ECLI:NL:RBDHA:2026:14951

ECLI:NL:RBDHA:2026:14951

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 04-06-2026
Datum publicatie 04-06-2026
Zaaknummer NL26.29009
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Middelburg

Samenvatting

Eerste beroep bewaring, artikel 59 Vw, informatieplicht niet geschonden, gronden niet betwist, aanwezigheidsrecht niet geschonden, beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.29009

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. S.T.V. Le),

en

(gemachtigde: mr. G. Cambier).

Procesverloop

Bij besluit van 22 mei 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep op 3 juni 2026 op zitting behandeld. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. Eiser stelt de Roemeense nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedag] 1989.

2. Eiser voert allereerst aan dat de beschikking van 10 maart 2026, waarin verweerder heeft vastgesteld dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft op grond van het Unierecht, niet op de voorgeschreven wijze aan hem is uitgereikt. Uit het uitreikingsblad van 7 april 2026 volgt dat het besluit aan hem is meegedeeld in de Roemeense taal. Eiser is de Roemeense taal niet machtig.

3. De rechtbank stelt voorop dat in deze procedure uitsluitend de rechtmatigheid van de voorliggende maatregel van bewaring ter beoordeling voorligt. Niet ter beoordeling staat de beschikking van 10 maart 2026.

4. Voor zover eiser heeft aangevoerd dat verweerder niet heeft voldaan aan de informatieplicht, volgt de rechtbank hem daarin niet. Uit de stukken in het procesdossier en het verhandelde ter zitting blijkt dat verweerder de nodige zorgvuldigheid heeft betracht om de (strekking van de) maatregel aan eiser kenbaar te maken in een voor hem begrijpelijke taal. Zo is de informatiebrief in de Hongaarse taal samen met de maatregel van bewaring aan eiser uitgereikt. Daarnaast is tijdens het gehoor voorafgaand aan de oplegging van de maatregel van tolk gewisseld om de communicatie met eiser te verbeteren. Eiser heeft daarmee voldoende gelegenheid gehad om zijn bezwaren naar voren te brengen. De rechtbank ziet gelet op deze omstandigheden geen aanknopingspunten voor het oordeel dat verweerder zijn informatieplicht heeft geschonden. De beroepsgrond slaagt niet.

5. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:

3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan; 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken; 3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;

en als lichte gronden vermeld dat eiser:

4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

6. De rechtbank stelt vast dat eiser de zware en lichte gronden niet heeft betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden feitelijk juist zijn en voor zover nodig (lichte gronden) ook voldoende zijn gemotiveerd. Voor deze gronden geldt dat zij de maatregel van bewaring kunnen dragen.

7. Gemachtigde van eiser heeft daarnaast aangevoerd dat het aanwezigheidsrecht van eiser is geschonden. In haar bericht van 26 mei 2026 heeft de gemachtigde kenbaar gemaakt dat eiser graag de zitting wil bijwonen, met het verzoek om zijn aanwezigheid te bewerkstelligen gelet op de vlucht van 3 juni 2026 om 14:35 uur. Eiser is de ochtend voor de zitting al om 09.00 uur opgehaald om naar de luchthaven te gaan voor zijn uitzetting, waardoor hij niet aanwezig kon zijn bij de zitting.

8. De rechtbank overweegt dat uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat indien de uitzetting op dezelfde dag plaatsvindt als die waarop de rechtbank de zaak ter zitting behandelt, de enkele omstandigheid dat eiser niet door de rechtbank kon worden gehoord, de maatregel niet onrechtmatig maakt. Hoewel eiser een belang heeft om op zitting te worden gehoord, weegt dit belang niet zonder meer zwaarder dan het belang van verweerder (maar ook eisers eigen) belang dat de bewaring niet onnodig lang voortduurt. De gemachtigde van eiser heeft niet geconcretiseerd dat het wegens bijzondere omstandigheden noodzakelijk is dat hij in persoon door de rechtbank wordt gehoord over dit beroep voordat de uitzetting wordt gerealiseerd. De rechtbank is van oordeel dat in dit geval prioriteit gegeven had mogen worden aan het belang dat de inbewaringstelling zo kort mogelijk duurt. Ook is niet gesteld of gebleken dat de gemachtigde vanwege de fysieke afwezigheid van eiser niet in staat is geweest om de belangen van eiser voldoende te behartigen. Verweerder heeft daarbij voldaan aan zijn inspanningsverplichting door bij de Dienst Vervoer en Ondersteuning te informeren of de zitting van eiser kon worden afgewacht voordat hij naar Schiphol zou worden gebracht. Dit laatste bleek in dit geval niet mogelijk te zijn.

9. Ook overigens is niet gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan de maatregel van bewaring onrechtmatig is.

10. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan op 4 juni 2026 door mr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S.J.I. Hendrickx, griffier, openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. E.J. Govaers

Griffier

  • mr. A.S.J.I. Hendrickx

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand