RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] V-nummer: [v-nummer], eiser,
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.28022
(gemachtigde: mr. M.H.K. van Middelkoop),
en
(gemachtigde: L. Ploeger).
Procesverloop
Bij besluit van 15 mei 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 29 mei 2026 en met behulp van telehoren op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn verschenen op het detentiecentrum Rotterdam. De minister heeft zich op de rechtbank laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens is daar een tolk verschenen. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.
Overwegingen
1. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de maatregel nodig is in het kader van de openbare orde, omdat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft hieraan ten grondslag dat eiser:
(zware gronden)
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
(lichte gronden) 4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
De minister heeft de gronden in de maatregel nader gemotiveerd. Voorts heeft de minister overwogen dat een minder dwingende maatregel (een lichter middel) niet doeltreffend kan worden toegepast.
De minister heeft ter zitting lichte grond 4a laten vallen.
Voortraject
2. De rechtbank stelt vast dat eiser de procedure voorafgaand aan de inbewaringstelling niet heeft bestreden. De bewaring is niet op die grond onrechtmatig.
Grondslag
3. De rechtbank stelt vast dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft nu eiser op 2 februari 2026 een beschikking heeft gekregen waaruit volgt dat hij geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft op basis van het Unierecht. Die beslissing staat in rechte vast; eiser valt daarom onder de in artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 genoemde categorie vreemdelingen. De maatregel is op de juiste grondslag opgelegd.
Gronden
4. De rechtbank overweegt dat de aan de maatregel ten grondslag gelegde gronden niet zijn bestreden. Onder verwijzing naar r.o. 3 en met de vaststelling dat de maatregel is gemotiveerd en er ten minste twee van de gronden, bedoeld in het derde en vierde lid van artikel 5.1b, van het Vb 2000 aanwezig zijn, is de rechtbank van oordeel dat is voldaan aan de in artikel 5.1.b neergelegde voorwaarde voor inbewaringstelling en dat er voldoende reden is om aan te nemen dat een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken, dan wel dat hij de voorbereiding van vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De rechtbank laat de beoordeling van de individuele gronden onbesproken.
Lichter middel
5. De rechtbank stelt vast dat eiser in het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling heeft verklaard dat er geen bijzondere omstandigheden of andere redenen zijn waardoor de minister met een lichter middel dan inbewaringstelling zou moeten volstaan. De rechtbank is ook overigens niet gebleken van omstandigheden die aanleiding geven voor het oordeel dat de bewaring onevenredig bezwarend is of dat de minister aanleiding had moeten zien eiser een lichter middel dan bewaring op te leggen.
Ter zitting heeft eiser verklaard dat hij heeft aangegeven mee te willen werken en er daarom ondanks de hierboven besproken gronden geen onttrekkingsgevaar is. In het licht van het onttrekkingsrisico dat volgt uit de gronden en bij gebrek aan enige blijk van de intentie om te vertrekken voorafgaand aan de inbewaringstelling, acht de rechtbank dit onvoldoende. De minister heeft hierin geen aanleiding hoeven zien eiser een lichter middel op te leggen.
Voortvarendheid en zicht op uitzetting
6. De minister heeft op dag 4 van de bewaring een eerste uitzettingshandeling verricht, namelijk het voeren van een vertrekgesprek. Op 20 mei 2026 heeft de minister een verzoek neergelegd bij de Roemeense autoriteiten en de volgende dag is een vlucht aangevraagd voor eiser. De rechtbank zijn geen bijzondere omstandigheden gebleken die aanleiding geven voor het oordeel dat dit onvoldoende voortvarend is. Dat de minister reeds op 16 mei 2025 een vlucht had kunnen en moeten aanvragen volgt de rechtbank niet, nu eiser niet met enkel een kopie van zijn identiteitskaart kan reizen.
De inbewaringstelling is in strijd met artikel 59, van de Vw 2000 en het Unierecht, indien zicht op uitzetting ontbreekt. Voor dat oordeel ziet de rechtbank geen aanleiding. De rechtbank stelt hierbij voorop, dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Roemenië in het algemeen niet ontbreekt. In het specifieke geval van eiser is een lp-traject opgestart, een lp afgegeven en is voor eiser een vlucht geboekt op 1 juni 2026. Er is om deze reden al zicht op uitzetting.
Conclusie
7. De rechtbank ziet ook ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel onrechtmatig is.
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van mr. D.G. van den Berg, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.