestatiebevel op zichzelf het asielrelaas niet voldoende is onderbouwd.
Eerdere beoordelingen
8. Eiser stelt – samengevat- dat de minister bij de eerdere gehoren en beoordelingen de verklaringen onvoldoende in samenhang heeft beoordeeld en onvoldoende het referentiekader van eiser kenbaar bij de beoordeling heeft betrokken. Eiser kan namelijk vanwege zijn schaamtegevoel en cultuur niet makkelijk over zijn seksuele geaardheid praten.
9. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat eisers seksuele gerichtheid reeds in de voorgaande procedures ongeloofwaardig is geacht op grond van zijn verklaringen daarover. Die beoordeling staat in rechte vast. Op de zitting heeft de gemachtigde van de minister aangegeven dat daarmee is bedoeld dat de beoordelingen in de voorgaande procedures als uitgangspunt dienen te worden genomen en dat hetgeen in deze procedure naar voren is gebracht onvoldoende aanleiding vormt om tot een andere beoordeling te komen. De rechtbank volgt de minister in dit standpunt.
Geloofwaardigheid homoseksuele gerichtheid op basis van de nieuwe elementen
10. Eiser stelt – samengevat - dat de minister zijn homoseksuele gerichtheid ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Eisers verklaringen over en de schermafbeeldingen van zijn activiteiten op Grindr zijn niet kenbaar gemotiveerd meegenomen in het bestreden besluit. Verder zijn eisers verklaringen over zijn relatie met [naam 2] diepgaand genoeg, in aanmerking genomen dat de relatie maar een maand heeft geduurd. Indien de hoorambtenaar meer wilde weten had hij eiser nader moeten bevragen. Eiser verwijst naar artikel 3:113, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000. [naam 2] heeft ook een verklaring afgelegd. Verder onderbouwt de verklaring van [naam 1] het karakter van eiser.
11. De rechtbank oordeelt dat de minister op basis van de nieuwe elementen de homoseksuele gerichtheid niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. De rechtbank is met eiser van oordeel dat uit het bestreden besluit niet volgt dat de minister de overgelegde schermafbeeldingen van zijn contacten op Grindr bij de beoordeling heeft betrokken. Echter, de rechtbank leidt uit de motivering van de minister over de activiteiten van eiser op Grindr af dat dit wel is gebeurd. Ten aanzien van de verklaring van [naam 2] oordeelt de rechtbank dat deze dusdanig kort en weinig toegespitst is dat deze niet kan bijdragen aan de geloofwaardigheid van eisers asielrelaas. Ook de verklaring van [naam 1] kan niet bijdragen aan eisers geloofwaardigheid omdat de verklaring niet objectief is. [naam 1] verklaart namelijk enkel dat eiser hem verteld heeft dat hij op mannen valt en dat hij eiser meerdere keren met mannen naar huis heeft zien komen. Verder is de rechtbank met de minister van oordeel dat eisers verklaringen over [naam 2] oppervlakkig en summier zijn. Dus ook deze verklaringen kunnen niet bijdragen aan de geloofwaardigheid van eisers gestelde homoseksualiteit. Van de zijde van eiser is verder aangevoerd dat hij nog steeds heel veel moeite heeft om te verklaren over zijn homoseksualiteit, mogelijk vanwege schaamtegevoelens en cultuur. Op de zitting heeft de rechtbank geprobeerd hierover met eiser in gesprek te gaan maar dat is niet gelukt. Eiser heeft daarover niets willen zeggen ondanks herhaaldelijke pogingen en een kort moment van schorsing. De rechtbank is van oordeel dat gelet op het feit dat dit de tweede opvolgende aanvraag is en door eiser ruim tien jaar geleden zijn eerste asielaanvraag is ingediend, van eiser mag worden verwacht dat hij op enigerlei wijze op deze vragen kan antwoorden.
Conclusie en gevolgen
12. Het beroep is ongegrond.
13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.C.L.M. Ficq, rechter, in aanwezigheid van
mr. K.C. van der Vegt, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.