ECLI:NL:RBDHA:2026:15010

ECLI:NL:RBDHA:2026:15010

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 03-06-2026
Datum publicatie 05-06-2026
Zaaknummer NL25.24479
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Arnhem

Samenvatting

Asiel; Colombia; ELN; vrees niet aannemelijk; kan zich elders in Colombia vestigen; beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

de minister van Asiel en Migratie,

Samenvatting

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.24479

(gemachtigde: mr. A.A. van Harmelen),

en

(gemachtigde: mr. S.J. de Vries).

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser zijn vrees voor de gewapende groepering Ejército Nacional de Liberación (ELN) niet aannemelijk heeft gemaakt. Bovendien heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser kan worden beschermd door de Colombiaanse autoriteiten. Zo kan eiser zich door middel van relocatiemaatregelen elders in Colombia vestigen. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 27 mei 2025 deze aanvraag afgewezen als ongegrond.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

De rechtbank heeft het beroep op 30 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas

3. Eiser is van Colombiaanse nationaliteit en is geboren op [geboortedag] 1996. Hij legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser en zijn ex-vriendin hadden een schoonmaakbedrijf voor watertanks in de stad [naam stad]. In december 2022 heeft hij watertanks schoongemaakt in een nabijgelegen departement genaamd [naam departement]. Dit bleek een gebied te zijn met coca-plantages van de groepering ELN. In maart 2023 werd hem gevraagd weer een schoonmaakopdracht in dit gebied te verrichten. Dat heeft hij geweigerd omdat hij bang was om voor een guerillagroep te werken. Daarop zijn hij en zijn ex-vriendin door de ELN met de dood bedreigd. Eiser heeft vervolgens aangifte gedaan en bescherming gezocht bij het openbaar ministerie en de lokale politie, maar ze namen de situatie niet serieus. Zij vertelden eiser dat de politie één keer per week langs zou komen, en dat eiser kon bellen als er iets aan de hand was. Begin april 2023 kregen eiser en zijn ex-vriendin het gevoel dat zij achtervolgd werden. Enkele dagen later is eiser in het bijzijn van zijn ex-vriendin en zijn kind voor hun huis beschoten terwijl hij uit de auto stapte. Eiser belde toen de politie, maar die is nooit gekomen. Eiser en zijn ex-vriendin voelden zich niet veilig en besloten om met hun vierjarige zoontje naar familieleden in een andere gemeente in Colombia te gaan. Vervolgens hebben ze besloten om het land te verlaten voor hun eigen veiligheid.

Het bestreden besluit

4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:

- identiteit, nationaliteit en herkomst;

- problemen met de ELN.

De minister stelt zich op het standpunt dat eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig zijn. Ook zijn eisers problemen met de ELN geloofwaardig. Eiser heeft zijn vrees om vermoord te worden door de ELN echter niet aannemelijk gemaakt. Eisers verklaringen bieden namelijk geen aanknopingspunten dat de ELN nog naar hem op zoek is of hem bij terugkeer zullen doden. Voor zover problemen zich opnieuw zouden voordoen, is het daarnaast in het algemeen mogelijk om bescherming van de autoriteiten en/of internationale organisaties te verkrijgen in Colombia. Ook zou eiser zich in een ander deel van Colombia kunnen vestigen. De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag ongegrond is.

Het wettelijk kader

5. Als de asielmotieven van de vreemdeling geloofwaardig zijn, beoordeelt de minister of de gestelde vrees voor vervolging of ernstige schade van de vreemdeling aannemelijk is. Hierbij wordt bekeken of de vermoedens van de vreemdeling een aannemelijk gevolg zijn van de geloofwaardige feiten en omstandigheden, afgezet tegen wat op grond van objectieve bronnen bekend is over de situatie in het land van herkomst. De feiten en omstandigheden over de vrees van de vreemdeling, moeten tot de conclusie leiden dat sprake is van een reëel en voorzienbaar risico.

Als is vastgesteld dat de vreemdeling een gegronde vrees heeft voor vervolging of ernstige schade, beoordeelt de minister of de vreemdeling daartegen bescherming van de autoriteiten kan inroepen. Dit wordt beoordeeld op het moment waarop het besluit wordt genomen. De minister onderzoekt of bescherming in zijn algemeenheid mogelijk is. Als wordt vastgesteld dat bescherming mogelijk is, is het vervolgens aan de vreemdeling om aannemelijk te maken dat een verzoek om bescherming bij de autoriteiten in het land van herkomst in zijn individuele geval bij voorbaat zinloos of zelfs gevaarlijk moet worden geacht.

Ook beoordeelt de minister of de vreemdeling een beschermingsalternatief heeft om zich in een ander gebied in het land van herkomst aan de dreiging van vervolging of ernstige schade te onttrekken. De minister neemt aan dat een ander gebied in het land van herkomst voldoet als beschermingsalternatief als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: het gaat om een gebied waar de vreemdeling geen risico loopt op vervolging of ernstige schade, de vreemdeling kan op veilige en wettige wijze reizen naar en toegang verkrijgen tot dat gebied, en van de vreemdeling kan redelijkerwijs worden verwacht dat hij zich in dat deel van het land vestigt.

Heeft eiser zijn vrees voor de ELN aannemelijk heeft gemaakt?

6. Eiser voert aan dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat hij zijn vrees voor de ELN niet aannemelijk heeft gemaakt. Eiser heeft verklaard dat hij is bedreigd en dat er een aanslag op hem en zijn gezin is gepleegd. Het is daarom opmerkelijk dat de minister stelt dat eiser hier niet eenduidig, concreet en gedetailleerd over heeft verklaard. Ook heeft eisers ex-vriendin na de aangifte het gevoel gekregen dat zij in de gaten werd gehouden, toen zij in een rij wachtenden stond. De minister heeft niet overwogen dat die laatste gebeurtenis niet waar is. Verder werpt de minister ten onrechte tegen dat deze gebeurtenissen twee jaar geleden plaatsvonden. Dat het tijdsverloop voor de ELN reden zou zijn om iemand niet meer na te jagen is een aanname van de minister, waarvan niet duidelijk is waarop die is gebaseerd. Verder werpt de minister ten onrechte tegen dat eiser sinds zijn vertrek niets meer heeft vernomen van de ELN. De minister miskent dat eiser na het schietincident met zijn gezin is ondergedoken, en na korte tijd het land is ontvlucht. Dat is de reden waarom er geen verdere problemen zijn geweest. Maar dat betekent niet dat zij die problemen bij terugkeer niet hoeven te verwachten.

Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft er terecht op gewezen dat eiser sinds zijn vertrek ruim 2 jaar geleden niets meer heeft vernomen van de ELN, en dat zijn familie of omgeving ook niets van hen heeft gehoord, dan wel problemen met hen heeft gehad. Eisers ex-vriendin heeft ook geen (telefonische) bedreigingen meer van hen ontvangen. Dat duidt er niet op dat de ELN nog inspanningen levert om eiser te vinden. Dat eiser na het schietincident met zijn gezin is ondergedoken doet hier niet aan af, nu dat voor de ELN geen beletsel zou vormen om eiser en zijn ex-vriendin telefonisch of via andere kanalen te bereiken. Onder die omstandigheden heeft de minister de enkele verklaring van eiser dat leden van de ELN hebben gezegd dat zij eiser zouden vermoorden, en dat dat is hoe de ELN werkt, terecht onvoldoende geacht om aannemelijk te achten dat eiser zal worden gedood als hij terugkeert naar Colombia.

Kan eiser worden beschermd door de Colombiaanse autoriteiten en zich elders in Colombia vestigen?

7. Eiser voert aan dat de minister zich ten onrechte op het standpunt stelt dat hij kan worden beschermd door de Colombiaanse autoriteiten. Het standpunt van de minister dat eiser geen concrete stappen zou hebben ondernomen om zich tot de autoriteiten te wenden voor bescherming is onbegrijpelijk. Verder zijn de (lokale) autoriteiten weliswaar bereid om eiser bescherming te bieden, maar de beschermingsmaatregelen die zij aanbieden stellen niets voor, aangezien de ELN een van de machtigste criminele organisaties van Latijns-Amerika is en zij aanslagen en ander geweld plegen in heel Colombia. Uit landeninformatie blijkt ook dat de bescherming door de Colombiaanse autoriteiten ineffectief is. Eiser wijst verder op een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg.

Eiser voert verder aan dat de minister ten onrechte tegenwerpt dat eiser, bijvoorbeeld door relocatiemaatregelen van de Colombiaanse overheid, een vestigingsalternatief heeft elders in Colombia. De ELN is immers een gewapende groepering die landelijk opereert. Overal in Colombia loopt eiser dus een risico op ernstige schade. Verder zou, als het veilig zou zijn, misschien van eiser redelijkerwijs kunnen worden verwacht dat hij zich elders in Colombia zou vestigen, maar dat is niet het geval voor zijn zoontje van vier. Hij zal in Colombia geen toegang hebben tot adequate zorg, waardoor een medische noodsituatie zou kunnen ontstaan.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Gelet op wat onder 6.1 is overwogen, heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser zijn vrees voor de ELN niet aannemelijk heeft gemaakt, zodat de discussie over bescherming door de autoriteiten en een vestigingsalternatief niet relevant is. Voor zover eiser echter wel beducht is om terug te keren naar [naam stad], heeft de minister zich bovendien terecht op het standpunt gesteld dat eiser de mogelijkheid heeft om bij de Colombiaanse autoriteiten en ngo’s om relocatiemaatregelen te verzoeken, waarbij een bedreigd persoon elders in Colombia wordt gehuisvest. Hoewel de Colombiaanse autoriteiten de bedreigde persoon bij relocatie slechts tijdelijk financieel bijstaan – namelijk maximaal zes maanden – heeft de minister eiser er terecht toe in staat geacht om daarna voor zijn eigen financiën te zorgen, aangezien hij in het verleden ook een schoonmaakbedrijf met zijn ex-vriendin heeft opgericht en daarmee in zijn levensonderhoud wist te voorzien. De minister heeft er in dit verband ook terecht op gewezen dat eiser eerder op verschillende plekken in Colombia heeft gewoond. De minister mag daarom ook redelijkerwijs van hem verwachten dat hij zich elders in Colombia vestigt.

Eiser wordt ook niet gevolgd in zijn betoog dat de relocatiemaatregelen van de Colombiaanse autoriteiten hem niet zouden beschermen, omdat de ELN landelijk opereert en ondanks een relocatie aanslagen kan plegen op haar doelwitten. Hoewel de ELN een grote en machtige illegale gewapende organisatie is en in verschillende delen van Colombia opereert, heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat niet uit het ambtsbericht – of de door eiser zelf aangedragen landeninformatie – volgt dat de ELN in het hele land aanwezig is. Volgens de European Union Agency for Asylum (EUAA) was de ELN in 2022 in 189 van de ongeveer 1.100 gemeenten aanwezig en opereerde ze in 16 van de 32 departementen, volgens de Canadese Immigration and Refugee Board (IRB) in 184 gemeenten en 19 departementen, en uit het ambtsbericht blijkt dat de ELN begin 2024 in 231 van de gemeenten aanwezig was en in ten minste 23 departementen opereerde. Tijdens de zitting heeft de minister er bovendien terecht op gewezen dat de ELN volgens het meest recente rapport van de EUAA terrein en invloed heeft verloren en nu nog maar in 149 gemeenten aanwezig is. Verder blijkt uit het ambtsbericht en de door eiser aangehaalde landeninformatie dat de ELN in de gebieden waar zij geen territoriale overmacht heeft weliswaar bereik en invloed heeft, maar dat haar vermogen om doelwitten op te sporen in die gebieden beperkter is. Bovendien hangt de wil van de ELN om iemand op te sporen af van hoezeer zij diegene als bedreiging voor haar activiteiten of belangen ziet. Voor zover eiser nog wel in de negatieve belangstelling van de ELN zou staan, heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat het niet aannemelijk is dat de ELN hem als een zodanig grote bedreiging voor haar activiteiten of belangen ziet, dat zij na twee jaar alsnog inspanningen zal leveren om hem elders in Colombia op te zoeken.

Ten slotte is de rechtbank van oordeel dat het al dan niet afwezig zijn van de vereiste zorg voor eisers zoon in Colombia voor nu geen reden vormt om te oordelen dat het voor eiser onmogelijk is om zich in een ander deel van Colombia te vestigen. De vraag of eisers zoon in Colombia toegang zal hebben tot adequate zorg is een kwestie die in het kader van de procedure tot het verlenen van uitstel van vertrek om medische redenen moet worden uitgezocht. Vastgesteld wordt dat dat in deze zaak niet voorligt, aangezien de minister daar in het bestreden besluit nog geen definitieve beslissing over heeft genomen.

Conclusie en gevolgen

8. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond.

Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Lange, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand