RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de voorzieningenrechter van 3 juni 2026 in de zaak tussen
[verzoekster], v-nummer: [nummer], verzoekster
de minister van Asiel en Migratie.
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.21660
(gemachtigde: mr. R.M. Tjong Kim Sang),
en
Procesverloop
1. Bij besluit van 16 april 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister de aanvraag van verzoekster tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen, omdat België verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Zij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
2. De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
3. In geschil is onder meer of ten aanzien van België nog steeds kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel voor alleenstaande vrouwen. Deze rechtsvraag zal worden behandeld door de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats. Die uitspraak moet worden afgewacht, voordat op het beroep van verzoekster kan worden beslist. Het is niet bekend wanneer deze uitspraak wordt gedaan, zodat het gelet op de termijnen niet wenselijk is om in deze voorlopige voorzieningprocedure de uitspraak af te wachten.
4. De voorzieningenrechter beperkt zich daarom tot een afweging van de belangen van verzoekster en de minister in het kader van de gevraagde voorlopige voorziening. Toewijzing van het verzoek acht de voorzieningenrechter niet zeer ingrijpend. Deze gevraagde voorziening houdt alleen in dat verzoekster de behandeling van het beroep in Nederland mag afwachten. Dat is niets meer dan het in stand laten van de huidige situatie. Het niet treffen van de voorziening zou aan de andere kant betekenen dat verzoekster aan België wordt overgedragen. Niet is uitgesloten dat dit onomkeerbare gevolgen voor verzoekster kan hebben. Onder deze omstandigheden kent de voorzieningenrechter aan het belang van verzoekster om de beslissing op haar beroep in Nederland af te mogen wachten doorslaggevend gewicht toe.
5. De voorzieningenrechter wijst om die reden het verzoek om voorlopige voorziening toe, schorst het bestreden besluit en bepaalt dat verzoekster niet mag worden overgedragen aan België totdat op het beroep tegen het bestreden besluit is beslist.
6. De voorzieningenrechter veroordeelt de minister in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- treft de voorlopige voorziening dat het bestreden besluit wordt geschorst en dat verzoekster niet mag worden overgedragen aan België totdat is beslist op het beroep;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 934,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Emaus, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. I.S. Pruijn, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.