ECLI:NL:RBDHA:2026:14930

ECLI:NL:RBDHA:2026:14930

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 02-06-2026
Datum publicatie 04-06-2026
Zaaknummer NL26.9820 en NL26.9821
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

In hetgeen eiseres heeft aangevoerd, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de minister Spanje ten onrechte verantwoordelijk heeft gehouden voor de behandeling van haar asielaanvraag. De omstandigheid dat er signalen waren dat eiseres mogelijk slachtoffer is geworden van mensenhandel, raakt immers niet aan de vaststelling van de verantwoordelijkheid van Spanje. Voor zover eiseres betoogt dat de minister daarop onvoldoende adequaat heeft gereageerd, kan zij dat aan de orde stellen in een daarvoor geëigende procedure. Beroep ongegrond

Uitspraak

[eiseres],

geboren op [geboortedag] 1970, van Zimbabwaanse nationaliteit, eiseres/ verzoekster, hierna: eiseres

(gemachtigde: mr. V.M. Oliana),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna: de minister

(gemachtigde: mr. L. Hartog).

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd en het verzoek om een voorlopige voorziening.

Eiseres heeft op 11 februari 2026 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 22 februari 2026 deze aanvraag niet in behandeling genomen omdat Spanje verantwoordelijk is voor de aanvraag.

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt uitzetting te verbieden totdat op het beroep is beslist.

De rechtbank heeft de zaken op 7 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiseres, de gemachtigde van eiseres, B. Hitchcock als tolk in de Engelse taal en de gemachtigde van de minster deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit

2. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Uit EU-VIS blijkt dat Spanje aan eiseres een visum heeft verleend met een geldigheidsduur van 30 januari 2016 tot 4 maart 2026, wat betekent dat het visum nog geldig was op het moment van de asielaanvraag in Nederland. De minister heeft daarom op grond van artikel 12, tweede lid, van de Dublinverordening de Spaanse autoriteiten verzocht om eiseres over te nemen. De autoriteiten van Spanje hebben dit verzoek op 16 februari 2026 geaccepteerd. Daarmee is de verantwoordelijkheid van Spanje vast komen te staan.

Wat vindt eiseres in beroep?

3. Eiseres voert aan dat de minister haar ten onrechte de bedenktijd voor vermoedelijke slachtoffers van mensenhandel heeft onthouden, terwijl zij op grond van B8/3.1 Vc recht had op een bedenktijd van 30 dagen. Hierdoor is sprake van handelen in strijd met artikel 6 van Richtlijn 2004/81/EG. Volgens het tweede lid van die bepaling mag er geen enkele verwijderingsmaatregel worden genomen en ten uitvoer worden gelegd tijdens de bedenktijd. Daarnaast voert eiseres aan dat de minister ten onrechte geen gebruik heeft gemaakt van zijn discretionaire bevoegdheid op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening om haar asielaanvraag alsnog in Nederland te behandelen, gelet op het samenstel van bijzondere feiten en omstandigheden. Eiseres benadrukt daarbij dat zij niet is gewezen op de mogelijkheid om aangifte van mensenhandel te doen en evenmin in de gelegenheid is gesteld om gebruik te maken van de daarmee samenhangende rechten. Volgens eiseres is dit temeer kwalijk nu zij als vermoedelijk slachtoffer van mensenhandel in een kwetsbare positie verkeerde en geen gebruik heeft kunnen maken van de bedenktijd om aangifte te doen. De minister dient dit volgens eiseres te herstellen door haar asielaanvraag inhoudelijk in Nederland te behandelen. Eiseres verwijst daarbij naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 7 februari 2025.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat eiseres geen gronden heeft gericht tegen de vaststelling dat Spanje in beginsel verantwoordelijk is voor de behandeling van haar aanvraag. Eiseres heeft evenmin aangevoerd dat ten aanzien van Spanje niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiseres dit ook bevestigd. Deze omstandigheden zijn daarom niet in geschil en vormen het uitgangspunt bij de beoordeling van het beroep van eiseres.

De rechtbank overweegt als volgt. In hetgeen eiseres heeft aangevoerd, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de minister Spanje ten onrechte verantwoordelijk heeft gehouden voor de behandeling van haar asielaanvraag. De omstandigheid dat er signalen waren dat eiseres mogelijk slachtoffer is geworden van mensenhandel, raakt immers niet aan de vaststelling van de verantwoordelijkheid van Spanje. Voor zover eiseres betoogt dat de minister daarop onvoldoende adequaat heeft gereageerd, kan zij dat aan de orde stellen in een daarvoor geëigende procedure.

Verder heeft het Hof in het arrest O.T.E. tegen Nederland geoordeeld dat Richtlijn nr. 2004/81/EG zich er niet tegen verzet dat tijdens de periode van de bedenktijd krachtens artikel 6, eerste lid, van die richtlijn, een overdrachtsbesluit wordt vastgesteld en voorbereidende maatregelen worden getroffen voor de uitvoering daarvan, mits deze voorbereidende maatregelen de bedenktijd niet van hun nuttige werking beroven. De bedenktijd voor slachtoffers van mensenhandel sterkt ertoe te waarborgen dat de vreemdeling kan herstellen en zich kan onttrekken aan de invloed van de daders van de strafbare feiten waarvan hij of zij slachtoffer is of is geweest, zodat de vreemdeling een weloverwogen beslissing kan nemen om al dan niet met de bevoegde autoriteiten samen te werken. De rechtbank is van oordeel dat eiseres voldoende gelegenheid heeft gehad om zich te beraden op het doen van aangifte. De rechtbank betrekt daarbij dat eiseres op11 februari 2026 een asielaanvraag heeft ingediend en sindsdien rechtsbijstand ontvangt. Eiseres is sinds 5 maart 2026 niet langer in bewaring gesteld en heeft vanaf dat moment de gelegenheid gehad zich te beraden op het doen van aangifte. Ten tijde van het onderzoek ter zitting heeft eiseres (nog) geen aangifte gedaan. Nu gedurende deze gehele periode geen uitzetting was gepland én er geen aanwijzingen bestonden dat het overdrachtsbesluit zou worden uitgevoerd, is eiseres materieel niet in haar mogelijkheden beperkt zoals de bedenktijd beoogt te waarborgen, zodat van een aantasting van de nuttige werking daarvan geen sprake is.

Voor zover eiseres beoogt aan te voeren dat de Dublin-overdracht in afwachting van (het kunnen doen van) de aangifte dient te worden opgeschort, merkt de rechtbank op dat in de Dublinprocedure niet wordt toegekomen aan de vraag of eiseres in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning vanwege het doen van aangifte van mensenhandel. Het gaat in deze procedure immers alleen over de vraag welk land verantwoordelijk is voor de inhoudelijke behandeling van de asielaanvraag van eiseres. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraken van de Afdeling van 21 december 2018 en 25 februari 2021. Een aangifte van mensenhandel heeft in feite dus geen invloed op de vaststelling van de verantwoordelijke lidstaat voor de behandeling van het asielverzoek van eiseres. Om deze reden wordt ook het op de zitting gedane verzoek om aanhouding van de behandeling van het beroep afgewezen.

De minister heeft ook geen aanleiding hoeven zien om met toepassing van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening de behandeling van het asielverzoek aan zich te trekken. De rechtbank ziet in hetgeen eiseres stelt te zijn overkomen geen grond voor het oordeel dat de minister niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten af te zien van het achterwege laten van de overdracht van eiseres. De rechtbank betrekt daarbij dat de minister er terecht op heeft gewezen dat eiseres ook in Spanje aangifte kan doen van mensenhandel. Eiseres heeft niet gesteld, en dat is de rechtbank ook niet gebleken, dat de Spaanse autoriteiten haar niet kunnen of willen helpen.

De rechtbank is ten slotte van oordeel dat het beroep op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, niet slaagt. Zoals hiervoor is geoordeeld en anders dan zittingsplaats Roermond kan eiseres klachten over het al dan niet adequaat reageren op signalen van mensenhandel aan de orde stellen in een daartoe strekkende procedure. Deze klachten maken niet dat de minister daarom op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening de aanvraag aan zich zou moeten trekken.

Conclusie

5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.

6. Nu er uitspraak is gedaan in het beroep, is er geen reden om een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen.

Beslissing

De rechtbank, in de zaak geregistreerd onder zaaknummer NL26.9820:

- verklaart het beroep ongegrond.

De voorzieningenrechter, in de zaak geregistreerd onder zaaknummer NL26.9821:

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.. Hirzalla, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. H. El Ouahabi, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan, voor zover op het beroep is beslist, hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. H. El Ouahabi

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand