uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres],
geboren op [geboortedag] 1980, van Marokkaanse nationaliteit, eiseres
(gemachtigde: mr. J. Werner),
en
de minister van Asiel en Migratie , de minister
(gemachtigde: mr. S. Deniz).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag van eiseres voor verlening van een mvv voor het doel ‘Verblijf als familie- of gezinslid bij [referent] (referent)’.
Met het bestreden besluit van 23 augustus 2024 heeft de minister het bezwaar van eiseres kennelijk ongegrond verklaard. Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 16 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: gemachtigden van partijen, referent en zijn dochter en M. El Bouch als tolk in de taal Berber (Tarifit).
Beoordeling door de rechtbank
2. Eiseres heeft verzocht om vrijstelling van de betaling van het griffierecht. De rechtbank wijst dit verzoek toe, omdat is gebleken dat zij niet in staat is tot betaling daarvan.
3. De rechtbank beoordeelt het beroep aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
4. De rechtbank verklaart het beroep gegrond. Dit betekent dat eiseres gelijk krijgt. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dat heeft.
Achtergrond
5. Eiseres is 46 jaar oud en afkomstig uit Marokko. Referent, de heer [referent], is haar echtgenoot en woont in Nederland. Zij zijn op 16 december 2020 met elkaar gehuwd. Omdat eiseres bij haar echtgenoot in Nederland wil gaan wonen, heeft zij op 8 maart 2023 een mvv aangevraagd.
Eiseres heeft eerder op 16 augustus 2021 een mvv-aanvraag ingediend om zich bij referent te voegen. Deze aanvraag is door de minister afgewezen, omdat eiseres niet voldeed aan het inburgeringsvereiste en niet in aanmerking kwam voor ontheffing daarvan.
Besluitvorming
6. In het primaire besluit, gehandhaafd in het bestreden besluit, heeft de minister de aanvraag van eiseres afgewezen, omdat eiseres niet aan het inburgeringsvereiste voldoet. Eiseres komt niet in aanmerking voor ontheffing daarvan, nu niet is gebleken dat eiseres zich op een passende manier lang genoeg heeft ingezet en heeft gedaan wat zij kan om zich voor te bereiden op het examen en om het examen af te leggen. Ook komt eiseres niet in aanmerking voor een mvv op grond van artikel 8 van het EVRM.
Bespreking beroepsgronden
7. Eiseres stelt zich allereerst op het standpunt dat zij door de voorwaarde om voorafgaand aan een mvv-aanvraag het basisexamen inburgering te behalen gediscrimineerd wordt op grond van nationaliteit en (indirect) op grond van etniciteit/ras. Eiseres vindt in het voorgaande steun in de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaatsvan 16 april 2024. Eiseres heeft de rechtbank verzocht om op dit onderwerp aanvullende prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof), nu de prejudiciële vraag van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) enkel ziet op de toelaatbaarheid van het gemaakte onderscheid op grond van nationaliteit, en niet op grond van afkomst, nationale en etnische afstamming.
De rechtbank overweegt dat de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats in voornoemde uitspraak van 16 april 2024 heeft overwogen dat de afwijzing van een aanvraag voor een mvv enkel op grond van het inburgeringsvereiste discriminatoir is. De minister heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld bij de Afdeling. Dit hoger beroep heeft ertoe geleid dat de Afdeling op 11 juni 2025 een prejudiciële vraag heeft gesteld aan het Hof. Het Hof moet zich nog uitspreken over deze vraag. De gemachtigde van eiseres heeft op de zitting aangegeven afstand te doen van het verzoek om aanvullende prejudiciële vragen te stellen, gelet op de lange tijd dat dit doorgaans in beslag neemt.
De rechtbank zal in deze zaak in lijn met de hiervoor genoemde rechtbankuitspraak van 16 april 2024 oordelen. Dit betekent dat het beroep slaagt, omdat het besluit in strijd is met de internationale discriminatieverboden neergelegd in (het 12e Protocol bij) het EVRM, het IVUR, en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. De rechtbank ziet aanleiding, met het oog op het mogelijke hoger beroep, de onzekerheid van de uitkomst van de gestelde prejudiciële vraag en in het kader van finale geschilbeslechting, de minister het volgende mee te geven.
8. De rechtbank is van oordeel dat de minister ten onrechte heeft afgezien van een hoorzitting. Hiertoe overweegt de rechtbank dat het vaste rechtspraak is dat horen in bezwaar als uitgangspunt moet worden genomen. Hierop kan slechts een uitzondering worden gemaakt als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is over hetgeen dat in bezwaar is aangevoerd, niet tot een ander standpunt kan leiden dan het standpunt in het primaire besluit. Een bezwaar kan dan kennelijk ongegrond worden verklaard. Met deze uitzondering op de hoorplicht moet terughoudend worden omgegaan, ook gelet op de verschillende functies van de hoorzitting, zoals het in onderling overleg komen tot een oplossing en om nadere informatie ter beschikking te krijgen.
Van een kennelijk ongegrond bezwaar is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Daarbij acht de rechtbank van belang dat eiseres in bezwaar heeft gevraagd om toezending van de op de zaak betrekking hebbende stukken en ook heeft aangegeven gehoord te willen worden. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiseres toegelicht dat hij ervan uit was gegaan dat een hoorzitting zou plaatsvinden, zodat hij zich daarop kon voorbereiden en stukken in kon dienen. Door het onverwacht nemen van een beslissing, is dit niet gebeurd. Dat volgens de minister er terecht is afgezien van een hoorzitting, omdat de bezwaargronden voornamelijk zagen op de zaaksoverstijgende vraag over het discriminatieverbod en het horen daarom geen verschil had kunnen maken voor de uitkomst van de zaak, volgt de rechtbank niet. De minister heeft op de zitting niet kunnen toelichten waarom een zaaksoverstijgende rechtsvraag zonder meer tot de conclusie leidt dat redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is over de uitkomst van het bezwaar, noch wat de juridische grondslag daarvoor is. Daarbij heeft eiseres er terecht op gewezen dat er sprake is van divergerende rechtspraak op dit punt. De rechtbank volgt eiseres eveneens in haar standpunt dat het feit dat in de aanvraagfase een hoorzitting heeft plaatsgevonden, niet afdoet aan de verplichting om in de bezwaarfase te horen. De hoorzitting in bezwaar vervult immers een andere functie, namelijk het bieden van de gelegenheid om bezwaren tegen het primaire besluit nader toe te lichten. Ten slotte stelt de rechtbank vast dat in de bezwaarfase nog onduidelijkheden bestonden ten aanzien van het feitencomplex, waaronder het aantal studiedagen en -uren en de aanvangperiode van de taallessen. Gelet op de jurisprudentie van de Afdeling, waarin is overwogen dat het uitgangspunt dat een vreemdeling wordt gehoord in dergelijke situaties bijzonder gewicht toekomt, was een hoorzitting bij uitstek het aangewezen moment om deze onduidelijkheden te verhelderen.
9. De rechtbank overweegt tot slot, met betrekking tot het beroep van eiseres op ontheffing van het inburgeringsvereiste, het volgende. Uit het beleid van de minister volgt dat de minister beoordeelt of eiseres in aanmerking komt voor ontheffing op basis van haar persoonlijke omstandigheden, de door haar getoonde wil om voor het examen te slagen en de inspanningen die eiseres daarvoor geleverd heeft. De rechtbank constateert met de minister dat de verklaringen van eiseres tijdens de ambtelijke hoorzitting op 24 oktober 2023 op bepaalde punten tegenstrijdig zijn met de overgelegde stukken en haar verklaringen in de eerdere procedure, waardoor onduidelijkheden bestaan over onder meer het precies aantal studiedagen en lesuren per week. Zo heeft eiseres tijdens de hoorzitting op 24 oktober 2023 verklaard dat zij was gestopt met het volgen van lessen, terwijl zij in beroep en ter zitting heeft aangevoerd dat zij vanaf 6 februari 2023 opnieuw lessen is gaan volgen bij een andere onderwijsinstelling. Deze tegenstrijdigheden roepen voor de minister begrijpelijkerwijs vragen op. Tegelijkertijd bevinden zich in het dossier een grote hoeveelheid aan stukken, foto’s en verklaringen die naar het oordeel van de rechtbank belangrijke aanwijzingen vormen dat eiseres sinds 2020 veel inspanningen heeft verricht om het inburgeringsexamen te behalen. Zij heeft in totaal vier examenpogingen ondernomen en bij haar laatste poging betere resultaten behaald. Eiseres is ook gebruik gaan maken van het door de minister voorgeschreven lesmateriaal. Verder is van belang dat eiseres analfabeet is en dat in beroep stukken zijn overgelegd waaruit blijkt dat haar leervermogen wordt beperkt door cognitieve beperkingen en psychische factoren, waaronder ernstige problemen bij het opnemen en verwerken van nieuwe leerstof. Alles in onderlinge samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat, hoewel de behaalde resultaten een aanwijzing kunnen vormen voor de geleverde inspanningen, de minister daaraan in dit geval een te groot gewicht heeft toegekend en onvoldoende rekening heeft gehouden met de specifieke situatie van eiseres.
De motivering in het bestreden besluit is ook op dit punt niet deugdelijk. Het beroep is echter al gegrond omdat het inburgeringsvereiste in strijd is met het discriminatieverbod. Het oordeel dat eiseres ten onrechte niet is gehoord en onvoldoende rekening is gehouden met de persoonlijke omstandigheden van eiseres is daarom slechts relevant als de uitkomst van de gestelde prejudiciële vraag niet in lijn zal zijn met de conclusies uit de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats van 16 april 2024.
Conclusie en gevolgen
10. De rechtbank verklaart het beroep gegrond. Met verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 16 april 2024 is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit discriminatoir is. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen mogelijkheid om de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit geheel in stand te laten of om zelf in de zaak te voorzien. De minister zal daarom een nieuw besluit moeten nemen op het bezwaar van eiseres, met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt voor het nemen van het nieuwe besluit een termijn van zes weken.
11. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank,
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.F.J. Bernt, rechter, in aanwezigheid van mr. I.I. Mooij, griffier.
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.