ECLI:NL:RBDHA:2026:14996

ECLI:NL:RBDHA:2026:14996

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 02-06-2026
Datum publicatie 05-06-2026
Zaaknummer NL25.10282
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Arnhem

Samenvatting

Artikel 64 Vw, Guinee, medische noodsituatie, beschikbaarheid en toegankelijkheid behandeling en medicatie, 8 EVRM, ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

de minister van Asiel en Migratie

Samenvatting

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.10282

(gemachtigde: mr. E. Derksen),

en

(gemachtigde: mr. R.S. Helmus).

1. Deze uitspraak gaat over de ambtshalve beoordeling van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). De minister heeft deze beoordeling afgewezen. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank deze afwijzing.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister in het bestreden besluit terecht heeft gesteld dat geen sprake was van een medische noodsituatie bij uitblijven van de behandeling van eiser. Verder heeft de minister, op basis van een nieuw BMA-advies waarin wel een medische noodsituatie wordt aangenomen, terecht gesteld dat de benodigde behandeling en medicatie beschikbaar is in Guinee. Eiser heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat deze behandeling en medicatie voor hem niet toegankelijk zijn. Tot slot heeft de minister in het besluit niet hoeven toetsen aan artikel 8 van het EVRM. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 19 februari 2025 op het bezwaar van eiser is de minister bij het primaire besluit van 6 november 2023 gebleven. Daarin heeft de minister de beoordeling om toepassing van artikel 64 van de Vw 2000 afgewezen.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

De rechtbank heeft het beroep op 9 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Voorprocedure

3. De minister heeft bij besluit van 15 augustus 2023 de asielaanvraag van eiser afgewezen en daarbij voorlopig uitstel van vertrek verleend in afwachting van de ambtshalve beoordeling om toepassing van artikel 64 van de Vw 2000. Met het besluit van 6 november 2023 heeft de minister deze ambtshalve beoordeling afgewezen. Het bezwaar tegen dit besluit is op 25 januari 2024 ongegrond verklaard, waarna eiser in beroep is gegaan. Dit beroep is door deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, ongegrond verklaard. Het door eiser ingediende hoger beroep is gegrond verklaard. Daarbij is de uitspraak van de rechtbank vernietigd, het beroep gegrond verklaard en het besluit van 25 januari 2024 vernietigd. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft daarbij geoordeeld dat door de rechtbank niet is onderkend dat het aan de, toenmalige, staatssecretaris was om in het kader van zijn vergewis- en motiveringsplicht het Bureau Medische Advisering (BMA) te verzoeken om naar aanleiding van recente informatie een nader advies te geven en dit in het besluit te verwerken. De minister heeft op 19 februari 2025 opnieuw een beslissing op bezwaar genomen en heeft het bezwaar wederom ongegrond verklaard. Dit besluit ligt nu ter toetsing voor.

Het bestreden besluit

4. De minister stelt dat uit het BMA-advies van 18 september 2024 volgt dat bij uitblijven van de behandeling geen medische noodsituatie binnen drie tot zes maanden wordt verwacht. Daarnaast kan eiser reizen, onder begeleiding van een psychiatrisch verpleegkundige.

Op 6 oktober 2025 heeft het BMA een aanvullend advies uitgebracht. Naar aanleiding daarvan heeft de minister bij brief van 21 oktober 2025, anders dan in het besluit van 19 februari 2025, gesteld dat uit het advies volgt dat bij uitblijven van de behandeling wel een medische noodsituatie kan worden verwacht. Verder volgt dat eiser wel onder voorwaarden kan reizen. Ook heeft het BMA geconcludeerd dat de behandeling en de medicatie aanwezig en beschikbaar zijn in Guinee. Het nieuwe advies leidt daarom niet tot een ander oordeel van het bestreden besluit.

De rechtbank stelt voorop dat zij het bestreden besluit ex-tunc toetst. De rechtbank beoordeelt het bestreden besluit daarom aan de hand van feiten en omstandigheden ten tijde van dat besluit. De rechtbank zal daarom beoordelen of het besluit van 19 februari 2025 voldoende gemotiveerd is aan de hand van de feiten en omstandigheden die toen bij de minister bekend waren. Omdat de minister op 21 oktober 2025 een standpunt heeft ingenomen over het nieuwe BMA-advies, en eiser daartegen ook beroepsgronden heeft aangevoerd, zal de rechtbank, ter finale afdoening, ook over het standpunt in de brief van 21 oktober 2025 een oordeel geven.

Is de minister er terecht van uitgegaan dat geen sprake was van een medische noodsituatie?

5. Eiser betoogt dat de minister in het bestreden besluit er niet vanuit mocht gaan dat geen sprake was van een medische noodsituatie. Hiervan is namelijk wel sprake. Volgens de psycholoog van eiser loopt hij een verhoogd risico op suïcide vanwege een risico op secundaire traumatisatie. De minister heeft daarom niet voldaan aan de opdracht van de Afdeling in de uitspraak van 31 mei 2024.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mocht de minister in het bestreden besluit, gelet op het BMA-advies van 18 september 2025, ervanuit gaan dat geen sprake was van een medische noodsituatie bij het uitblijven van de behandeling van eiser. Anders dan eiser betoogt, heeft de minister hiermee wel voldaan aan de opdracht van de Afdeling. In het BMA-advies is namelijk de informatie van de psycholoog meegenomen, maar het BMA komt desondanks tot de conclusie dat geen sprake is van een medische noodsituatie. De minister mocht, naar het oordeel van de rechtbank, uitgaan van dit advies. Eiser heeft verder niet onderbouwd waarom niet uitgegaan kan worden van het advies. Dat het BMA in het advies van 6 oktober 2025 tot de conclusie komt dat wél sprake is van een medische noodsituatie, maakt dat niet anders. Uit dat advies blijkt namelijk dat nu wel uitgegaan wordt van een medische noodsituatie omdat, ondanks de intensieve behandelingen, de klachten van eiser zijn toegenomen en hij een zelfmoordpoging heeft gedaan. Dit zijn omstandigheden die zich hebben voorgedaan ná het eerdere BMA-advies en konden dus eerder niet door het BMA worden betrokken.

Heeft de minister eiser voldoende gelegenheid gegeven te reageren op de brief van 21 oktober 2025?

6. Eiser betoogt dat de minister hem geen gelegenheid heeft gegeven om een zienswijze op de brief van 21 oktober 2025 naar voren te brengen. Daarmee is sprake van een onzorgvuldige voorbereiding van het besluit en schending van het beginsel van hoor en wederhoor.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Niet in geschil is dat de brief van 21 oktober 2025 door de minister aan de gemachtigde van eiser digitaal beschikbaar is gesteld. In deze brief staat het volgende: “Verweerder stelt eiser in de gelegenheid te reageren op het BMA-advies en zijn zienswijze te geven op de feitelijke toegankelijkheid van de behandeling en de medicatie in het land van herkomst.” Hieruit blijkt dat aan eiser wel degelijk de gelegenheid is geboden om zijn zienswijze te geven op het nieuwe BMA-advies en het standpunt van de minister. Dat de gemachtigde van eiser deze zinsnede zo heeft opgevat dat aan haar door de minister een termijn zou worden geboden om een zienswijze in te dienen, volgt de rechtbank niet. Dit blijkt namelijk niet uit de formulering van deze zin. Daarbij komt dat eiser, naar aanleiding van een bericht van de rechtbank, op 2 april 2026 alsnog gereageerd heeft op de brief en het BMA-advies en dus niet in zijn belangen is geschaad.

Zijn voor eiser in Guinee de noodzakelijke behandeling en medicatie beschikbaar en toegankelijk?

7. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat de noodzakelijke behandeling voor eiser beschikbaar is. Hoewel in het CHU Donka in Conarky een psychiatrische afdeling is, is de beschikbare zorg daar beperkt tot basale psychiatrische diagnostiek en medicamenteuze behandeling. De voor eiser benodigde gespecialiseerde behandeling is daar niet of onvoldoende beschikbaar. Eiser verwijst in dat kader naar eerdergenoemde bronnen in de gronden van beroep van 5 februari 2024. Verder blijkt uit de informatie dat essentiële onderdelen van de behandeling ontbreken, waaronder ambulante begeleiding en huisbezoeken door een psychiater. Ook ontbreekt psychomotore therapie en een multidisciplinaire behandelstructuur. Daarmee is de noodzakelijke zorg voor eiser dus niet beschikbaar.

Hoewel uit de MedCOI-informatie blijkt dat behandelingen, waaronder EMDR, formeel als ‘beschikbaar’ worden aangemerkt, kan hieruit volgens eiser niet worden afgeleid dat sprake is van een voor eiser adequate en gelijkwaardige behandeling. De informatie geeft namelijk geen inzicht in de toegankelijkheid, continuïteit of kwaliteit van de zorg. Daaruit volgt dus dat niet kan worden vastgesteld dat de behandeling daadwerkelijk toegankelijk is voor eiser.

Met betrekking tot de medicatie betoogt eiser dat hoewel de medicatie beschikbaar is in één apotheek, deze niet voor hem toegankelijk is. De MedCOI-informatie geeft namelijk geen inzicht in de betaalbaarheid en de daadwerkelijke beschikbaarheid van de medicatie. Er kan dus niet worden vastgesteld dat eiser daadwerkelijk en duurzaam toegang heeft tot de voor hem noodzakelijke medicatie. Daarbij komt dat voor bijvoorbeeld Clozapine de noodzakelijke laboratoriummonitoring ontbreekt. Zonder deze controle kan de medicatie niet veilig worden toegepast. Ook is de enkele beschikbaarheid van medicatie onvoldoende, omdat medische begeleiding en controle noodzakelijk zijn. Tot slot wijst eiser erop dat hij niet beschikt over een sociaal netwerk en inkomsten, ook daardoor zijn de behandeling en medicatie niet voor hem toegankelijk.

Beschikbaarheid behandeling en medicatie

Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ervanuit gaan dat de benodigde behandeling en medicatie voor eiser beschikbaar zijn in Guinee. De gemachtigde van de minister heeft daarbij tijdens de zitting terecht gesteld dat uit het BMA-advies niet blijkt dat, anders dan eiser naar voren heeft gebracht, hij ambulante begeleiding en huisbezoeken door een psychiater nodig heeft. Wel heeft eiser deze zorg nodig van een verpleegkundige en deze is ook aanwezig in Guinee. Ook de multidisciplinaire behandeling is in Guinee aanwezig. Uit het BMA-advies, en de onderliggende brondocumenten, blijkt namelijk dat zorg vanuit zowel de psychiatrie als een psycholoog en een verpleegkundige aanwezig is. Met betrekking tot de psychomotore therapie heeft de gemachtigde van de minister tijdens de zitting toegelicht dat ook deze behandeling beschikbaar is in Guinee. Hoewel deze therapie niet expliciet is opgenomen, blijkt uit het BMA-advies wel dat de therapie beschikbaar is. Er is namelijk dagbesteding beschikbaar in Guinee en daaraan kan psychomotore therapie gekoppeld worden.

Met betrekking tot de beschikbaarheid van de medicatie begrijpt de rechtbank het betoog van eiser zo dat de medicatie niet ten alle tijden daadwerkelijk beschikbaar is. Dat betoog volgt de rechtbank niet. Uit het BMA-advies blijkt dat eiser het medicijn Promethazine gebruikt en dat deze medicatie ook beschikbaar is in Guinee. Daarnaast heeft het BMA twee alternatieven voor deze medicatie benoemd welke ook beschikbaar zijn in Guinee.

Toegankelijkheid behandeling en medicatie

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister terecht gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de beschikbare zorg en medicatie niet voor hem toegankelijk zijn. Met betrekking tot het betoog van eiser over het niveau van de behandeling, heeft de minister terecht gewezen op het toetsingskader zoals deze blijkt uit de uitspraak van de Afdeling van 5 november 2024. Daaruit blijkt namelijk dat het aan de minister is om te onderzoeken of de benodigde zorg beschikbaar is. Dat heeft de minister in dit geval gedaan door middel van het BMA-advies. Hierbij hoeft niet getoetst te worden welk niveau deze behandeling heeft. Het is vervolgens aan de vreemdeling om aannemelijk te maken dat de behandeling niet feitelijk toegankelijk is. De rechtbank maakt uit de uitspraak waar eiser naar verwijst, niet op dat dit toetsingskader anders zou zijn. Met betrekking tot het betoog van eiser dat voor bijvoorbeeld Clozapine de noodzakelijke laboratoriummonitoring ontbreekt, waardoor dit medicijn onvoldoende veilig gebruikt kan worden, merkt de rechtbank op dat deze medicatie niet door eiser wordt gebruikt. Dat dit volgens eiser laat zien dat de kwaliteit van de zorg onvoldoende is, zoals toegelicht tijdens de zitting, acht de rechtbank onvoldoende voor het oordeel dat de medicatie niet voor eiser toegankelijk is. Tot slot heeft eiser niet onderbouwd dat hij niet beschikt over een sociaal netwerk en onvoldoende inkomsten waardoor de behandeling en medicatie niet toegankelijk zijn. Met deze enkele stelling heeft eiser onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de behandeling en medicatie niet toegankelijk zijn.

Had de minister moeten toetsen aan artikel 8 van het EVRM?

8. Eiser betoogt dat de minister in het besluit had moeten toetsen aan artikel 8 van het EVRM. Uit vaste jurisprudentie volgt namelijk dat het recht op privéleven ook de fysieke en psychische integriteit van een persoon omvat. In geval van eiser is sprake van een langdurige en intensieve behandeling, waarvan de duur onzeker is. Gedwongen beëindiging van dit behandeltraject als gevolg van de uitzetting vorm daarom een inmenging in het privéleven van eiser.

Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft zich tijdens de zitting terecht op het standpunt gesteld dat in het besluit is terugverwezen naar een eerder terugkeerbesluit waarin getoetst is aan artikel 8 van het EVRM. Eiser heeft in deze procedure weinig naar voren gebracht met betrekking tot artikel 8 van het EVRM, waardoor de minister niet opnieuw uitgebreid daaraan heeft getoetst. Verder heeft de minister terecht gesteld dat eiser nu in beroep vooral ingaat op zijn behandeling en in dat kader is van belang dat die behandeling ook in het land van herkomst beschikbaar is (zoals hiervoor overwogen). Daarmee heeft de minister naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd dat aan eiser geen vergunning op grond van artikel 8 van het EVRM verstrekt hoeft te worden.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I.A.M. van Boetzelaer - Gulyas, rechter, in aanwezigheid van mr. K.H.M.M. Otten, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. I.A.M. van Boetzelaer - Gulyas

Griffier

  • mr. K.H.M.M. Otten

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand