RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 juni 2026 in de zaak tussen
[eiser] v-nummer: [nummer 1], eiser
de minister van Asiel en Migratie,
Samenvatting
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.3084
mede namens zijn minderjarige zoon:
[naam minderjarige zoon] , v-nummer: [nummer 2]
(gemachtigde: mr. G.J. van der Graaf),
en
(gemachtigde: mr. R.M. Koning)
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De minister heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de problemen van eiser met Al Shabaab ongeloofwaardig zijn. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Onder 2 staat het procesverloop in dit geding. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. Onder 4 staat een samenvatting van het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 5. Daarbij gaat de rechtbank in op de vragen of de minister een van de asielmotieven van eiser niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht en of de minister het asielmotief waaraan hij wel geloof hecht onvoldoende zwaarwegend mocht achten. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.
Procesverloop
2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 13 januari 2026 deze aanvraag in de afgewezen als ongegrond.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 19 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser wordt in Somalië gezocht door Al Shabaab. Zijn vader had problemen met Al Shabaab, nadat een zoon ([persoon A]) van een overleden werknemer van zijn vader, bij Al Shabaab een klacht over zijn vader had ingediend. Al Shabaab heeft de vader van eiser gebeld en aan hem meegedeeld dat hij grond moest overdragen aan de zoon van zijn werknemer. Een lid van Al Shabaab heeft eiser en zijn vader vervolgens opgeroepen voor een rechtszitting. Uiteindelijk is de vader van eiser door Al Shabaab vermoord tijdens een aanslag. Eiser is daarbij zelf ook gewond geraakt. Bij terugkeer naar Somalië vreest eiser dat hij opnieuw slachtoffer wordt van Al Shabaab.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
1. identiteit, nationaliteit en herkomst
2. problemen met Al Shabaab
De minister acht het eerste asielmotief, de identiteit, nationaliteit en herkomst, geloofwaardig. Het tweede asielmotief, de problemen met Al Shabaab, wordt niet geloofwaardig geacht. Eiser heeft dit asielmotief niet onderbouwd met objectieve documenten. Het asielrelaas van eiser is niet alsnog geloofwaardig, omdat de verklaringen van eiser geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Eiser is geen vluchteling zoals bedoeld in het Vluchtelingenverdrag, omdat uit zijn verklaringen niet is gebleken dat hij een gegronde vrees voor vervolging heeft. Ook loopt eiser bij zijn terugkeer naar Somalië geen reëel risico op ernstige schade.
Heeft de minister zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat de problemen van eiser met Al Shabaab ongeloofwaardig zijn?
5. Eiser betoogt dat de minister zich ten onrechte op het standpunt stelt dat de problemen van eiser met Al Shabaab ongeloofwaardig zijn.
Niet in geschil is dat eiser dit asielmotief niet volledig met objectieve documenten heeft onderbouwd. Om die reden heeft de minister beoordeeld of het asielmotief alsnog geloofwaardig is. Dat is volgens de minister niet het geval, omdat de verklaringen van eiseres geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen.
De verklaringen over de rol in het conflict met Al Shabaab zijn ongerijmd
Eiser stelt dat de minister ten onrechte heeft overwogen dat onduidelijk is waarom Al Shabaab hem in het conflict heeft betrokken en betoogt dat zijn rol in het conflict een gegeven is omdat niet alleen zijn vader, maar ook hijzelf door het lid van Al Shabaab is aangesproken. Het is hierbij niet relevant wat precies de beweegreden was om ook eiser aan te spreken. De minister heeft onvoldoende gemotiveerd dat niet aannemelijk is dat Al Shabaab een reden had om eiser aan te spreken. Bovendien heeft de minister onvoldoende onderbouwd waarom het feit dat eiser niet weet waarom het lid van Al Shabaab handelde zoals hij deed, relevant is.
Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich niet ten onrechte op het standpunt dat eiser ongerijmd heeft verklaard over zijn rol in het conflict met Al Shabaab. Eiser heeft tijdens het gehoor meermalen aangegeven niet te weten waarom hij bij het conflict werd betrokken. Zoals de minister niet ten onrechte stelt mogen hieromtrent echter wel degelijk kritische vragen aan eiser worden gesteld, nu hij immers ook verklaart zelden aanwezig te zijn bij de onderneming van zijn vader en hij ook geen eigenaar was van de grond of van het bedrijf. De toelichting die eiser eerst in de zienswijze geeft, namelijk dat hij de oudste zoon was en de erfgenaam, is door de minister niet ten onrechte als een onaannemelijke verklaring aangemerkt, nu de vader van eiser op het moment dat zij door Al Shabaab zouden zijn aangesproken nog in leven was en van erfopvolging geen sprake was.
De verklaringen over de explosie zijn vaag
Eiser betoogt dat de minister zich ten onrechte op het standpunt stelt dat het ongeloofwaardig is dat de aanslagplegers eiser niet hebben kunnen zien op het moment van de aanslag. Dit is niet relevant. Het gaat niet om de vraag of ze hem hebben kunnen zien, maar om de vraag of het onwaarschijnlijk is dat de aanslagplegers eiser niet hebben gezien. Hierbij is relevant dat er geen verlichting was ten tijde van de aanval. Het is daarom mogelijk dat eiser niet is gezien. De stelling dat de aanvallers hem hadden moeten zien omdat er bij een explosie die gevolgd wordt door veel vuur geen sprake kan zijn van een volledig donkere omgeving, is, aldus eiser, in het geheel niet onderbouwd. Ook heeft de minister onvoldoende gemotiveerd waarom het onlogisch is dat de aanslagplegers niet naar het lichaam van eiser zijn gaan zoeken als zij eiser niet hebben gezien. De littekens die eiser bij de aanslag heeft opgelopen dienen wel degelijk als steunbewijs, omdat de verklaringen van eiser niet ‘dusdanig ongerijmd’ zijn dat die littekens op voorhand niet als steunbewijs kunnen worden aangemerkt.
Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich niet ten onrechte op het standpunt dat de verklaringen van eiser over de explosie vaag zijn. Eiser heeft verklaard dat hij slechts tien stappen verwijderd was van de aanslag. Ook wordt een explosie gevolgd door vuur, waardoor geen sprake kan zijn van een volledig donkere omgeving. Bovendien had Al Shabaab eiser, aldus zijn eigen verklaringen, al in het vizier. Dat Al Shabaab eiser na de aanval niet meer heeft gezocht heeft de minister dan ook niet ten onrechte vaag en ongerijmd geacht. Daar komt bij dat de verklaringen van eiser dusdanig ongerijmd zijn dat een foto van een litteken, zonder medische onderbouwing of andere bewijsmiddelen waaruit kan worden afgeleid dat dit afkomstig is van de aanval, niet kan leiden tot het geloofwaardig achten van het asielrelaas.
Geen hulp van overheidsinstanties ingeschakeld
Eiser betoogt dat de minister hem ten onrechte tegenwerpt dat hij geen hulp van overheidsinstanties heeft ingeschakeld. Hierbij verwijst eiser naar paragraaf C7/30.5.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000), waaruit blijkt dat het voor vreemdelingen afkomstig uit zuid- en centraal- Somalië niet mogelijk is om bescherming te krijgen van de autoriteiten. Om die reden kan eiser niet worden tegengeworpen dat hij niet naar de autoriteiten is gegaan. Ook valt het eiser niet te verwijten dat hij, voorafgaand aan zijn vertrek uit Somalië, één nacht in een andere woning is verbleven in zijn woonplaats [woonplaats].
Op de zitting heeft de minister verduidelijkt dat aan eiser niet wordt tegengeworpen dat hij bescherming bij de autoriteiten kan krijgen, en deze niet heeft gezocht, maar wel dat hij geen medische hulp heeft gezocht, bijvoorbeeld in het ziekenhuis in [woonplaats]. De rechtbank volgt de minister in het standpunt dat aan de geloofwaardigheid van eiser afdoet dat hij geen medische behandeling heeft gezocht. Eiser heeft immers verklaard dat hij na de explosie dusdanig gewond was geraakt dat hij met een ezelkar naar zijn schoonmoeder moest worden vervoerd en dat Al Shabaab niet wist waar hij was, terwijl in het betreffende gebied de overheid aan de macht was en het ziekenhuis niet ver weg was. Eiser is bovendien voorafgaand aan zijn vertrek nog naar [woonplaats] is teruggekeerd.
De verklaringen over de dood van de vader van eiser zijn wisselend en vaag
Eiser betoogt dat de minister zich onvoldoende gemotiveerd op het standpunt stelt dat niet kan worden ingezien dat eiser er op voorhand van uitging dat zijn vader bij de aanslag was gedood. Immers is onduidelijk waaruit blijkt dat eiser uit de gang van zaken ten tijde van de aanslag niet kon concluderen dat zijn vader was omgekomen. Ook heeft de minister onvoldoende gemotiveerd waarom het niet aannemelijk is dat eiser geen nader onderzoek heeft ingesteld om de dood van zijn vader vast te stellen. Bovendien blijkt uit het bestreden besluit niet wat de verklaringen van eiser ‘wisselend’ of ‘vaag’ maakt.
Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich niet ten onrechte op het standpunt dat eiser vaag heeft verklaard over de dood van zijn vader. Eiser heeft niet inzichtelijk gemaakt waarom hij op voorhand uitging van de dood van zijn vader. Eiser was immers slechts tien stappen verwijderd van de plek van de aanslag en heeft die overleefd. Bovendien kon eiser niet verklaren hoe zijn vrouw heeft kunnen bevestigen dat zijn vader was overleden en wat er met het lichaam van zijn vader is gebeurd. Daarbij heeft de minister van belang mogen achten dat eiser ook geen navraag heeft gedaan over wat met lichaam van zijn vader is gebeurd, terwijl dat wel voor de hand ligt.
De verklaringen over de daders zijn summier
Eiser betoogt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat het enkele feit eiser weinig kan verklaren over de daders maakt dat de verklaringen omtrent de aanslag op zichzelf ongeloofwaardig zijn. Ook heeft de minister onvoldoende gemotiveerd waarom niet aannemelijk is dat de aanslagplegers afkomstig waren van Al Shabaab en dat de aanslag verband hield met de eerdere problemen.
Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich niet ten onrechte op het standpunt dat eiser summier heeft verklaard over de daders. Eiser heeft immers zelf bevestigd dat hij geen concrete aanwijzingen heeft dat de gestelde gebeurtenissen verband houden met Al Shabaab. Eiser heeft dit derhalve op vermoedens en aannames gebaseerd. De minister heeft zijn standpunt dat de verklaringen omtrent de aanslag niet geloofwaardig zijn bovendien niet enkel gebaseerd op het gegeven dat eiser weinig kon verklaren over de daders.
De verklaringen over de problemen met Al Shabaab zijn wisselend
Eiser betoogt dat de minister hem ten onrechte tegenwerpt dat hij wisselend heeft verklaard over het bezoek van Al Shabaab bij hem thuis na de aanslag. Eiser stelt dat hij consistent heeft verklaard over het gegeven dat mensen bij hem thuis langs zijn geweest na de aanslag op zoek naar eigendomspapieren van de grond. Hier was eiser niet bij aanwezig. Eiser heeft dit van zijn schoonmoeder gehoord nadat zijn vrouw met zijn schoonmoeder had gebeld. Ook is van belang dat het verschil tussen [persoon A] en Al Shabaab voor eiser, in deze kwestie, niet van belang is. Eiser nam op basis van wat zijn schoonmoeder hem vertelde aan dat [persoon A] samen met andere mannen van Al Shabaab was langs geweest. Dit impliceert dat eiser niet zeker weet dat [persoon A] daarbij was.
Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich niet ten onrechte op het standpunt dat eiser wisselend heeft verklaard over het huisbezoek. In het vrije relaas in het nader gehoor verklaart eiser immers dat [persoon A] bij hem langs is geweest op zoek naar de papieren en later verklaart hij dat er mannen van Al Shabaab langs zijn geweest, maar dat hij hun namen niet weet. In de zienswijze verklaart eisers vervolgens dat hij aannam dat [persoon A] bij de mannen was, wat weer een andere verklaring is. Dat het verschil tussen [persoon A] en Al Shabaab voor eiser niet relevant zou zijn, doet er niet aan af dat zijn verklaringen hieromtrent wisselend zijn. Los daarvan heeft de minister niet ten onrechte overwogen dat het opmerkelijk is dat er contact is geweest tussen eiser en zijn vrouw, maar dat eiser geen consistente details kan geven over de gestelde huisbezoeken.
Tussenconclusie
Deze beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister de problemen van eiser met Al-Shabaab ongeloofwaardig mogen achten.
Heeft de minister het asielrelaas van eiser onvoldoende zwaarwegend mogen achten?
6. Eiser betoogt dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser bij terugkeer geen reëel risico loopt om het slachtoffer te worden van willekeurig geweld. De minister heeft niet weersproken dat sprake is van een hoog niveau van willekeurig geweld, zodat een lager niveau van individuele elementen is vereist om tot het oordeel te komen dat bij terugkeer een reëel risico op ernstige schade bestaat. In het bestreden besluit is onvoldoende gemotiveerd waarom de individuele elementen van eiser onvoldoende zijn om te concluderen dat dit risico er is. De minister sluit in het bestreden besluit niet uit dat de vader van eiser is overleden en dat de grond in beslag is genomen door Al Shabaab. Dit is volgens eiser een risico verhogende factor, wat onvoldoende gemotiveerd is weerlegd door de minister. Bij de beoordeling van het risico op willekeurig geweld moeten bovendien alle relevante feiten en omstandigheden worden betrokken. Het standpunt van de minister dat enkel de omstandigheden die hebben geleid tot het vertrek beoordeeld moeten worden is dan ook onjuist. Ook dat wat eiser voor het overige in de zienswijze heeft aangedragen (namelijk dat er in het gebied van herkomst een stammenconflict speelt en het gegeven dat eiser in het verleden meerdere keren is bedreigd door Al Shabaab omdat hij tegenstanders van Al Shabaab vervoerde) moet worden betrokken in de besluitvorming als risico verhogend. Wanneer het gaat om feiten en omstandigheden die als zodanig niet worden betwist, is het niet van belang of dit tijdens het gehoor al is vermeld.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat geen sprake is van een situatie waarbij eiser door enkele aanwezigheid in [woonplaats] al een reëel risico op willekeurig geweld loopt. De rechtbank stelt eveneens vast dat de minister geen standpunt heeft ingenomen ten aanzien van de vraag of sprake is van een hogere of lagere gradatie van willekeurig geweld in [woonplaats], maar dat de minister kennelijk van oordeel is geweest dat hoe dan ook geen sprake is van individuele omstandigheden die maken dat eiser een verhoogd risico op willekeurig geweld loopt. Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich terecht op dit standpunt. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.
De minister heeft zich ten aanzien van de stelling van eiser dat de problemen na de dood van zijn vader nog niet over zijn, terecht op het standpunt gesteld dat de persoonlijke problemen van eiser in dit verband niet geloofwaardig zijn bevonden en dus ook in het kader van het reëel risico op willekeurig geweld niet hoeven te worden meegenomen in de beoordeling. De rechtbank kan overigens, ook als het klopt dat sprake is van nog bestaande problemen na de dood van de vader van eiser, niet inzien waarom die relevant zijn voor de beoordeling van het risico op willekeurig geweld, nu immers geen sprake is van willekeurig geweld als die problemen zich daadwerkelijk voordoen.
Ten aanzien van het stammenconflict in het herkomstgebied heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat als er asielmotieven spelen die niet direct tot het vertrek van eiser hebben geleid, maar die wel voorkomen dat hij kan terugkeren, deze motieven tijdig aan de minister kenbaar moeten worden gemaakt. Hoewel de minister terecht overweegt dat van eiser mag worden verwacht dat hij zijn asielmotieven tijdig aan de minister kenbaar maakt, geldt desalniettemin dat als de minister het bestaan en de gradatie van willekeurig geweld in het herkomstgebied beoordeelt, hij dat moet doen aan de hand van alle relevant omstandigheden en beschikbare informatie. Het is vervolgens aan eiser om alle persoonlijke omstandigheden die voor de beoordeling van het risico op willekeurig geweld relevant zijn, (tijdig) naar voren te brengen, waar nodig aannemelijk te maken, en ook te staven waarom die individuele omstandigheden in zijn specifieke herkomstgebied maken dat hij een reëel risico op ernstige schade loopt. Wat daar ook van zij, de minister heeft zich, anders dan eiser stelt, niet op het standpunt gesteld dat bij de beoordeling van het reële risico op willekeurig geweld enkel de omstandigheden van belang zijn die golden als reden van vertrek. De minister heeft zich wel op het standpunt gesteld, en naar het oordeel van de rechtbank terecht, dat eiser persoonlijk niet meer gevaar loopt op willekeurig geweld (onder meer als gevolg van het stammenconflict) dan anderen. Eiser heeft ook in beroep niets aangevoerd wat aan deze conclusie van de minister af kan doen. Het enkele bestaan van een stammenconflict in het herkomstgebied is immers geen persoonlijke omstandigheid die leidt tot een verhoogd risico op willekeurig geweld ten opzichte van anderen.
Ook ten aanzien van de door eiser gestelde waarschuwingen en bedreigingen door Al Shabaab als gevolg van het vervoeren van tegenstanders, heeft de minister beoordeeld of sprake is van een grond waardoor eiser meer gevaar loopt op willekeurig geweld. De minister heeft zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat dit niet zo is. Ook hier valt immers niet in te zien waarom deze gestelde gebeurtenissen relevant zijn voor de beoordeling van het risico op willekeurig geweld, nu immers geen sprake is van willekeurig geweld als die problemen zich daadwerkelijk voordoen.
De minister heeft gezien bovenstaande terecht geconcludeerd dat eiser geen persoonlijke omstandigheden heeft aangevoerd die maken dat hij een verhoogd risico op willekeurig geweld loopt. In beroep heeft eiser niets aangevoerd wat aan deze conclusie af kan doen. Bij die stand van zaken behoefde de minister zich, naar het oordeel van de rechtbank, niet uit te laten over de exact gradatie van het willekeurig geweld in [woonplaats]. Immers, ook als sprake zou zijn van een hoog niveau van willekeurig geweld, zoals eiser stelt, kan dat er bij het ontbreken van risico-verhogende persoonlijke omstandigheden niet toe leiden dat voor eiser specifiek sprake is van een reëel risico op willekeurig geweld.
Conclusie en gevolgen
7. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Loof, rechter, in aanwezigheid van mr. F.E. Brokke, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.