Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/149664-21, ontneming
Datum uitspraak: 1 juni 2026
Vonnis ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht
De rechtbank Den Haag heeft op de vordering van het openbaar ministerie en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak ten aanzien van de betrokkene:
[betrokkene] ,
geboren op [geboortedatum] 1994 te [geboorteplaats] ,
adres: [adres] .
1. Het onderzoek op de terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 18 mei 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het standpunt dat de officier van justitie
mr. N.Y. Rose op de terechtzitting heeft ingenomen en van hetgeen door de raadsvrouw van betrokkene mr. S.J.M. Laurier op de terechtzitting naar voren is gebracht.
2. De inhoud van de vordering
De vordering van de officier van justitie strekt ertoe dat de rechtbank het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel zal schatten en vaststellen op een bedrag van
€ 28.604,28 en aan de betrokkene de verplichting oplegt tot betaling aan de staat van dat bedrag.
3. De grondslag voor ontneming
De ontnemingsvordering is gegrond op het in de strafzaak aan de betrokkene onder de feiten
1, 2 en 3 tenlastegelegde, te weten het (mede)plegen van mensenhandel ten aanzien van [aangeefster 1] , [aangeefster 2] en [aangeefster 3] . De betrokkene wordt bij vonnis van heden in de strafzaak echter vrijgesproken van die feiten 1, 2 en 3. Daarmee is er geen grondslag voor ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
4. De beslissing
De rechtbank:
wijst af de vordering van het openbaar ministerie ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
Dit vonnis is gewezen door
mr. G.P. Verbeek, voorzitter,
mr. P.C. Goilo-Kam, rechter,
mr. S.E. Bandsma, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. M. Walenkamp, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 1 juni 2026.