RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 mei 2026 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
de minister van Asiel en Migratie
Samenvatting
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.3635
(gemachtigde: mr. H. Loth),
en
(gemachtigde: mr. S.H. de Vries).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De minister heeft namelijk alle individuele feiten en omstandigheden meegenomen in de besluitvorming. De minister stelt zich verder niet ten onrechte op het standpunt dat eisers biseksualiteit en de daaruit voortvloeiende problemen niet geloofwaardig zijn. Eisers verklaringen vormen namelijk geen samenhangend en aannemelijk geheel. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 15 januari 2026 deze aanvraag afgewezen als ongegrond.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 23 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser heeft de Gambiaanse nationaliteit en behoort tot de Mandingo bevolkingsgroep. Eiser is biseksueel en vreest dat hij daardoor problemen krijgt bij terugkeer. Daarnaast is eiser geslagen door de mensen die zijn dochters wilden besnijden. Bij terugkeer naar Gambia vreest eiser dat dezelfde mensen hem zullen straffen en vermoorden. Ook vreest eiser voor de Gambiaanse autoriteiten, omdat hij wapens heeft vervoerd.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
1. identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. biseksualiteit en de daaruit voortvloeiende problemen;
3. problemen naar aanleiding van de besnijdenis van eisers dochters;
4. werk als chauffeur en de daaruit voortvloeiende problemen.
De minister stelt zich hierover op het standpunt dat eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig zijn. Eisers biseksualiteit en de daaruit voortvloeiende problemen zijn ongeloofwaardig geacht door de minister. Ook aan de problemen naar aanleiding van de besnijdenis van eisers dochters heeft de minister geen geloof gehecht. Tot slot zijn de problemen vanwege eisers werk als chauffeur ongeloofwaardig geacht. De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag ongegrond is.
Omvang van het geschil
5. De rechtbank stelt vast dat eiser enkel de ongeloofwaardigheid van zijn biseksualiteit en de daaruit voortvloeiende problemen betwist. Voor het overige staat de door de minister verrichte geloofwaardigheidsbeoordeling niet ter discussie.
De geloofwaardigheid van eisers biseksualiteit en daaruit voortvloeiende problemen
6. Niet in geschil is dat eiser zijn verklaringen over zijn geaardheid en de daaruit voortvloeiende problemen niet heeft onderbouwd met (objectieve) documenten die dit asielmotief volledig onderbouwen. Daarom heeft de minister beoordeeld of het asielmotief alsnog geloofwaardig is. Dat is volgens de minister niet het geval, omdat eiser niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, onder c van de Vw 2000.
Eiser voert aan dat er onvoldoende rekening is gehouden met de individuele feiten en omstandigheden bij de beoordeling van zijn seksuele geaardheid. Eiser zat in een gedwongen huwelijk met een vrouw met wie hij twee kinderen heeft. Ook had eiser een lange relatie met [persoon A]. Dat was liefde op eerste gezicht. De minister heeft onvoldoende in de beoordeling meegenomen dat eiser zijn geaardheid moest ontdekken, terwijl hij in een gedwongen huwelijk zit. In de besluitvorming concludeert de minister namelijk voornamelijk dat eiser te summier en beperkt heeft verklaard. Er geldt voor de minister echter een samenwerkingsplicht om te onderzoeken of eiser in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel. Bovendien betoogt eiser dat hem niet tegengeworpen mag worden dat hij onvoldoende heeft verklaard. Het vocabulair van de Wolof-taal is immers beperkt, waardoor eiser zijn gevoelens niet uitgebreid kan omschrijven.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister voldoende rekening gehouden met de individuele feiten en omstandigheden van eiser. Zo heeft de minister kenbaar eisers referentiekader, en daarmee de individuele feiten en omstandigheden, betrokken in de besluitvorming. Meegenomen is dat eiser een man is van 37 jaar, dat hij op jonge leeftijd geadopteerd is en is verhuisd naar Gambia. Hij is opgegroeid in een islamitisch gezin. Eiser is getrouwd geweest en is vader van twee kinderen. Eiser is opgegroeid in een gemeenschap waar biseksualiteit niet wordt geaccepteerd. Uit zijn medische dossier zijn er verder geen bijzonderheden naar voren gekomen. Er mag daarom van eiser verwacht worden dat hij persoonlijk kan verklaren over zijn gevoelens. De rechtbank is het met eiser eens dat een samenwerkingsplicht geldt voor partijen. Deze plicht strekt echter niet zo ver dat de minister gehouden is om tekortkomingen in het relaas van eiser aan te vullen. De minister heeft eiser in de gelegenheid gesteld zijn relaas toe te lichten tijdens het nader gehoor. Tijdens dit gehoor is doorgevraagd en is eiser meermaals gewezen op het feit dat hij oppervlakkig verklaart. Eiser heeft gebruik gemaakt van rechtsbijstand en kon correcties en aanvullingen op dit gehoor indienen. Onder die omstandigheden heeft de minister voldaan aan zijn samenwerkingsplicht. Dat eiser niet uitgebreid heeft kunnen verklaren vanwege het gestelde beperkte vocabulair van Wolof wordt niet gevolgd. Ook zijn in de correcties en aanvullingen de verklaringen van eiser niet nader toegelicht. Eiser heeft ook geen concrete onjuistheden in de verslaglegging aangewezen.
De rechtbank begrijpt de verwijzing naar de verklaringen van eiser over zijn huwelijk en relatie met [persoon A] zo dat hij hiermee de door de minister verrichte geloofwaardigheidsbeoordeling betwist. Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt.
De minister heeft zich in de besluitvorming, onder verwijzing naar de verklaringen van eiser, gemotiveerd op het standpunt gesteld dat deze geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. De minister heeft eiser tegengeworpen dat hij vaag heeft verklaard over het moment dat hij wist dat hij biseksueel was en over zijn eerste gevoelens voor zijn gestelde (ex-)partner [persoon A]. Verder werpt de minister eiser tegen dat hij wisselend heeft verklaard over zijn gevoelens voor vrouwen en tegenstrijdig over het wonen in Gambia als biseksueel. Tot slot heeft de minister eiser tegengeworpen dat hij summier heeft verklaard over [persoon A] en dat hij ongerijmd en oppervlakkig heeft verklaard over zijn huwelijk. De rechtbank stelt vast dat eiser deze geloofwaardigheidsbeoordeling in beroep niet gemotiveerd heeft betwist anders dan door te verwijzen naar zijn verklaringen over zijn gedwongen huwelijk en relatie met [persoon A]. Deze verklaringen zijn echter al meegenomen door de minister in zijn geloofwaardigheidsbeoordeling. Een enkele herhaling van die verklaringen betreft geen gemotiveerde betwisting van de door de minister verrichte geloofwaardigheidsbeoordeling. Daarbij wijst de minister er op zitting terecht op dat uit de verklaringen van eiser blijkt dat zijn vrouw wist van zijn gestelde relatie met [persoon A], zodat eiser niet in een positie verkeerde waarin zijn huwelijk hem beperkte in het verklaren over zijn biseksualiteit. De beroepsgrond slaagt niet.
Het terugkeerbesluit
7. Eiser voert tot slot aan dat, gelet op het arrest Ararat, er ambtshalve getoetst moet worden aan het non-refoulement beginsel.
Naar het oordeel van de rechtbank bestaat geen aanleiding om ambtshalve een beoordeling van het risico op refoulement te maken. Zoals hiervoor is geoordeeld heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat eisers biseksualiteit niet geloofwaardig is. Tegen de beoordeling van de overige asielmotieven heeft eiser geen beroepsgronden gericht. Door eiser zijn verder geen (andere) omstandigheden naar voren gebracht die de rechtbank aanleiding geven om te beoordelen of eisers terugkeer in strijd is met het beginsel van non-refoulement. Bovendien is in de onderhavige zaak geen sprake van een situatie als omschreven in het arrest Ararat, waardoor een beroep op het arrest geen doel treft. Het arrest had betrekking op een zaak waarbij in het verleden al een terugkeerbesluit was opgelegd bij de afwijzing van een asielaanvraag. Later volgde een afwijzing van een andere verblijfsaanvraag en werd door de lidstaat terugverwezen naar het eerder opgelegde terugkeerbesluit. Uit het arrest volgt dat de minister dan moet toetsen aan het beginsel van non-refoulement. In de zaak van eiser is echter geen sprake van een eerder opgelegd terugkeerbesluit, zodat van een situatie als beschreven in het arrest Ararat geen sprake is.
Conclusie en gevolgen
8. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Gaastra, rechter, in aanwezigheid van mr. N. El-Amrani, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.