RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[naam], verzoekster 1,
en
[naam],
de minister van Asiel en Migratie,
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.30730
V-nummers: [nummer],
V-nummer: [nummer],
gezamenlijk: verzoeksters
(gemachtigde: mr. M.S. Yap),
en
(gemachtigde: mr. K. Kana).
Procesverloop
1. Met het besluit van 27 januari 2026 heeft de minister de aanvraag van verzoekster 1 om uitstel van vertrek in het kader van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) afgewezen.
2. Verzoeksters hebben hiertegen bezwaar gemaakt. Tevens hebben zij de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen zodat zij de beslissing op bezwaar in Nederland mogen afwachten. Ook verzoeken zij de voorzieningenrechter om de beëindiging van de opvang en daarbij behorende voorzieningen te voorkomen.
3. Partijen hebben over en weer schriftelijk standpunten uitgewisseld.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
4. Verzoeksters hebben gevraagd om vrijstelling van de verplichting tot het betalen van griffierecht. De voorzieningenrechter wijst dit verzoek toe. Verzoeksters zijn geen griffierecht verschuldigd.
5. De voorzieningenrechter kan op verzoek een voorlopige voorziening treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist en kan, als partijen daardoor niet in hun belangen worden geschaad, ook uitspraak doen zonder dat een zitting plaatsvindt. De voorzieningenrechter beoordeelt bij een verzoek om een voorlopige voorziening hangende een procedure of deze procedure een redelijke kans van slagen heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventuele) bodemprocedure niet.
Is sprake van een spoedeisend belang?
6. De voorzieningenrechter is van oordeel dat er sprake is van spoedeisend belang bij het treffen van de gevraagde voorziening. Uit de door de minister toegestuurde stukken blijkt dat er concrete aanwijzingen zijn dat op korte termijn een uitzetting zal plaatsvinden. Door de minister is aan verzoeksters opvang in de VBL aangeboden. Dit aanbod van opvang in de VBL is verbonden aan de voorwaarde dat verzoeksters meewerken aan hun vertrek uit Nederland en met dien verstande dat het onderdak gepaard zal gaan met de oplegging van een vrijheidsbeperkende maatregel krachtens artikel 56, eerste lid, van de Vw 2000. Ook heeft de minister aangegeven dat er op 19 februari 2026 en 3 juni 2026 vertrekgesprekken hebben plaatsgevonden. Het feit dat verzoeksters verwijderbaar zijn, brengt naar het oordeel van de voorzieningenrechter al mee dat sprake is van een spoedeisend belang.
Heeft het bezwaar een redelijke kans van slagen?
7. De voorzieningenrechter ziet zich voor de vraag gesteld of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft.
8. Verzoekster 1 voert aan dat zij niet kan reizen, er niet aan de reisvoorwaarden kan worden voldaan en terugkeer een schending van artikel 3 van het EVRM zal opleveren. Daarbij is de opvangvoorziening van verzoeksters op 2 juni 2026 formeel beëindigd en komen zij op straat te staan. Volgens verzoeksters is het in hun belang dat zij niet worden overgeplaatst naar een VBL en dat zij worden gescheiden van de echtgenoot dan wel de vader, die wel opvang ontvangt. Ook is opvang en medische zorg relevant voor verzoeksters gelet op de medische problematiek van verzoekster 1.
9. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter, kan de minister gevolgd worden in zijn stelling dat het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft. De minister is in zijn reactie van 3 juni 2026 uitvoerig ingegaan op de bezwaren van verzoeksters. Uit het BMA-advies van 9 december 2025, dat ten grondslag ligt aan het besluit van 27 januari 2026, volgt dat bij het uitblijven van de behandeling van de neuroloog en MS verpleegkundige geen medische noodsituatie op korte termijn wordt verwacht. De minister heeft zich dan ook niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat enkele omstandigheid dat verzoekster 1 MS heeft, 1 x per jaar een neuroloog en MS-verpleegkundige ziet en medicatie krijgt voor klachtbestrijding, niet betekent dat sprake is van een acute medische noodsituatie op korte termijn. Verzoekster 1 heeft verder geen gegevens overgelegd waaruit blijkt dat dit anders is. Daarnaast heeft de minister niet ten onrechte gesteld dat de ziekte van verzoekster 1 als gevolg van de terugkeer naar het land van herkomst er niet toe leidt dat zij wordt blootgesteld aan een met artikel 4 van het Handvest strijdige behandeling. Evenmin heeft verzoekster 1, met het door haar overgelegde medisch rapport van 31 maart 2026, aangetoond dat dit in haar geval wel zo zou zijn en blijkt dit ook niet uit het BMA-advies. De voorzieningenrechter is met de minister van mening dat, ter beantwoording van de vraag of sprake is van een acute medische noodsituatie die tot opvang noopt, dit beoordeeld wordt door het COa. Hierbij is het volgens het door de minister gevoerde beleid van belang of zich een situatie voordoet waarin de vreemdeling lijdt aan een stoornis, waarvan op basis van de huidige medisch-wetenschappelijke inzichten vaststaat dat het achterwege blijven van onmiddellijke behandeling en opvang in deze fase van de stoornis zal leiden tot overlijden, invaliditeit of een andere vorm van ernstige geestelijke en/of lichamelijke schade. Dit is in het geval van verzoekster 1 noch in bezwaar noch in onderhavig verzoek om een voorlopige voorziening gebleken. Verder is van belang dat er geen sprake is van een situatie waarbij de opvang voor verzoeksters wordt beëindigd. Er is immers overplaatsing aangeboden in de VBL. Voorts hebben verzoeksters niet onderbouwd dat de medische zorg die zij stellen nodig te hebben, niet beschikbaar en toegankelijk is in de VBL.
Conclusie en gevolgen
10. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het beroep geen redelijke kans van slagen heeft. Daarom wijst de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J. Dijkstra, griffier en openbaar gemaakt via geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.