[verzoeker] , verzoeker
(gemachtigde: mr. A.G. Kleijweg),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker.
Bij besluit van 7 mei 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister de aanvraag van verzoeker om verlenging van zijn GVVA met het verblijfsdoel ‘Arbeid in loondienst’ afgewezen.
Op 13 mei 2026 heeft verzoeker hiertegen bezwaar gemaakt. Daarnaast heeft hij diezelfde dag de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te
treffen die ertoe strekt hem toe te staan tijdens de bezwaarprocedure te mogen blijven werken voor zijn werkgever.
De voorzieningenrechter doet op grond van 8:83, derde lid, van de Awb uitspraak
zonder zitting.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. Op grond van artikel 8:81 van de Awb kan hangende een bezwaarprocedure de voorzieningenrechter van de rechtbank op verzoek een voorlopige voorziening treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
3. Op 30 mei 2026 heeft de minister de voorzieningenrechter laten weten zich niet te
verzetten tegen toewijzing van de gevraagde voorlopige voorziening. Gelet hierop en omdat de voorzieningenrechter ook verder geen beletselen ziet die zich tegen toewijzing van dit verzoek verzetten, zal de voorzieningenrechter het verzoek toewijzen. Dit betekent dat verzoeker mag blijven werken bij zijn huidige werkgever totdat op het bezwaar is beslist.
4. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, moet de minister het griffierecht aan verzoeker vergoeden. Daarnaast veroordeelt de voorzieningenrechter de minister in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 934,- en een
wegingsfactor 1).
Beslissing
De voorzieningenrechter,
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe in die zin dat verzoeker
gedurende de bezwaarprocedure mag blijven werken voor zijn werkgever;
- draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 200,- aan verzoeker te vergoeden; en,
- veroordeelt de minister in de proceskosten tot een bedrag van € 934,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Moussaoui, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. L. Kooring, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.