Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/319319-24
Datum uitspraak: 1 juni 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1989 te [geboorteplaats] ,
adres: [adres 1] .
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 18 mei 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. N.Y. Rose en van hetgeen door de raadsvrouw mr. Y.W.G. Verschuren naar voren is gebracht.
2. De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tenlastelegging is gewijzigd op de terechtzitting. De tekst van de (gewijzigde) tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
3. De bewijsbeslissing
Inleiding
De rechtbank zal in deze inleiding eerst de context van de zaak weergeven en de juridische kaders schetsen aan de hand waarvan de ten laste gelegde feiten moeten worden beoordeeld. Daarna volgen de standpunten van de officier van justitie en de verdediging en ten slotte het oordeel van de rechtbank.
Context van de zaak
In maart 2020 zijn aangeefsters [aangeefster 1] en [aangeefster 2] - beiden met de Colombiaanse nationaliteit - vanuit Spanje naar Nederland gekomen om hier als prostituee te werken. Zij hebben in dat verband samengewerkt met medeverdachte [medeverdachte] , die in het dossier ook wel ‘ [naam 1] ’ wordt genoemd, en een persoon die zij kenden als de toenmalige vriendin van ‘ [naam 1] ’, genaamd ‘ [naam 2] ’.
Op 14 mei 2021 zijn aangeefsters tijdens een prostitutiecontrole door het H.E.I.T. (Haags Economisch Interventie Team) aangetroffen in een woning aan de [adres 2] . Omdat het vermoeden bestond dat sprake was van strafbare feiten is een onderzoek opgestart, waarna de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] zijn aangemerkt als verdachten van mensenhandel (in de zaak van de verdachte: feiten 1 en 2) en mensensmokkel (feit 3).
Toetsingskaders
Ten aanzien van de mensenhandel
Mensenhandel is strafbaar gesteld in artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Uit de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 273f (oud) Sr en de jurisprudentie volgt dat mensenhandel is gericht op uitbuiting. Uitbuiting moet daarbij niet beperkt worden uitgelegd. Het belang van het individu staat voorop. Dat belang is het behoud van zijn of haar lichamelijke en geestelijke integriteit en persoonlijke vrijheid. Artikel 273f Sr beoogt bescherming te bieden tegen de aantasting daarvan.
De ten laste gelegde feiten 1 en 2 zijn telkens opgesplitst in specifieke verwijten die worden beschreven in artikel 273f, eerste lid, sub 1, 4, 6 en 9 Sr. De delictsomschrijving in sub 1 ziet op het werven, overbrengen/vervoeren of huisvesten/opnemen van een ander, om die ander in een uitbuitingssituatie te brengen. Daarbij is vereist dat de verdachte het oogmerk van uitbuiting heeft. Het verwijt in sub 4 ziet op het verrichten van handelingen waardoor een ander zich beschikbaar stelt voor het verrichten van arbeid of diensten van seksuele aard. Uitbuiting van het slachtoffer is daarbij een impliciet bestanddeel. Het verwijt in sub 9 heeft betrekking op het zich laten bevoordelen uit de opbrengst van die diensten van seksuele aard door een ander. Ook hier wordt de uitbuiting als impliciet bestanddeel verondersteld. De in sub 1, 4 en 9 strafbaar gestelde vormen van mensenhandel vereisen steeds het gebruik van één of meer dwangmiddelen, zoals genoemd in artikel 273f, eerste lid, sub 1 Sr. Dit geldt niet voor het verwijt in sub 6, dat betrekking heeft op het opzettelijk voordeel trekken uit de uitbuiting van een ander.
Ten aanzien van de mensensmokkel
Onder feit 3 is de verdachte ten laste gelegd dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van mensensmokkel. De verdachte wordt verweten dat zij uit winstbejag behulpzaam is geweest bij het verschaffen van verblijf in Nederland aan de twee aangeefsters, terwijl zij wist of ernstige redenen had te vermoeden dat hun verblijf hier wederrechtelijk was.
Aan het bestanddeel ‘behulpzaam zijn bij’ in artikel 197a Sr komt dezelfde betekenis toe als aan het begrip medeplichtigheid, zoals omschreven in artikel 48 Sr. De rechtbank dient dan ook te beoordelen of de verdachte het verblijf van aangeefsters in Nederland in enigerlei opzicht heeft bevorderd of gemakkelijk heeft gemaakt. Ten aanzien van het bestanddeel ‘behulpzaam zijn bij het zich verschaffen van verblijf’ geldt dat ook behulpzaamheid die gericht is op voortzetting van het verblijf in Nederland valt onder artikel 197a lid Sr.
Bij de beantwoording van de vraag of aangeefsters daadwerkelijk wederrechtelijk in Nederland verbleven en of de verdachte dat wist of ernstige redenen had dat te vermoeden, geldt dat uit de wetsgeschiedenis blijkt dat het bestanddeel ‘wederrechtelijk’ in artikel 197a Sr een ruime betekenis heeft. Met wederrechtelijk verblijf wordt bedoeld het verblijf dat niet berust op een aan enige rechtsregel te ontlenen titel. In welke gevallen een vreemdeling het recht heeft om in Nederland te verblijven wordt bepaald in de Vreemdelingenwet 2000.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle ten laste gelegde feiten.
Voor alle feiten geldt dat de officier van justitie bewezen acht dat ‘ [naam 2] ’ de verdachte betreft. Ten aanzien van de feiten 1 en 2 (de mensenhandelfeiten) acht de officier van justitie bewezen dat de verdachte de in de tenlastelegging genoemde feitelijke handelingen heeft begaan en dat zij daartoe de dwangmiddelen geweld, een andere feitelijkheid, dreiging met geweld of een andere feitelijkheid, misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en misbruik van een kwetsbare positie heeft aangewend. Ook acht de officier van justitie met betrekking tot deze feiten bewezen dat sprake was van uitbuiting en het oogmerk van de verdachte daarop. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake was van medeplegen.
Ten aanzien van feit 3 (de mensensmokkel) heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de verdachte ernstige redenen had om te vermoeden dat aangeefsters wederrechtelijk in Nederland verbleven en dat zij bovendien een onderzoeksplicht had om zich te vergewissen van hun verblijfsstatus.
Het standpunt van de verdediging
Primair heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat niet kan worden bewezen dat ‘ [naam 2] ’ de verdachte betreft.
Subsidiair heeft de raadsvrouw zich ten aanzien van de feiten 1 en 2 op het standpunt gesteld dat niet wordt voldaan aan de vereisten die worden gesteld in artikel 273f Sr, zodat de verdachte van deze feiten moet worden vrijgesproken. Ten aanzien van feit 3 heeft zij zich op het standpunt gesteld dat niet kan worden bewezen dat de verdachte wist of ernstige redenen had om te vermoeden dat het verblijf van aangeefsters in Nederland wederrechtelijk was.
Meer subsidiair heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat de verdachte, gelet op haar geringe rol, niet kan worden aangemerkt als medepleger van de ten laste gelegde feiten.
Het oordeel van de rechtbank
Is de verdachte ‘ [naam 2] ’?
Gelet op de stellige ontkenning door de verdachte dat zij ‘ [naam 2] ’ is, ziet de rechtbank zich allereerst gesteld voor de vraag of de persoon die in het dossier wordt aangeduid als ‘ [naam 2] ’ de verdachte betreft. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe het volgende.
[aangeefster 1] en [aangeefster 2] hebben verklaard dat ‘ [naam 2] ’ hen van Schiphol heeft opgehaald toen zij naar Nederland kwamen, en dat zij haar vanaf die dag geregeld hebben gezien in verband met het werk. Volgens hen had ‘ [naam 2] ’ een relatie met [medeverdachte] , woonde zij met hem samen in [plaats] , heeft zij vroeger als prostituee gewerkt en is zij een slanke, blonde vrouw met een lang, dun gezicht. Toen [aangeefster 1] en [aangeefster 2] een foto van de verdachte werd voorgelegd, herkenden zij haar zonder enige twijfel als ‘ [naam 2] ’.
Ook getuige [getuige 1] heeft de verdachte op een foto herkend als de persoon die [aangeefster 1] en [aangeefster 2] enige tijd bij hem heeft gehuisvest en die ‘ [naam 2] ’ werd genoemd. [getuige 1] heeft verklaard dat ‘ [naam 2] ’ in die tijd een relatie had met een man die [naam 1(b)] of [naam 1] heette.
Na aanhouding van de verdachte werd haar telefoon in beslag genomen. Na onderzoek werd in deze telefoon een WhatsApp-gesprek aangetroffen, waarin de verdachte zich aan haar gesprekspartner voorstelt als ‘ [naam 2] ’ en waarin zij een gesprek voert over werken in Nederland, het doorsturen van klanten en achter de ramen staan. De verdachte heeft ter zitting geen verklaring kunnen geven voor dit WhatsApp-gesprek dat op haar telefoon is aangetroffen.
De verdachte heeft tijdens haar verhoor bij de politie bevestigd dat zij de persoon is op de foto die aan aangeefsters en getuige [getuige 1] is voorgelegd. Ter terechtzitting heeft zij bovendien verklaard dat zij tot eind oktober 2020 een relatie met [medeverdachte] heeft gehad, dat zij vroeger als prostituee heeft gewerkt, dat de inbeslaggenomen telefoon háár telefoon was en dat niemand anders deze telefoon gebruikte.
Op grond van het voorgaande stelt de rechtbank vast dat ‘ [naam 2] ’ de verdachte is. Dat de herkenningen hebben plaatsgevonden op basis van een enkelvoudige fotoconfrontatie en niet op basis van een meervoudige fotoconfrontatie, doet hier niet aan af. De herkenning staat niet op zichzelf en sluit aan bij de overige bewijsmiddelen, zodat de rechtbank de fotoconfrontaties betrouwbaar acht en bruikbaar voor het bewijs.
Vrijspraak feiten 1 en 2 (mensenhandel)
Artikel 273f, eerste lid, onderdelen 1, 4 en 9 Sr
Zoals in de inleiding naar voren is gebracht is voor een bewezenverklaring van een tenlastelegging die is geënt op artikel 273f, eerste lid, onderdelen 1, 4 en 9 Sr vereist dat komt vast te staan dat gebruik is gemaakt van een in voornoemd artikel genoemd dwangmiddel.
Met de officier van justitie en de raadsvrouw acht de rechtbank niet bewezen dat de verdachte gebruik heeft gemaakt van het dwangmiddel misleiding. De rechtbank zal de verdachte daarom van dit onderdeel van de tenlastelegging vrijspreken.
Voordat de rechtbank ingaat op de overige dwangmiddelen, overweegt zij het volgende ten aanzien van de betrouwbaarheid van de verklaringen van de aangeefsters.
Het vermoeden dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan mensenhandel is voor een groot deel gestoeld op de verklaringen van aangeefsters [aangeefster 1] en [aangeefster 2] . Beide aangeefsters hebben op vier verschillende momenten een verklaring afgelegd, namelijk direct na de inval in de woning aan de [adres 2] , tijdens een informatief gesprek mensenhandel bij de politie in Nederland, bij de politie in Spanje en bij de rechter-commissaris in Nederland.
De verklaringen van de aangeefsters bevatten enkele innerlijke, maar ook onderlinge inconsistenties. Daarnaast geldt dat aangeefsters hun meest uitgebreide verklaringen
- die bij de politie in Spanje en bij de rechter-commissaris in Nederland - hebben afgelegd in mei 2023 en maart 2026, respectievelijk bijna twee en vijf jaar nadat zij werden aangetroffen in de woning aan de [adres 2] . Tot slot volgt uit de verklaringen die in Spanje zijn afgelegd dat het afleggen daarvan van belang is geweest voor de regularisatie van de wettelijke status van aangeefsters in Spanje en dat die regularisatie ook daadwerkelijk heeft plaatsgevonden.
Naar het oordeel van de rechtbank strekt het te ver om aan het bovenstaande de conclusie te verbinden dat de verklaringen onbetrouwbaar zijn en van het bewijs moeten worden uitgesloten. Inconsistenties kunnen immers te wijten zijn aan vele factoren, zoals tijdverloop en de feilbaarheid van het menselijk geheugen. Het gaat uiteindelijk om de totale indruk die de verklaringen maken. Over de inhoud van de verklaringen van de aangeefsters overweegt de rechtbank dat hieruit, ook al zijn die verklaringen niet altijd hetzelfde, een duidelijke rode lijn kan worden gedistilleerd. Wat betreft de kern van het verwijt is de rechtbank van oordeel dat de verklaringen een eenduidig beeld laten zien. Indien de verschillende verklaringen in hun onderling verband worden bekeken, is er geen sprake van zodanige tegenstrijdigheden dat deze de betrouwbaarheid van de (kern van de) verklaringen aantasten. Dat laat onverlet dat de rechtbank bij de beoordeling van de verklaringen kritisch zal bezien in hoeverre die verklaringen steun vinden in het dossier.
Geen sprake van dwang, geweld, een andere feitelijkheid en dreiging met geweld of een andere feitelijkheid
De rechtbank stelt voorop dat de aangeefsters hebben verklaard dat zij uit eigen beweging naar Nederland zijn gekomen, dat zij wisten dat zij in de prostitutie zouden gaan werken, dat zij met [naam 1] hadden afgesproken dat zij de helft van hun verdiensten aan hem zou afstaan in ruil voor het regelen van huisvesting en klanten.
Aangeefsters hebben verklaard dat zij bang waren voor de verdachte, door de manier waarop zij tegen hen sprak en de slechte manier waarop zij hen behandelde. Ook voor medeverdachte [medeverdachte] waren zij bang, omdat hij agressief was, vaak boos werd, tegen hen schreeuwde en dreigde hen of hun familie iets aan te doen, bijvoorbeeld als zij weigerden bepaalde seksuele handelingen met klanten te verrichten of als ze te ver van huis waren om een klant te kunnen ontvangen.
Anders dan de officier van justitie ziet de rechtbank in het dossier op dit punt te weinig steun voor de verklaringen van aangeefsters en overweegt hiertoe als volgt.
Getuige [getuige 1] , in wiens woning aangeefsters een aantal weken hebben gewoond en gewerkt, heeft verklaard dat de verdachte ‘bitcherig’ tegen aangeefsters praatte en dat [medeverdachte] op een boze manier tegen hen praatte. Hij heeft echter niet verklaard dat de verdachte of [medeverdachte] geweld jegens aangeefsters gebruikten of bedreigingen naar hen uitten. Hoewel aangeefsters volgens [getuige 1] onderdanig en timide reageerden op de manier van praten door de verdachten, escaleerde het niet. Volgens [getuige 1] waren aangeefsters vrolijk en maakten zij niet de indruk dat ze daar verplicht moesten verblijven.
Getuige [getuige 2] , in wiens woning aangeefsters lange tijd hebben gewoond en gewerkt, heeft verklaard dat aangeefsters [medeverdachte] duidelijk niet aardig vonden en dat het gedrag van aangeefsters veranderde als hij er was, maar dat aangeefsters niet mishandeld, misbruikt of verhandeld op hem overkwamen en altijd vrolijk waren. Uit de verklaring van [getuige 2] volgt dat [medeverdachte] weliswaar schreeuwde naar aangeefsters, maar dat de aangeefsters ook altijd tegen elkaar schreeuwden en dat dit de manier was waarop ze in het Spaans met elkaar communiceerden. Volgens hem was er geen sprake van gevaar of geweld.
Aangeefsters zelf hebben verklaard dat de communicatie met verdachten voornamelijk via chatberichten plaatsvond. Het dossier bevat een uitdraai van een deel van die chatberichten, gevoerd over een langere periode en afkomstig van diverse telefoonnummers van [medeverdachte] , maar ook deze chatberichten ondersteunen het beeld dat aangeefsters schetsen niet.
Uit de chatberichten komt een beeld naar voren van een min of meer gelijkwaardige relatie tussen aangeefsters en verdachten, waarin zij overlegden, zaken met elkaar bespraken, discussieerden en grenzen aangaven. Aangeefsters bepaalden zelf wat hun werktijden waren, wanneer en hoe lang zij rust namen en wanneer zij de woning verlieten. Dit beeld wordt bevestigd door getuigen [getuige 2] en [getuige 1] , die beiden verklaarden dat aangeefsters de woning konden verlaten wanneer ze wilden en deze mogelijkheid ook benutten. Volgens [getuige 2] gingen en kwamen aangeefsters wanneer ze wilden en waren ze in het weekend altijd weg.
Ook van geweld of bedreiging met geweld als aangeefsters klanten weigerden of weigerden bepaalde seksuele handelingen te verrichten blijkt onvoldoende uit het dossier. Uit het dossier volgt dat [medeverdachte] aangeefsters geregeld vroeg handelingen te verrichten die ze niet wilden verrichten, maar ook dat beide aangeefsters weigerden deze handelingen te verrichten, dit ook tegen [medeverdachte] zeiden en hierin voet bij stuk hielden. Uit de berichten volgt dat [medeverdachte] op zo’n weigering van aangeefsters niet dreigde met geweld.
Ook op grond van de overige inhoud van het dossier kan de rechtbank niet vaststellen dat de verdachten op een dusdanige wijze (een van de) genoemde dwangmiddelen hebben aangewend, waardoor de in artikel 273f, eerste lid, onderdelen 1, 4 en 9 Sr genoemde handelingen mogelijk werden gemaakt.
Geen sprake van misbruik van een kwetsbare positie en misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht
De rechtbank overweegt dat sprake is van een kwetsbare positie, als sprake is van een situatie waarin een slachtoffer geen andere werkelijke of aanvaardbare keuze heeft dan het misbruik te ondergaan.
Het dwangmiddel van misbruik van een kwetsbare positie overlapt deels met het dwangmiddel misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht. Van misbruik maken van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht wordt gesproken indien sprake is van een relationele ongelijkheid of van het brengen in een dergelijke situatie van ongelijkheid, waardoor de keuzevrijheid van het slachtoffer is beperkt. De beperking van de keuzevrijheid van het slachtoffer is voldoende om een gedwongen karakter van prostitutie aan te nemen. Uit de wetsgeschiedenis komt naar voren dat de wetgever bij prostituees stelt dat hiervan sprake is als ze verkeren of komen te verkeren in een situatie die niet gelijk is aan de omstandigheden waarin een mondige prostituee in Nederland pleegt te verkeren. Het criterium ‘de gemiddelde mondige prostituee in Nederland’ omvat in ieder geval dat zij zelf bepaalt waar, wanneer, met wie, onder welke omstandigheden en tegen welke opbrengsten zij werkt.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat aangeefsters zich in een kwetsbare positie bevonden, omdat zij de Nederlandse taal niet machtig waren, zij niet bekend waren met de Nederlandse samenleving, zij voor huisvesting afhankelijk waren van de verdachten, zij zich in een slechte financiële situatie bevonden, hun grenzen niet werden gerespecteerd en de verdachten bepaalden wanneer zij beschikbaar moesten zijn. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat aangeefsters onder deze omstandigheden dermate afhankelijk waren van de verdachten, dat zij geen andere keuze zagen dan voor de verdachten te blijven werken.
Hoewel de rechtbank het met de officier van justitie eens is dat aangeefsters zich vanwege de taalbarrière en gebrek aan kennis over Nederland in een kwetsbare positie bevonden, overweegt de rechtbank dat het faciliteren van prostitutiewerkzaamheden van mensen die zich in een kwetsbare positie bevinden niet per definitie strafwaardig is. Dit is alleen het geval wanneer misbruik wordt gemaakt van die kwetsbare positie. Van een dergelijke situatie is de rechtbank in onderhavige zaak niet gebleken.
De rechtbank overweegt dat aangeefsters als volwassen vrouwen en vanwege financiële motieven de keuze hebben gemaakt om in Nederland in de prostitutie te gaan werken. Omdat ze de Nederlandse taal niet spraken en hun weg niet kenden in Nederland, kozen ze ervoor samen te werken met de verdachten, die hier wel hun weg kenden. In ruil voor de werkzaamheden door de verdachten zouden aangeefsters vijftig procent van hun verdiensten aan hen afstaan. De rechtbank realiseert zich dat aangeefsters deze keuzes niet vanuit een ideale (financiële) situatie hebben gemaakt, maar een dergelijke situatie is in de samenleving en zeker in de prostitutiebranche helaas geen uniek gegeven.
Uit het dossier is evenmin gebleken dat deze omstandigheden - toen de aangeefsters eenmaal aan het werk waren in Nederland - hebben geleid tot een afhankelijke relatie tussen aangeefsters en de verdachten, of dat de verdachten vanwege die omstandigheden in meer of mindere mate overwicht op aangeefsters hebben gehad.
Zoals eerder overwogen bepaalden aangeefsters zelf hun werk- en rusttijden en wanneer zij de woning verlieten. Zij voelden zich naar eigen zeggen vrij om te gaan en te staan waar zij wilden. De positie waarin zij verkeerden weerhield [aangeefster 1] en [aangeefster 2] er dan ook niet van om de samenwerking met de verdachten een aantal weken te stoppen en zelf huisvesting bij een vriend in Zoetermeer te regelen. Na deze rustperiode keerden zij uit eigen beweging terug naar de verdachten, omdat zij geen klanten en dus geen inkomsten meer hadden. Uit het dossier is niet gebleken dat zij terugkeerden omdat de verdachten misbruik maakten van de positie van de vrouwen.
De rechtbank neemt verder in aanmerking dat aangeefsters volledig konden beschikken over hun deel van het verdiende geld en dat uit het dossier niet blijkt dat de verdachten beschikten over de paspoorten of andere identiteitsdocumenten van aangeefsters. Ook uit de chatberichten komt niet naar voren dat de verdachten een relevante mate van overwicht op aangeefsters hadden.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat niet kan worden gezegd dat aangeefsters geen andere werkelijke of aanvaardbare keuze hadden dan voor de verdachten te blijven werken. Voorts was de situatie van aangeefsters naar het oordeel van de rechtbank zodanig van aard, dat deze gelijk was aan die van een mondige prostituee in Nederland. Zij bepaalden immers zelf wanneer en tegen welke opbrengsten zij werkten, maakten zelf een rooster van wie welke klant zou bedienen, verrichten geen seksuele handelingen die zij niet wilden verrichten en lieten het aan de verdachten over om huisvesting en klanten voor hen te regelen.
Op basis van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden bewezen dat sprake is geweest van misbruik van een kwetsbare positie of misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht.
Tussenconclusie
Nu de rechtbank niet kan vaststellen dat de verdachten gebruik hebben gemaakt van één of meer van de in artikel 273f, eerste lid, sub 1 Sr genoemde dwangmiddelen, dient de verdachte alleen al om die reden te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde, voor zover dat ziet op de in artikel 273f, eerste lid, onderdelen 1, 4 en 9 Sr strafbaar gestelde gedragingen.
Artikel 273f, eerste lid, onderdeel 6 Sr
Voor een bewezenverklaring van een op artikel 273f, eerste lid, onderdeel 6 Sr geënte tenlastelegging is het gebruik van een dwangmiddel niet vereist, maar wel dat vast komt te staan dat de betrokken personen uitgebuit.
De rechtbank stelt daarbij voorop dat de enkele omstandigheid dat mensen zich, bijvoorbeeld vanwege de omstandigheden in hun land of vanwege andere persoonlijke omstandigheden, uit financiële motieven genoodzaakt voelen werkzaamheden te verrichten die ze als niet prettig ervaren, nog niet maakt dat degene die het werk aanbiedt of faciliteert die mensen uitbuit. Daarvoor moet meer aan de hand zijn, zoals te geringe (zeggenschap over de) verdiensten, te lange werkdagen, te veel klanten, of onveilig werk.
De rechtbank overweegt dat [medeverdachte] in onderhavige zaak weliswaar adverteerde met een beschikbaarheid van aangeefsters van vierentwintig uur per dag, maar dat niet is gebleken dat aangeefsters daadwerkelijk zeven dagen per week, vierentwintig uur per dag, moesten werken. Ook is niet gebleken dat aangeefsters buitensporig veel klanten ontvingen of dat zij hun werkzaamheden moesten verrichten in erbarmelijke omstandigheden. Uit het dossier blijkt dat de aangeefsters soms zelf om meer klanten vroegen. De aangeefsters ontvingen klanten in de woning waar zij verbleven. Zij hoefden dus niet op straat te werken of vele uren achter een raam te staan. Aangeefsters verbleven soms in een woning waar zij zich niet prettig of onveilig voelden, maar uit het dossier volgt dat de verdachten hen in zo’n geval verplaatsten naar een andere woning.
Ook het feit dat de verdachten vijftig procent van de inkomsten van aangeefsters kregen is niet zonder meer voldoende om te kunnen spreken van een uitbuitingssituatie. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de verdachten voor deze vijftig procent tegenprestaties leverden: zij plaatsten advertenties, onderhielden contact met klanten en regelden vervoer, huisvesting en condooms. Bovendien vonden aangeefsters het tarief van vijftig procent op voorhand kennelijk aanvaardbaar, nu het hen niet weerhield om naar Nederland te reizen en onder de voorwaarden van die afspraak aan het werk te gaan.
Tussenconclusie
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat evenmin kan worden bewezen dat sprake is geweest van een uitbuitingssituatie. De verdachte dient daarom ook te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde, voor zover dat ziet op de in artikel 273f, eerste lid, onderdeel 6, Sr strafbaar gestelde gedragingen.
Slotconclusie ten aanzien van de mensenhandel
De rechtbank zal de verdachte vrijspreken van het haar onder de feiten 1 en 2 ten laste gelegde.
Feit 3 (mensensmokkel)
De rechtbank heeft in bijlage II de door haar gebruikte bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden opgenomen.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte samen met medeverdachte [medeverdachte] , [aangeefster 1] en [aangeefster 2] uit winstbejag behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland, dat deze vrouwen de Colombiaanse nationaliteit hebben en dat zij wederrechtelijk in Nederland verbleven. De verdachten hebben immers woonruimte geregeld voor deze twee prostituees die naar Nederland zijn gekomen om te werken in de illegale prostitutie. Het gegeven dat alle drie de vrouwen in de illegale prostitutie werkten, maakt hun verblijf in Nederland wederrechtelijk, ook voor zover zij rechtmatig Nederland zouden zijn binnengekomen. Dergelijke werkzaamheden zijn immers in strijd met de Wet arbeid vreemdelingen. Door de vrouwen - die hier geen verblijfsrecht hadden - in Nederland tegen betaling werkzaamheden te laten verrichten, hebben de verdachten hen tevens middelen (geld) verschaft om in Nederland te kunnen verblijven. Daarmee hebben de verdachten het (verdere) verblijf van de vreemdelingen in Nederland bevorderd of in elk geval gemakkelijker gemaakt. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte opzettelijk behulpzaam is geweest bij het illegale verblijf van de twee aangeefsters in Nederland.
Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel de verdachte en de medeverdachte ernstige redenen hadden om te vermoeden dat [aangeefster 1] en [aangeefster 2] wederrechtelijk in Nederland verbleven. De rechtbank stelt daarbij voorop dat op de verdachten een verzwaarde onderzoeksplicht rustte om te achterhalen wat de verblijfstatus was van de vrouwen voor wie zij een kamer regelden. De twee vrouwen zijn na telefonisch contact met [medeverdachte] naar Nederland gekomen, waar de verdachten huisvesting voor hen regelden. De verdachten wisten dat de vrouwen Spaans spraken - en dus vermoedelijk uit Spanje of Zuid-Amerika kwamen - en dat zij in Nederland in de prostitutie zouden gaan werken. Onder deze omstandigheden mochten de verdachten er niet zonder meer van uitgaan dat de vrouwen in Nederland mochten verblijven en werken. De verdachten hadden hun verblijfsstatus moeten controleren. Dit maakt dat de verdachten op zijn minst ernstige redenen hadden om te vermoeden dat het verblijf van de vrouwen in Nederland wederrechtelijk was. Voor zover zij geen of onvoldoende informatie bij de aangeefsters hebben ingewonnen, hebben de verdachten het risico op de koop toe genomen dat de aangeefsters niet over geldige verblijfsdocumenten beschikten.
De rechtbank is van oordeel dat uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte nauw en bewust heeft samengewerkt met de medeverdachte. De verdachte en de medeverdachte hebben samen [aangeefster 1] en [aangeefster 2] van het vliegveld gehaald, ze waren samen betrokken bij de huisvesting van aangeefsters en inden afwisselend het geld bij aangeefsters. Deze omstandigheden geven blijk van een gezamenlijke uitvoering van mensensmokkel.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat bewezen verklaard kan worden dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van mensensmokkel.
De bewezenverklaring
De rechtbank is van oordeel dat het onder 3 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend is bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
3.
zij in de periode van 1 maart 2020 tot 27 november 2020 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, anderen, te weten [aangeefster 2] en [aangeefster 1] , met de Colombiaanse nationaliteit, uit winstbejag behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland dan wel voornoemde personen telkens daartoe middelen heeft verschaft, door voornoemde personen woonruimte te verschaffen en voor voornoemde personen verblijfadressen te regelen, terwijl zij, verdachte, ernstige redenen had te vermoeden dat dat verblijf wederrechtelijk was.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.
4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
5. De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die haar strafbaarheid uitsluiten.
6. 6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht bij het bepalen van de straf rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en de overschrijding van de redelijke termijn.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
De verdachte heeft zich, samen met een ander, gedurende een periode van bijna negen maanden schuldig gemaakt aan het plegen van mensensmokkel uit winstbejag. Zij heeft twee vrouwen ten behoeve van de prostitutie gehuisvest in Nederland, terwijl zij ernstige redenen had om te vermoeden dat die vrouwen hier wederrechtelijk verbleven. De verdachte heeft daarmee het overheidsbeleid inzake bestrijding van illegaal verblijf in Nederland doorkruist.
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank acht geslagen op haar strafblad van 2 oktober 2025. Hieruit volgt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor mensensmokkel of een soortgelijk feit.
Voorts heeft de rechtbank kennis genomen van het Pro Justitia-rapport psychologisch onderzoek d.d. 20 januari 2026. Hieruit volgt dat bij de verdachte sprake is van een autismespectrumstoornis en van een aandachtsdeficiëntiestoornis, en dat deze stoornissen aanwezig waren ten tijde van het bewezenverklaarde. De psycholoog acht aannemelijk dat deze stoornissen verdachtes gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het bewezenverklaarde beïnvloedden, maar kan vanwege de ontkenning van de verdachte niet vaststellen op welke wijze dit precies gebeurde. De psycholoog kan ook geen uitspraak doen over eventuele verminderde toerekeningsvatbaarheid. De psycholoog schat het risico op grensoverschrijdend gedrag of gewelddadig gedrag als laag in.
De rechtbank volgt de psycholoog in haar diagnose. Hoewel de psycholoog zich heeft onthouden van een uitspraak over de toerekenbaarheid, acht de rechtbank de verdachte op grond van de aard van de stoornissen en de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd in verminderde mate toerekeningsvatbaar voor het bewezen verklaarde feit.
Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsrapport dat op 22 oktober 2025 over de verdachte is opgesteld. Uit dit rapport volgt dat de stoornissen van de verdachte van invloed zijn op haar functioneren op diverse leefgebieden. Omdat er ook beschermende externe factoren aanwezig zijn, zoals bewindvoering, betrokkenheid en mentorschap van haar ouders, ambulante begeleiding en dagbesteding, lukt het de verdachte om haar dagelijks leven relatief stabiel te leiden. De reclassering schat het risico op recidive in als laag en adviseert de rechtbank om de verdachte een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen. Vanwege de autismestoornis van de verdachte en de daaruit voortkomende behoefte aan structuur en voorspelbaarheid ontraadt de reclassering het opleggen van een gevangenisstraf. Vanwege de geringe belastbaarheid van de verdachte is de reclassering van mening dat haar huidige dagbesteding (twee dagdelen vrijwilligerswerk per week) momenteel het maximaal haalbare is. De reclassering ontraadt de rechtbank daarom ook de verdachte een werkstraf op te leggen.
Tot slot heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting (LOVS-oriëntatiepunten). Daarin wordt bij mensensmokkel als uitgangspunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden per gesmokkelde gehanteerd.
Gelet op de aard en de ernst van het feit is de rechtbank van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur in beginsel op zijn plaats is. De rechtbank houdt er echter rekening mee dat de redelijke termijn van berechting is overschreden. De rechtbank stelt vast dat de verdachte op 11 december 2023 voor het eerst als verdachte is verhoord door de politie en merkt deze datum aan als aanvangsmoment van de redelijke termijn. Nu dit vonnis wordt gewezen op 1 juni 2026 is de redelijke termijn met bijna zes maanden overschreden. De rechtbank zal daarom afwijken van het uitgangspunt en de verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen, maar een voorwaardelijke gevangenisstraf in combinatie met een taakstraf. Het opleggen van een geldstraf, zoals de reclassering heeft geadviseerd, acht de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het feit niet passend.
Conclusie
De rechtbank acht, alles afwegende, een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden passend en geboden, met een proeftijd van twee jaren, en daarnaast een taakstraf voor de duur van honderdtwintig uren met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.
De rechtbank acht een voorwaardelijke gevangenisstraf passend, enerzijds om de ernst van het gepleegde feit tot uitdrukking te brengen en anderzijds om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken.
7. De vordering van de benadeelde partij
[aangeefster 1] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 27.020,66, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 16.822,50 aan materiële schade, € 10.000,00 aan immateriële schade en
€ 198,16 aan proceskosten.
[aangeefster 2] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 27.013,62, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 16.822,50 aan materiële schade, € 10.000,00 aan immateriële schade en
€ 191,12 aan proceskosten.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de verdediging
Primair heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk in hun vordering moeten worden verklaard, gelet op de door haar bepleite integrale vrijspraak. Subsidiair heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat de materiële en immateriële schade onvoldoende onderbouwd is. Tot slot heeft de raadsvrouw betoogd dat de gevorderde proceskosten niet voor vergoeding in aanmerking komen en dat de schadevergoedingsmaatregel niet opgelegd zou moeten worden.
Het oordeel van de rechtbank
Materiële en immateriële schade
De rechtbank spreekt de verdachte vrij van de feiten 1 en 2 en is daarmee van oordeel dat de benadeelde partijen in zoverre geen schade hebben geleden door het handelen van de verdachte.
Namens de benadeelde partijen is gesteld dat de vorderingen in geval van vrijspraak voor de mensenhandelfeiten dienen te worden toegewezen in verband met het mensensmokkelfeit.
De rechtbank is echter met de verdediging van oordeel dat niet is komen vast te staan dat een causaal verband bestaat tussen de gevorderde schade en het onder 3 bewezen verklaarde feit.
De rechtbank zal de benadeelde partijen daarom ten aanzien van dit deel van hun vordering niet-ontvankelijk verklaren.
Proceskosten
Ten aanzien van de verblijfkosten die de benadeelde partijen hebben gemaakt tijdens hun verblijf in Nederland voor het verhoor bij de rechter-commissaris merkt de rechtbank op dat deze kosten niet zijn aan te merken als schade die rechtstreeks is geleden door het strafbare feit, zoals bedoeld in artikel 51f, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv), maar onder proceskosten in de zin van artikel 532 Sv dienen te worden geschaard. Volgens de Hoge Raad brengt een redelijke wetsuitleg van artikel 592a Sv (thans artikel 532 Sv) mee dat bij de begroting van de (proces)kosten dezelfde maatstaf wordt gehanteerd als in civiele procedures. Die maatstaf wordt in civiele procedures ontleend aan de artikelen 237 en volgende van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De civiele proceskostenregeling bevat een limitatieve en exclusieve regeling voor de proceskostenvergoeding. Voor reis- of verblijfskosten voor het bijwonen van een verhoor bij de rechter-commissaris kent de proceskostenregeling geen vergoeding. De gevorderde kosten komen dan ook niet voor vergoeding in aanmerking. De rechtbank zal de vordering voor dit deel daarom afwijzen.
Proceskostenvergoeding
Dit brengt mee dat de benadeelde partijen moeten worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met haar verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil.
8. De toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:
- 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47, 57 en 197a van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
9. De beslissing
De rechtbank:
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:
ten aanzien van feit 3:
een ander uit winstbejag behulpzaam zijn bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland, terwijl zij ernstige redenen heeft te vermoeden dat dat verblijf wederrechtelijk is, terwijl het feit in vereniging wordt begaan door meerdere personen, meermalen gepleegd;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een taakstraf voor de tijd van 120 (HONDERDTWINTIG) UREN;
beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van 60 (ZESTIG) DAGEN;
beveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt de maatstaf volgens welke de aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht zal geschieden op 2 uren per dag;
veroordeelt de verdachte voorts tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 3 (DRIE) MAANDEN;
bepaalt dat die straf niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
benadeelde partij [aangeefster 1]
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [aangeefster 1] af voor zover het een bedrag van € 198,16 (voor proceskosten) betreft;
bepaalt dat deze benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;
veroordeelt deze benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, begroot op nihil;
benadeelde partij [aangeefster 2]
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [aangeefster 2] af voor zover het een bedrag van € 191,12 (voor proceskosten) betreft;
bepaalt dat deze benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;
veroordeelt deze benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door
mr. G.P. Verbeek, voorzitter,
mr. P.C. Goilo-Kam, rechter,
mr. S.E. Bandsma, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. M. Walenkamp, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 1 juni 2026.