einduitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres 1], geboren op [geboortedag 1] 1992, eiseres,
[eiseres 2] , geboren op [geboortedag 2] 1996, eiseres,
[eiser], geboren op [geboortedag 3] 1997, eiser,
allen van Afghaanse nationaliteit,
hierna samen: eisers
(gemachtigde: mr. I.C. van Krimpen),
en
de minister van Asiel en Migratie , de minister,
(gemachtigde: mr. J.M. Sidler),
en
de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.
Inleiding
1. Eisers hebben een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor het doel ‘Verblijf als familie- of gezinslid bij [referente]’ (referente). De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 23 januari 2024 afgewezen.
De rechtbank heeft het beroep op 17 september 2025 op zitting behandeld. Referente is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen T. Hosseini in de taal Dari. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Bij tussenuitspraak van 20 november 2025 heeft de rechtbank de minister in de gelegenheid gesteld om binnen zes weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, de geconstateerde gebreken in het bestreden besluit te herstellen.
De minister heeft op 3 december 2025 bericht gebruik te maken van de mogelijkheid om de geconstateerde gebreken te herstellen. Vervolgens heeft de minister op 29 december 2025 een aanvullend besluit genomen.
Eisers hebben op 22 januari 2026 gereageerd op het aanvullend besluit van de minister.
De rechtbank heeft vervolgens bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Samenvatting tussenuitspraak
2. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. In deze uitspraak heeft de rechtbank, samengevat, het volgende overwogen.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister onvoldoende gemotiveerd dat de familierechtelijke relatie door middel van de overgelegde tazkera’s niet is aangetoond. Ook is de rechtbank van oordeel dat de minister ten onrechte heeft geconcludeerd dat geen sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie. De belangenafweging zoals die beschreven staat in het bestreden besluit houdt geen stand nu naar het oordeel van de rechtbank sprake is van beschermingswaardig gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. Ook heeft de rechtbank de vraag of sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie, anders dan de Afdeling, vol getoetst, zoals beschreven in de overwegingen 9. tot en met 9.5.
Het aanvullend besluit van de minister
3. De minister heeft op 3 december 2025 bericht gebruik te maken van de geboden gelegenheid om het gebrek te herstellen. In het bericht merkt de minister het volgende op:
“Verweerder hecht er wel belang aan om hierbij op te merken zich niet te kunnen vinden in uw oordeel dat de minister ten onrechte heeft geconcludeerd dat geen sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie tussen eisers en referent. Nu verweerder op onderdelen van de belangenafweging wel ruimte ziet om aanvullend te motiveren, is verweerder met het oog op een finale geschillenbeslechting bereid die gebreken in de belangenafweging te herstellen. Dit geheel subsidiair nu verweerder primair van mening blijft dat in onderhavig geval geen sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie.”
De minister heeft vervolgens op 29 december 2025 een aanvullend besluit genomen. Hierin is de minister enkel ingegaan op de belangenafweging en heeft hij als uitgangspunt genomen dat geen sprake is van beschermingswaardig gezinsleven tussen eisers en referente.
Het oordeel van de rechtbank
4. De rechtbank is van oordeel dat de minister met het aanvullend besluit de in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken niet heeft hersteld. De rechtbank overweegt dat in het geval zij een tussenuitspraak wijst, het bestuursorgaan de gelegenheid wordt geboden om het geconstateerde gebrek te herstellen. De minister heeft in reactie op de tussenuitspraak de rechtbank meegedeeld de daarin geconstateerde gebreken te willen herstellen. De rechtbank mocht er dan ook van uitgaan dat de minister een serieuze poging daartoe zou doen. Het aanvullend besluit geeft daar echter geen blijk van. De minister is in het aanvullend besluit immers opnieuw niet uitgegaan van beschermingswaardig gezinsleven. Nu de minister niet uitgaat van beschermingswaardig gezinsleven tussen eisers en referente, terwijl de rechtbank dat wel heeft vastgesteld in haar tussenuitspraak in de overwegingen 11 en 12, volstaat het herstel niet met een nieuwe belangenafweging. Het bestaan van beschermingswaardig gezinsleven tussen eisers en referente werkt namelijk door in de belangenafweging. Dit acht de rechtbank des te meer van belang nu de minister op meerdere punten in de belangenafweging het ontbreken van gezinsleven tussen eisers en referente in het nadeel meeweegt.
Overschrijding van de redelijke termijn
5. Op de zitting op 17 september 2025 heeft de gemachtigde van eisers gewezen op de lange duur van de procedure . De rechtbank begrijpt dat daarmee een beroep wordt gedaan op overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM.
De redelijke termijn in de zin van artikel 6, eerste lid, van het EVRM start met de indiening van een bezwaarschrift. Voor het doen van uitspraak in eerste aanleg wordt, gelet op vaste rechtspraak, een termijn van in beginsel maximaal twee jaar als een redelijke termijn beschouwd. Binnen die termijn van twee jaar wordt het bestuursorgaan een beslistermijn gegund van zes maanden en heeft de rechtbank aansluitend een termijn van anderhalf jaar om uitspraak te doen. Gelet op vaste rechtspraak wordt een schadevergoeding toegekend van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan dat de redelijke termijn wordt overschreden door het bestuursorgaan en/of de bestuursrechter.
Eisers hebben op 4 januari 2023 een bezwaarschrift ingediend. Uitgaande van een redelijke termijn van twee jaar zou de procedure uiterlijk op 4 januari 2025 afgerond moeten zijn met een uitspraak. Dat is niet gebeurd. De uitspraak is heden gedaan. De redelijke termijn is dus overschreden met 17 maanden (afgerond naar boven). Er is geen rechtvaardiging voor het overschrijden van de redelijke termijn. Uitgaande van een schadebedrag van € 500,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal naar boven wordt afgerond, zal de rechtbank aan eisers een schadevergoeding van € 1.500,- toekennen.
Vervolgens moet beoordeeld worden aan wie de overschrijding van de redelijke termijn moet worden toegerekend. De rechtbank is van oordeel dat de termijnoverschrijding zowel aan de rechtbank als aan de minister toe te rekenen is. De Staat is om die reden aangemerkt als partij in dit geding en de vergoeding van de schade wordt naar evenredigheid uitgesproken. Het beroepschrift is ontvangen op 16 februari 2024. De rechtbank heeft op 20 november 2025 een tussenuitspraak gedaan. Daarmee heeft de rechtbank de voor haar geldende termijn van anderhalf jaar met vier maanden (naar boven afgerond) overschreden. De minister heeft op 29 december 2025 een aanvullend besluit genomen. De rechtbank doet einduitspraak binnen een jaar na het aanvullend besluit, zodat hier geen sprake is van een overschrijding door de rechtbank. Voor rekening van de rechtbank komt daarmee een totale overschrijding van vier maanden. Voor rekening van de minister komt het restant van 13 maanden. De minister wordt daarom veroordeeld tot vergoeding van (13/17 x 1.500 =) € 1.147,06 en de Staat der Nederlanden tot vergoeding van (4/17 x 1.500 =) € 352,94 aan eisers.
Conclusie en gevolgen
Beslissing
6. De rechtbank concludeert dat de in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken niet zijn hersteld. Het beroep is daarom gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank ziet geen aanleiding om zelf in de zaak te voorzien of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. De minister zal daarom een nieuw besluit moeten nemen. De rechtbank gaat er hierbij vanuit dat de minister in het nieuw te nemen besluit wel ingaat op de gebreken die de rechtbank in de tussenuitspraak heeft geconstateerd. Gelet op wat de rechtbank ten aanzien van de gezinsband heeft overwogen, moet de minister er bij het te nemen besluit van uitgaan dat tussen eisers en referent beschermingswaardig gezinsleven bestaat. Dit betekent dat de minister niet opnieuw mag tegenwerpen dat hier geen sprake van is. De rechtbank stelt voor het nieuw te nemen besluit een termijn van zes weken.
7. Omdat het beroep gegrond is, krijgen eisers het betaalde griffierecht van € 187,-vergoed. Ook krijgen eisers een vergoeding van de proceskosten die zij hebben gemaakt. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 2,5 punten op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting en 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na een bestuurlijke lus, met een waarde per punt van € 934,-) bij een wegingsfactor 1. Toegekend wordt € 2.335,-. Als aan eisers een toevoeging is verleend, moet de minister de proceskostenvergoeding betalen aan de gemachtigde.
8. De rechtbank ziet verder aanleiding om te bepalen dat aan eisers een proceskostenvergoeding wordt toegekend voor proceskosten die in verband staan met het verzoek om immateriële schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn, dat door haar gemachtigde is ingediend. Deze kosten zijn vastgesteld op € 467,- (1 punt voor het verzoek, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5). Omdat de overschrijding van de redelijke termijn zowel aan de minister als aan de Staat kan worden toegerekend, worden de Staat en de minister ieder voor de helft van het totaalbedrag van deze proceskosten veroordeeld.
9. Het voorgaande betekent dat het totale bedrag dat de minister aan proceskosten moet vergoeden € 2.568,50 bedraagt (€ 2.335 + € 233,50). Het totale bedrag dat de Staat aan proceskosten moet vergoeden bedraagt € 233,50.
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E.J.M. Gielen, voorzitter, en mr. V.F.J. Bernt en mr. Y. Moussaoui, leden, in aanwezigheid van mr. K.J. Vos, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak en de tussenuitspraak, kunt een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.