RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 juni 2026 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
de minister van Asiel en Migratie
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.27744
(gemachtigde: mr. T. Esen),
en
(gemachtigde: mr. K.J. Diender).
Procesverloop
Bij besluit van 4 mei 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 26 mei 2026, met behulp van een beeldverbinding, op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Kunnen de gronden de maatregel van bewaring dragen?
1. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000), als zware gronden vermeld dat eiser:3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3g. in het Nederlandse rechtsverkeer gebruik heeft gemaakt van valse of vervalste documenten;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb 2000 heeft gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
De minister heeft de lichte grond 4d op de zitting laten vallen.
Eiser betwist alle overgebleven gronden. Ten aanzien van de zware grond 3a voert hij aan dat hij over een Gambiaans paspoort beschikt. Ten aanzien van de zware grond 3b voert hij aan dat uit zijn gedrag juist blijkt dat hij meewerkt, nu hij bij zijn aanhouding op 27 maart 2026 niet heeft geprobeerd te vluchten, op 24 april 2026 heeft meegewerkt aan een gehoor en op 3 mei 2026 vrijwillig zijn asielaanvraag heeft ingetrokken. Volgens eiser baseert de minister zich bij deze zware gronden op historische omstandigheden uit 2019, die geen actueel risico op onttrekking opleveren.
De beroepsgrond slaagt niet. Wat eiser heeft aangevoerd geeft geen aanleiding om de gronden van de maatregel onvoldoende te achten. De reden hiervoor is dat de zware grond 3a feitelijk juist is. Zoals de minister terecht heeft gesteld, is niet gebleken dat eiser op de voorgeschreven wijze Nederland is ingereisd. Eiser beschikt namelijk niet over een document of visum om Nederland in te reizen. Dat eiser een kopie van een Gambiaans paspoort heeft overgelegd, maakt het voorgaande niet anders. Dat doet namelijk niet af aan het feit dat eiser illegaal Nederland is ingereisd. Ook de zware grond 3b is feitelijk juist. De minister heeft terecht tegengeworpen dat eiser zijn onrechtmatige verblijf niet bij de korpschef heeft gemeld. Daarmee heeft eiser laten zien dat hij zich aan het toezicht heeft onttrokken. Dat eiser inmiddels op andere manieren zijn ‘medewerking’ verleent, doet niks af aan de feitelijke juistheid van deze grond.
De zware gronden 3a en 3b zijn al voldoende om de maatregel te kunnen dragen. Uit deze gronden volgt dat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Wat eiser tegen de overige gronden heeft aangevoerd zal de rechtbank daarom niet verder bespreken. De beroepsgrond slaagt niet.
Had de minister moeten volstaan met een lichter middel?
2. Eiser voert aan dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel, zoals een meldplicht. Hij voert aan dat hij vrijwillig zijn asielaanvraag heeft ingetrokken, een verblijfsadres heeft opgegeven, traceerbaar is via een bankrekening en een inschrijving bij de Kamer van Koophandel en bij de aanhouding niet heeft geprobeerd te vluchten. Daarnaast voert eiser aan dat hij vanwege een maagaandoening het medicijn Omeprazol gebruikt. Uit het vertrekgesprek van 7 mei 2026 volgt dat hij in detentie een ander middel krijgt. Volgens eiser had de minister daarom ook een concrete medische beoordeling moeten maken. Eiser voert aan dat de minister heeft volstaan met standaardoverwegingen en geen concrete belangenafweging heeft gemaakt.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich voldoende gemotiveerd op het standpunt stelt dat niet met een lichter middel dan de inbewaringstelling kon worden volstaan. Uit de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd volgt het risico dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Dat hij vrijwillig zijn asielaanvraag heeft ingetrokken, een verblijfadres heeft opgegeven, traceerbaar is via een bankrekening en een inschrijving bij de Kamer van Koophandel en niet heeft geprobeerd te vluchten bij zijn aanhouding maakt dit niet anders. Met betrekking tot de medische omstandigheden, wijst de minister terecht op het feit dat eiser zich kan wenden tot de medische dienst. De rechtbank merkt op dat de medische zorgverlening binnen de detentie- en uitzetcentra gelijkwaardig is aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij. Indien eiser meent dat de medische zorg in het detentiecentrum voor hem niet voldoende is of dat hij een onjuiste behandeling ontvangt, dan zal hij dat nader moeten onderbouwen. Daarnaast kan eiser hierover een klacht indienen bij het detentiecentrum. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan te nemen dat eiser detentieongeschikt is. Daarbij neemt de rechtbank mee dat eiser wordt behandeld en medicijnen ontvangt. De beroepsgrond slaagt niet.
Ontbreekt het zicht op uitzetting naar Gambia?
3. Eiser voert aan dat een reëel zicht op uitzetting naar Gambia ontbreekt. Hij voert aan dat hij niet over een reisdocument beschikt, weigert het formulier voor een laissez-passer (lp) in te vullen, de minister nog geen lp-aanvraag bij de Gambiaanse ambassade heeft ingediend en er geen vlucht gepland staat. De algemene stelling dat Gambia meewerkt aan een gedwongen terugkeer is volgens eiser onvoldoende om zicht op uitzetting aan te nemen.
De rechtbank is van oordeel dat een reëel zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Gambia in het algemeen niet ontbreekt. De rechtbank verwijst hierbij naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling). De rechtbank ziet geen aanleiding om in het geval van eiser anders te oordelen. De minister heeft op de zitting toegelicht dat ambtshalve op 7 mei 2026 een lp-aanvraag is ingediend bij de Gambiaanse autoriteiten en dat ten aanzien van deze aanvraag op 15 mei 2026 is geappelleerd. Dit is door eiser niet betwist. Niet is gebleken dat de Gambiaanse autoriteiten te kennen hebben gegeven dat voor eiser geen lp zal worden afgegeven. Daarom is er op dit moment geen reden om aan te nemen dat voor eiser geen lp wordt verstrekt. Dat eiser weigert medewerking te verlenen aan het invullen van zijn lp-aanvraag komt voor zijn eigen rekening en risico. De minister stelt terecht dat van eiser mag worden verwacht dat hij meewerkt aan handelingen die nodig zijn voor zijn terugkeer. De beroepsgrond slaagt niet.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
4. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens verder geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, rechter, in aanwezigheid van mr. I.S. Pruijn, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.