ECLI:NL:RBDHA:2026:15026

ECLI:NL:RBDHA:2026:15026

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 03-06-2026
Datum publicatie 05-06-2026
Zaaknummer NL25.29799
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Arnhem

Samenvatting

Asiel Jemen, Sana'a, aanmerken als vluchteling, 15c-situatie, gegrond, rechtsgevolgen in stand laten.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 juni 2026 in de zaak tussen

[eiseres], v-nummer: [nummer], eiseres

de minister van Asiel en Migratie

Samenvatting

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.29799

(gemachtigde: mr. E. Maalsen),

en

(gemachtigde: mr. G.W. Wezelman).

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiseres als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eiseres inhoudelijk geen gelijk krijgt. Eiseres kan niet als vluchteling worden aangemerkt vanwege haar positie als alleenstaande vrouw. Verder heeft de minister in het beleid, zoals vastgelegd in Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire (WBV) 2025/20 terecht aangenomen dat zich in Sana’a in Jemen niet het hoogste niveau van willekeurig geweld voordoet. Eiseres heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij, gezien deze minder uitzonderlijke situatie, in Sana’a het slachtoffer zal worden van willekeurig geweld. Het beroep is wel gegrond, omdat het bestreden besluit gebaseerd is op het eerdere beleid (WBV 2024/9). Dat beleid heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) niet houdbaar geacht. Daarmee bevat het besluit een motiveringsgebrek. De rechtbank zal wel de rechtgevolgen van het besluit in stand laten, omdat de minister het gebrek in beroep alsnog deugdelijk heeft gemotiveerd. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 30 juni 2025 deze aanvraag afgewezen als ongegrond.

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

De minister heeft, naar aanleiding van een bericht van de rechtbank, op 6 maart 2026 een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft het beroep op 11 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas

3. Eiseres legt aan haar asielaanvraag het volgende ten grondslag. Zij komt uit de stad Sana’a in Jemen. Haar vader is vanwege de oorlog gaan werken in Qatar en eiseres is later met haar moeder, broers en zussen gevlucht naar Qatar. Haar moeder had zich namelijk negatief uitgelaten over de Houthi’s waarna het huis van de opa en oma van eiseres, waar zij en haar moeder woonden, is aangevallen. Eiseres is in 2020 kort teruggekeerd naar Jemen, maar is toen weer naar Qatar gegaan vanwege problemen met haar oom. De oom van eiseres wil haar namelijk uithuwelijken aan iemand die banden heeft met de Houthi’s. Eiseres heeft vervolgens Qatar verlaten en is naar Nederland gekomen omdat het dienstverband van haar vader was beëindigd. Bij terugkeer vreest eiseres dat zij zal worden uitgehuwelijkt. Ook vreest zij voor de algemene situatie in Sana’a.

Het bestreden besluit

4. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:

1. identiteit, nationaliteit en herkomst;

2. meningsverschil tussen de vader en oom van eiseres vanwege uithuwelijking.

De minister heeft beide asielmotieven geloofwaardig geacht. De problemen rondom het uithuwelijken kan echter niet worden herleid tot één van de gronden van het Vluchtelingenverdrag. Verder stelt de minister dat eiseres bij terugkeer ook geen reëel risico loopt op ernstige schade. De vrees van eiseres dat zij zal worden uitgehuwelijkt heeft zij namelijk niet aannemelijk gemaakt. De ouders van eiseres zijn het namelijk niet eens met het uithuwelijken van eiseres, en hebben haar daartegen beschermd. Niet valt in te zien dat de oom van eiseres zoveel macht heeft dat hij kan beslissen over het uithuwelijken van eiseres. Daarbij komt dat het voorval zes jaar geleden is gebeurd en sindsdien heeft eiseres niets meer van haar oom gehoord over de uithuwelijking. Tot slot neemt de minister aan dat voor Jemen sprake is van een relatief hoger niveau van willekeurig geweld, waardoor eiseres op grond van individuele omstandigheden aannemelijk dient te maken dat zij een reëel risico op willekeurig geweld loopt. Dat heeft zij niet gedaan.

Had de minister eiseres moeten aanmerken als vluchteling?

5. Eiseres betoogt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiseres niet kan worden aangemerkt als vluchteling. Hierbij is namelijk onvoldoende kenbaar betrokken dat eiseres een alleenstaande vrouw is. Haar zus woont namelijk niet in Jemen, maar in Nederland en haar opa en oma behoren niet tot het kerngezin van eiseres. Daarbij komt dat zij gelet op hun leeftijd niet in staat zijn om voor eiseres te zorgen. Daarnaast heeft eiseres tijdens de zitting naar voren gebracht dat haar oom, met wie zij de problemen heeft gehad, ook bij haar opa en oma woont. Verder verwijst eiseres naar de algemene positie van vrouwen, zoals deze blijkt uit het algemeen ambtsbericht over Jemen uit 2025 (ambtsbericht 2025). Daarnaast heeft de minister ook onvoldoende kenbaar betrokken dat de problemen van de moeder van eiseres geloofwaardig zijn bevonden ook relevant zijn voor de beoordeling van haar vluchtelingschap.

Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt voorop dat de minister niet langer tegenwerpt dat eiseres een zus heeft wonen in Jemen. De minister stelt zich desondanks terecht op het standpunt dat eiseres niet kan worden aangemerkt als vluchteling. Zij is namelijk niet aan te merken als alleenstaande vrouw die aannemelijk heeft gemaakt dat zij te vrezen heeft voor gender-gerelateerd geweld. De opa en oma van eiseres wonen namelijk nog in Jemen. Ook heeft de minister tijdens de zitting toegelicht dat het beroep van de broer van eiseres ongegrond is verklaard en eiseres dus niet alleen hoeft terug te keren naar Jemen. Dat maakt dat eiseres geen alleenstaande vrouw is. Met betrekking tot de stelling van eiseres dat haar oom ook bij haar opa en oma woont waardoor zij daar niet naar terug kan, heeft de minister terecht gesteld dat dit voor het eerst tijdens de zitting is gesteld en verder niet wordt onderbouwd. De minister hoeft deze stelling daarom niet te volgen. Daarnaast is niet betwist dat het gezag van de vader van eiseres boven het gezag van haar oom gaat. Verder heeft eiseres niet eerder dan bij de zienswijze aangevoerd dat zij te vrezen zou hebben als alleenstaande vrouw, zonder dat zij deze vrees met concrete aanknopingspunten heeft onderbouwd. Het enkel benoemen van een aantal passages uit het ambtsbericht 2025 heeft de minister hiervoor onvoldoende mogen achten. Hiermee maakt eiseres namelijk niet duidelijk waarom die algemene situatie ook op haar betrekking heeft. Het betoog van eiseres over de problemen van haar moeder, heeft de minister ook niet hoeven volgen. Hierover heeft de minister zich tijdens de zitting terecht op het standpunt gesteld dat de uitingen, die eenmalig zijn geweest, al in 2016 zijn gedaan, en dus dat ook gelet op het tijdsverloop niet aannemelijk is dat eiseres hierdoor nog problemen zou ervaren.

Loopt eiseres bij terugkeer een reëel risico op ernstige schade?

6. Eiseres betoogt dat zij bij terugkeer naar Jemen een reëel risico loopt op ernstige schade. De minister heeft onvoldoende gemotiveerd dat in Jemen sprake is van een minder uitzonderlijke situatie van willekeurig geweld. Eiseres verwijst in dat kader naar de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025. Daarnaast loopt eiseres vanwege de problemen met haar oom een individueel risico op geweld, omdat zij zich, als vrouw, kritisch heeft geuit ten aanzien van de Houthi’s, net zoals haar moeder. Daarnaast heeft haar oom een sterke band met de Houthi’s. Tot slot heeft eiseres tijdens de zitting betoogd dat de minister de humanitaire omstandigheden in Jemen, los van de situatie van willekeurig geweld, ook had moeten meewegen in het kader van artikel 3 van het EVRM.

Willekeurig geweld

De minister gaat sinds WBV 2024/9 voor geheel Jemen uit van een relatief hoger niveau van willekeurig geweld. De Afdeling heeft geoordeeld dat de minister in dit beleid onvoldoende heeft gemotiveerd dat in Jemen geen sprake is van de meest uitzonderlijke situatie die valt onder artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. De minister heeft volgens de Afdeling niet alle in de uitspraak genoemde relevante omstandigheden in zijn beoordeling betrokken en heeft de minister opgedragen een nieuwe beoordeling te verrichten met inachtneming van het ambtsbericht 2025. De minister heeft vervolgens het beleid met WBV 2025/20 gewijzigd, waarbij hij nog steeds aanneemt dat sprake is van een relatief hoger niveau van willekeurig geweld.

De rechtbank stelt vast dat de minister in het besluit van 30 juni 2025 toepassing heeft gegeven aan het beleid zoals dat volgt uit WBV 2024/9. Dat besluit kan geen standhouden, gelet op de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025. De rechtbank verklaart het beroep om die reden gegrond en vernietigt het besluit van 30 juni 2025. De rechtbank ziet echter aanleiding om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten. De minister heeft namelijk in zijn verweerschrift van 6 maart 2026, onder verwijzing naar WBV 2025/20, gemotiveerd dat in Sana’a sprake is van een relatief hoger niveau van willekeurig geweld. De rechtbank volgt de minister in dit standpunt en wijst daarbij op de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats van 5 februari 2026. In deze uitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd, geoordeeld dat de minister in het beleid, zoals volgt uit WBV 2025/20, terecht heeft aangenomen dat zich in Sana’a niet de hoogste gradatie van willekeurig geweld voordoet. De verwijzing van eiseres naar uitspraken van andere zittingsplaatsen die tot het oordeel komen dat het beleid (WBV 2025/20) van de minister nog steeds onvoldoende gemotiveerd is, geeft onvoldoende aanknopingspunten om niet langer uit te gaan van de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank van 5 februari 2026. Dat zittingsplaats Rotterdam op basis van dezelfde feiten tot een andere conclusie komt dan deze zittingsplaats, acht de rechtbank hiervoor onvoldoende. De uitspraak van zittingsplaats Utrecht ziet op de provincie Taiz en is om deze reden niet relevant in geval van eiseres nu zij afkomstig is uit Sana’a. Eiseres heeft verder tijdens de zitting nog gewezen op het feit dat in Sana’a de situatie nog steeds onrustig is en er nog steeds veel conflicten zijn. Ook dat is onvoldoende voor een ander oordeel. Dat sprake is van een conflict, is namelijk niet in geschil. De minister stelt terecht dat geen sprake is van een conflict van dien aard dat het enkel aanwezig zijn in Sana’a al maakt dat eiseres risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld.

Verhoogd risico slachtoffer willekeurig geweld

Omdat sprake is van een minder uitzonderlijke situatie van willekeurig geweld, dient eiseres aannemelijk te maken dat zij vanwege haar individuele situatie en persoonlijke omstandigheden een verhoogd risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. De minister heeft niet ten onrechte gesteld dat eiseres dat niet aannemelijk heeft gemaakt. Eiseres heeft als individuele omstandigheden namelijk naar voren gebracht dat zij vanwege de problemen met de Houthi’s een verhoogd risico loopt op willekeurig geweld. Deze individuele omstandigheden zien echter niet op willekeurig geweld, maar op gericht geweld. Daarmee maakt eiseres niet aannemelijk dat zij een verhoogd risico op willekeurig geweld loopt. Met betrekking tot het risico op gericht geweld, verwijst de rechtbank naar dat wat is geoordeeld onder 5.1.

Artikel 3 van het EVRM

De minister heeft tijdens de zitting terecht gesteld dat eiseres geen risico loopt op schending van artikel 3 van het EVRM gelet op de humanitaire omstandigheden in Sana’a. Daarbij heeft de minister er terecht op gewezen dat onvoldoende is onderbouwd dat eiseres niet in haar basisbehoefte zou kunnen voorzien. Zij heeft namelijk onderdak en familie in Jemen waardoor niet aannemelijk is dat eiseres niet in haar basisbehoefte zou kunnen voorzien. Eiseres heeft deze stelling verder ook niet onderbouwd.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep van eiseres tegen het besluit van 30 juni 2025 is gegrond, omdat het in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht niet deugdelijk is gemotiveerd (zie daarvoor onder 6.1.). De rechtbank laat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand, omdat de minister het motiveringsgebrek in beroep heeft hersteld. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiseres een proceskostenvergoeding. Deze vergoeding bedraagt € 1.868 (1 punt voor het indienen van gronden tegen het besluit en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met wegingsfactor 1, en waarde per punt van € 934).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 30 juni 2025;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.868.

Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Yeniay - Cenik, rechter, in aanwezigheid van mr.K.H.M.M. Otten, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand