RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], V-nummer: [v-nummer], eiser
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.28019
(gemachtigde: mr. M.H.K. van Middelkoop),
en
(gemachtigde: mr. V.R. Bloemberg).
Procesverloop
Bij besluit van 13 mei 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De minister heeft de maatregel van bewaring op 26 mei 2026 opgeheven.
De rechtbank heeft het beroep op 29 mei 2026 en met behulp van telehoren op zitting behandeld. Eiser en de minister hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.
Overwegingen
1. De minister heeft de onderhavige maatregel gebaseerd op artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a (a-grond) en b (b-grond), van de Vw. Indien aan de daarvoor gestelde eisen is voldaan, is elk van deze gronden afzonderlijk voldoende om de maatregel te kunnen dragen. In dit verband stelt de minister zich op het standpunt dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op de vaststelling van de identiteit of nationaliteit van eiser (a-grond) en met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag (b-grond). De minister heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiser:
(zware gronden) 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
(lichte gronden) 4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
De minister heeft de gronden in de maatregel nader gemotiveerd. Voorts heeft de minister overwogen dat een minder dwingende maatregel (een lichter middel) niet doeltreffend kan worden toegepast.
De minister heeft ter zitting lichte grond 4b laten vallen.
Voortraject
2. De rechtbank stelt vast dat eiser de procedure voorafgaand aan de inbewaringstelling niet heeft bestreden. De bewaring is niet op die grond onrechtmatig
Grondslag en gronden
3. De rechtbank is van oordeel dat de maatregel terecht op basis van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a Vw (a-grond) is opgelegd. Voor de a-grond van artikel 59b van de Vw is vereist dat de identiteit of de nationaliteit van de vreemdeling met onvoldoende zekerheid bekend is en zich ten minste twee bewaringsgronden voordoen. De rechtbank is van oordeel dat er onvoldoende zekerheid bestaat over de identiteit en nationaliteit van eiser nu hij geen enkel geldig document ter staving van die identiteit en nationaliteit heeft overgelegd.
De rechtbank is voorts van oordeel dat de maatregel terecht op basis van de b-grond van artikel 59b van de Vw 2000 is opgelegd. Uit vaste rechtspraak volgt dat met een deugdelijke motivering van het bestaan van een risico op onttrekking aan het toezicht ook gegeven is dat een maatregel van bewaring noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van gegevens, die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Hierbij is het volgende in acht genomen.
De rechtbank is van oordeel dat de minister ten onrechte de zware grond 3i aan de maatregel ten grondslag heeft gelegd. Nu eiser een asielaanvraag had ingediend is het eerder opgelegde terugkeerbesluit geschorst, zodat er ten tijde van het opleggen van de maatregel geen verplichting tot terugkeer was. De grond is dus feitelijk niet juist.
De rechtbank is verder van oordeel dat de zware en lichte gronden 3a, 3b, 3c, 3d, 4b, 4c en 4d aan de maatregel ten grondslag kunnen worden gelegd en dat deze, in samenhang bezien, reeds voldoende zijn om de maatregel van bewaring te kunnen dragen en om aan te nemen dat een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken, dan wel dat hij de voorbereiding van vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
Eiser beschikt immers niet over een paspoort, geldig visum of verblijfsvergunning en heeft daarom niet aannemelijk kunnen maken dat hij via de voorgeschreven wijze Nederland is binnengekomen (3a). Ook is eiser met onbekende bestemming vertrokken (3b), zijn bij besluiten van 21 juli 2016 en 13 november 2018 reeds eerder vertrekplichten opgelegd dagen (3c) en onderneemt eiser geen concrete actie ter bevordering van de vaststelling van zijn identiteit (3d). Dat op eiser momenteel en in het kader van zijn asielaanvraag geen vertrekplicht rust, kan niet afdoen aan de feitelijke juistheid van grond 3c.
Betreffende de lichte gronden 4c en 4d oordeelt de rechtbank dat deze terecht aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd nu eiser niet staat ingeschreven in het BRP, niet aannemelijk heeft gemaakt een vaste verblijfplaats te hebben (4c) en hij te kennen heeft gegeven niet te beschikken over middelen van bestaan (4d). De minister heeft voor deze gronden ook de relevantie voor het risico op onttrekking aan het toezicht gemotiveerd; in samenhang met de andere gronden kunnen deze gronden de maatregel dan ook dragen.
In zoverre eiser stelt dat het feit dat in de M110 staat dat de maatregel is gericht op uitzetting naar Irak en dit de maatregel onrechtmatig maakt, overweegt de rechtbank dat de minister ter zitting heeft erkend dat dit per abuis in het proces-verbaal van gehoor is opgenomen. Nu dit slechts abusievelijk aan het einde van het gehoor is genoemd en de maatregel van bewaring verder niet raakt, zie de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat dit de maatregel onrechtmatig maakt.
Lichter middel
4. De rechtbank stelt vast dat de minister de medische omstandigheden van eiser uitdrukkelijk bij zijn beoordeling heeft betrokken en afdoende kenbaar heeft gemaakt waarom in het geval van de vreemdeling niet met een lichter middel dan inbewaringstelling kan worden volstaan. De enkele en niet onderbouwde stelling van eiser dat de bewaring voor hem onevenredig bezwarend is, is onvoldoende voor het oordeel dat de minister ten onrechte tot de conclusie is gekomen dat een lichter middel niet doeltreffend kan worden toegepast. De rechtbank is ook overigens niet gebleken van omstandigheden die aanleiding geven voor het oordeel dat de bewaring onevenredig bezwarend is of dat de minister aanleiding had moeten zien eiser een lichter middel dan bewaring op te leggen.
Voortvarendheid
5. De termijn in artikel 59b, tweede lid, van de Vw 2000 moet worden gezien als een maximale termijn waarbinnen de minister voldoende voortvarend moet handelen om ervoor te zorgen dat eiser voor een zo kort mogelijke termijn in bewaring wordt gehouden. De minister heeft eiser op 22 mei 2026 gehoord, op 24 mei 2026 een voornemen uitgebracht en op 26 mei 2026 een beschikking geslagen. De rechtbank zijn geen bijzondere omstandigheden gebleken die aanleiding geven voor het oordeel dat de minister onvoldoende voortvarend heeft gewerkt aan de asielaanvraag van eiser.
Conclusie
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van mr. D.G. van den Berg, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.