[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. B. de Haan),
en
de minister van Asiel en Migratie
(gemachtigde: mr. A.E. Geçer).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 13 maart 2026 niet in behandeling genomen omdat Spanje verantwoordelijk is voor de aanvraag.
De minister heeft de rechtbank op 22 mei 2026 bericht dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken. De gemachtigde heeft de rechtbank op 22 mei 2026 laten weten niet op de geplande zitting van 26 mei 2026 te zullen verschijnen.
De rechtbank heeft partijen laten weten van oordeel te zijn dat het niet meer nodig is om in deze zaak een zitting te houden. De rechtbank heeft de minister gevraagd om uiterlijk binnen de gestelde termijn te laten weten of hij gebruik wil maken van het recht om ter zitting te worden gehoord. De minister heeft van deze uitnodiging binnen de gestelde termijn geen gebruik gemaakt. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.
Beoordeling door de rechtbank
2. Als een vreemdeling in Nederland een asielaanvraag heeft ingediend en vervolgens met onbekende bestemming vertrekt, dan kan dat betekenen dat die vreemdeling geen prijs meer stelt op de door hem of haar gezochte bescherming in Nederland. De rechtbank kan het beroep dan niet-ontvankelijk verklaren, omdat de vreemdeling in dat geval geen procesbelang (meer) heeft. De rechtbank moet daar wel voorzichtig mee omgaan. Als de gemachtigde van de betrokken vreemdeling nog contact onderhoudt met de vreemdeling over het verloop van de procedure, dan mag in beginsel ervan uit worden gegaan dat de vreemdeling nog wel procesbelang heeft. Dat is alleen anders als er concrete aanknopingspunten bestaan waaruit kan worden afgeleid dat de vreemdeling geen prijs meer stelt op bescherming in Nederland en ook op een andere manier geen actueel of reëel belang meer heeft.
3. De minister heeft de rechtbank op 22 mei 2026 bericht dat eiser de opvang heeft verlaten en op 18 mei 2026 met onbekende bestemming is vertrokken. De minister heeft zich daarbij gebaseerd op informatie van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa).
De gemachtigde van eiser heeft op 22 mei 2026 aan de rechtbank laten weten dat hij geen contact meer met eiser heeft en niet kan aangeven waar deze zich bevindt. Wat betreft het procesbelang refereert hij zich aan het oordeel van de rechtbank, nu eiser hem niet heeft gemachtigd het beroep in te trekken.
Uit de omstandigheid dat eiser volgens informatie uit het dossier van het COa met onbekende bestemming is vertrokken, zonder aan de minister te laten weten waar hij verblijft en dat hij, zoals de gemachtigde zelf laat weten, geen contact onderhoudt met zijn gemachtigde, leidt de rechtbank af dat eiser niet langer bescherming in Nederland zoekt. Er zijn geen concrete aanknopingspunten om anders te oordelen. Daarom heeft eiser geen belang meer bij de beoordeling van het beroep. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk.
Conclusie en gevolgen
4. Het beroep is niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep van eiser niet inhoudelijk beoordeelt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.G. Noordhof, rechter, in aanwezigheid van mr. K.H.M.M. Otten, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.