ECLI:NL:RBDHA:2026:15050

ECLI:NL:RBDHA:2026:15050

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 19-05-2026
Datum publicatie 05-06-2026
Zaaknummer NL26.13066
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Dublin/Roemenië. Artikel 17 Dublinverordening, interstatelijk vertrouwensbeginsel, onevenredige hardheid, ongegrond.

Uitspraak

[naam eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. E.S. van Aken),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. B.E.N. Goossens).

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 9 maart 2026 niet in behandeling genomen omdat Roemenië verantwoordelijk is voor de aanvraag.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

De rechtbank heeft het beroep, tezamen met het verzoek om een voorlopige voorziening met zaaknummer NL26.13067, op 22 april 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn verschenen. Als tolk is verschenen de heer M. Erbek. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Inleiding

1. Eiser stelt de Turkse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum] 1985. Hij heeft op 5 oktober 2025 zijn asielaanvraag in Nederland ingediend.

Uit Eurodac is gebleken dat hij op 18 oktober 2024 in Roemenië een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Dit verzoek is op 22 november 2024 afgewezen. Op 21 november 2025 heeft Nederland aan Roemenië verzocht om eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, onder b, van Verordening (EU) nr 604/2013 (Dublinverordening). Roemenië heeft dit verzoek op 3 december 2025 aanvaard op grond van artikel 18, eerste lid, onder d, van de Dublinverordening.

Het bestreden besluit

2. Met het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser met toepassing van artikel 30, eerste lid van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) niet in behandeling genomen, omdat Roemenië op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij overdracht aan Roemenië een reëel risico loopt op een met artikel 4 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (Handvest) of artikel 3 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM) strijdige behandeling. Ook heeft eiser volgens verweerder geen andere redenen aannemelijk gemaakt die aanleiding geven om zijn asielaanvraag in Nederland in behandeling te nemen.

Beroepsgronden van eiser

3. Eiser stelt zich op het standpunt dat Nederland op grond van artikel 17 van de Dublinverordening zijn asielaanvraag in behandeling moet nemen omdat ten aanzien van Roemenië niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Een overdracht aan Roemenië is in strijd met artikel 3 EVRM en artikel 4 Handvest. Eiser voert hierbij aan dat hij een zeer slechte behandeling heeft ondergaan tijdens zijn eerdere verblijf in Roemenië. Het gebrek aan adequate opvang heeft ertoe geleid dat eiser in Roemenië in een situatie verkeerde die voor hem onleefbaar was zonder voldoende eten, een douche en woonruimte. Hij heeft geen informatie ontvangen over waar hij zich hierover kon beklagen en er was geen rechtshulp voorhanden. Hij stelt dat de Roemeense autoriteiten hem niet wilden helpen. Eiser stelt ook dat het onduidelijk en onzeker is of, bij terugkeer naar Roemenië, zijn opvolgend asielverzoek inhoudelijk zal worden beoordeeld, te meer omdat dit bij zijn eerdere asielaanvraag ook niet is gebeurd. In dat kader verwijst eiser naar het AIDA-rapport ‘Country Report: Romania, 2024 Update’ van augustus 2025 (zie AIDA-RO_2024-Update.pdf) waarin de procedure voor opvolgende asielaanvragen wordt uitgelegd. Eiser stelt hierover dat er in zijn geval sprake zal zijn van korte termijnen met een schriftelijke beoordeling zonder interview, adequate rechtshulp ontbreekt, er geen tolk beschikbaar is, zijn eerdere asielprocedure niet goed is verlopen en dat hij eerder een instructie heeft gekregen het land te verlaten. Verweerder moet nader onderzoek doen alvorens tot overdracht wordt overgegaan.

Verder stelt eiser dat een overdracht aan Roemenië getuigt van onevenredige hardheid. Er moet een individuele toets plaatsvinden of Nederland zelf de verantwoordelijkheid kan nemen op basis van artikel 17 van de Dublinverordening. Eiser vreest dat hij na overdracht aan Roemenië in bewaring wordt geplaatst en wordt teruggestuurd naar zijn land van herkomst. Verder wijst eiser op zijn slechte psychische gesteldheid. Eiser stelt dat zelfs als er in het algemeen zou worden aangenomen dat Roemenië zich aan de internationale regels houdt, blijkt dat in het geval van eiser dit niet het geval is.

Beoordeling door de rechtbank

Het interstatelijk vertrouwensbeginsel

4. De rechtbank stelt voorop dat bij de toepassing van de Dublinverordening het uitgangspunt is dat verweerder mag uitgaan van het vermoeden dat lidstaten bij de behandeling van asielverzoeken hun internationale verplichtingen zullen nakomen, het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft geoordeeld dat verweerder ten aanzien van Roemenië van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan uitgaan (zie bijvoorbeeld de uitspraken van 27 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4844, 8 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:27, 6 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:912, 21 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1176, 17 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2938 en 22 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2970). Het ligt dan op de weg van eiser om aannemelijk te maken dat dit in zijn geval niet opgaat omdat sprake is van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen van de asielprocedure en opvangvoorzieningen die ernstige, op feiten berustende gronden vormen om aan te nemen dat de asielzoeker een reëel risico zal lopen op een onmenselijke of vernederende behandeling als in artikel 3 EVRM of artikel 4 Handvest. Daarbij geldt een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid. Dat is beschreven in het arrest Jawo (ECLI:EU:C:2019:218).

Naar het oordeel van de rechtbank is eiser niet in zijn bewijslast geslaagd. De Afdeling heeft in de eerdergenoemde uitspraken het AIDA-rapport, 'Country Report: Romania (2022 Update)', van mei 2023 betrokken (zie AIDA RO_2019update). Het door eiser aangehaalde AIDA-rapport (2024 Update) van augustus 2025 heeft de Afdeling weliswaar niet in de beoordeling betrokken. In dat kader heeft verweerder ter zitting verwezen naar een uitspraak van zittingsplaats Utrecht van 29 januari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:1555, waarin het meest recente AIDA-rapport (Update 2024) wel is meegewogen en is geoordeeld dat nog steeds kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten opzichte van Roemenië. Gelet op deze uitspraak, in samenhang met eisers verklaringen en de genoemde passages uit het AIDA-rapport, volgt naar het oordeel van de rechtbank niet dat er aanknopingspunten zijn dat de asielprocedure in Roemenië fundamentele systeemfouten bevat waardoor niet meer van dit interstatelijk vertrouwen kan worden uitgegaan.

Wat betreft de behandeling van de opvolgende asielaanvraag van eiser bij terugkeer naar Roemenië, oordeelt de rechtbank als volgt. Ter onderbouwing van het standpunt van eiser dat het hoogste onduidelijk en onzeker is of, bij terugkeer naar Roemenië, zijn opvolgend asielverzoek inhoudelijk wordt beoordeeld, verwijst eiser naar de in de zienswijze (pagina 2) eerdergenoemde passages uit het AIDA-rapport (Update 2024). Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de overgelegde passages uit het AIDA-rapport (pagina 65, 92 en 93), dat voor opvolgende asielaanvragen, zoals het geval zal zijn voor eiser in het geval hij terug zou keren naar Roemenië als Dublinclaimant, inderdaad een verkorte procedure wordt gehanteerd op grond van een schriftelijke verklaring. Uit pagina 93 van het AIDA-rapport blijkt dat deze schriftelijke verklaring bestaat uit een met redenen omklede aanvraag, de door de aanvrager ingediende stukken en de gegevens in zijn of haar dossier. Anders dan eiser stelt, wordt op grond hiervan beslist of de aanvrager toegang krijgt tot een nieuwe asielprocedure, en betreft dit niet de inhoudelijke behandeling van de asielaanvraag. Tegen deze beslissing staat beroep open. Hoewel uit pagina 94 van het AIDA-rapport blijkt dat het beroep wordt afgehandeld zonder het horen van de aanvrager en dat de aanvragers van deze opvolgende asielaanvraag, anders dan asielzoekers, niet in de gesubsidieerde programma’s vallen om hulp te ontvangen van organisaties in Roemenië, staat er ook dat zij kunnen worden bijgestaan door een vrijwilligersorganisatie. Uit pagina 92 blijkt dat toegang tot de asielprocedure voor aanvragers van opvolgende asielaanvragen mogelijk is als er door de aanvrager nieuwe omstandigheden worden gepresenteerd die relevant zijn in de zaak, of indien er significante ontwikkelingen hebben plaatsgevonden in het land van herkomst. De rechtbank stelt op grond hiervan vast dat, anders dan eiser beweert, er niet uit het overgelegde AIDA-rapport (Update 2024) blijkt dat eisers opvolgende asielaanvraag per definitie niet inhoudelijk zal worden beoordeeld in Roemenië.

De Roemeense autoriteiten hebben met het claimakkoord bovendien gegarandeerd dat zij eisers asielaanvraag, met inachtneming van de internationale verdragen en Europese asiel- en opvangrichtlijnen, in behandeling zullen nemen. Hoewel eiser in het Dublin aanmeldgehoor heeft verklaard de Roemeense autoriteiten niet te vertrouwen (pagina 5), is de stelling dat de Roemeense autoriteiten eiser niet willen of kunnen helpen niet nader onderbouwd. Verder geldt dat eiser niet eerder als Dublinclaimant is overgedragen aan Roemenië, zodat hij niet uit eigen ervaring kan verklaren over de behandeling van Dublinclaimanten in Roemenië. Indien eiser zich na overdracht aan Roemenië, onverhoopt, geconfronteerd ziet met problemen, geldt dat hij zich hierover dient te beklagen bij de Roemeense autoriteiten. Hij heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit niet mogelijk is of dat de Roemeense autoriteiten hem niet willen of kunnen helpen (vgl. het arrest van het EHRM van 2 december 2008, ECLI:CE:ECHR:2008:1202DEC003273308, in de zaak K.R.S. tegen het Verenigd Koninkrijk).

Nu verweerder mag uitgaan van het vermoeden dat de Roemeense autoriteiten hun internationale verplichtingen nakomen en eiser niet met concrete aanwijzingen aannemelijk heeft gemaakt dat bij zijn overdracht aan Roemenië het tegendeel het geval zal zijn, stelt verweerder terecht dat hij niet op grond van artikel 3, tweede lid, derde alinea, van de Dublinverordening verantwoordelijk is geworden voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser en heeft verweerder evenmin aanleiding hoeven zien om de asielaanvraag van eiser op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening in verbinding met paragraaf C2/5, eerste gedachtestreepje (onder ‘discretionaire bepalingen’), van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) aan zich te trekken.

De beroepsgrond slaagt niet.

Onevenredige hardheid

5. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling, bijvoorbeeld de uitspraak van 27 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4852 en 23 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5359, volgt dat omstandigheden die op onderwerpen zien die van betekenis zijn voor de beoordeling van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, niet ook van betekenis zijn voor de beoordeling of er zich bijzondere, individuele omstandigheden voordoen als bedoeld in paragraaf C2/5, tweede gedachtestreepje (onder ‘discretionaire bepalingen’) van de Vc. De door eiser gestelde vrees voor inbewaringstelling na overdracht aan Roemenië met als doel uitzetting naar zijn land van herkomst, is van betekenis voor de beoordeling van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Deze stellingen kunnen op zichzelf niet leiden tot het oordeel dat er sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat eisers overdracht van een onevenredige hardheid getuigt. Dat zou anders kunnen zijn als eiser met medische stukken aannemelijk maakt dat hij door slechte behandeling in Roemenië psychische klachten heeft opgelopen en die klachten zullen verergeren bij overdracht. Op 21 april 2026 heeft eiser medische stukken overgelegd ter onderbouwing van de in zijn beroepsgronden gestelde psychische klachten. Ter zitting heeft eiser hier een toelichting op gegeven en stelt zich op het standpunt dat verweerder nader onderzoek moet doen naar zijn medische situatie en het Bureau Medische Advisering (BMA) om advies moet vragen nu eiser kampt met serieuze klachten. In dat kader verwijst eiser naar een tussenuitspraak van zittingsplaats Arnhem van 6 maart 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:4799, en stelt dat de medische klachten serieus moeten worden genomen te meer nu in Dublinzaken korte termijnen worden gehanteerd waardoor het lastig is om de gesignaleerde klachten nader te inventariseren voordat iemand wordt overgedragen.

Voor zover eiser een beroep doet op het arrest C.K. van het Hof van 16 februari 2017, ECLI:EU:C:2017:127, overweegt de rechtbank dat verweerder zich ter zitting terecht op het standpunt stelt dat uit de medische stukken niet valt te herleiden dat een overdracht zal leiden tot een aanzienlijke onomkeerbare achteruitgang van eisers gezondheidssituatie. Wat betreft het doen van nader onderzoek en het vragen van een BMA-advies verwijst verweerder ter zitting verder naar de Werkinstructie 2021/3 (zie WI 2021/3 BMA advies tijdens de Dublinprocedure n.a.v. arrest C.K. - Immigratie- en Naturalisatiedienst) waaruit blijkt dat tijdens een Dublinprocedure een BMA-advies kan worden opgevraagd als uit objectieve medische gegevens blijkt dat de overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat een zodanig ernstige invloed heeft op zijn mentale of fysieke toestand dat er sprake is van een reëel en onderbouwd risico op een aanzienlijke en onomkeerbare verslechtering van zijn gezondheidstoestand. Verweerder stelt zich naar oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt dat dit niet blijkt uit de medische stukken en ziet geen aanleiding voor een BMA-onderzoek. Dit oordeel verandert niet door de vergelijking die eiser maakt met de zaak van de zittingsplaats Arnhem van 6 maart 2026. De situaties verschillen namelijk op wezenlijke punten. Met name de ernst van de psychische klachten die samenhangen met de overdracht, zoals vastgesteld in het medisch rapport, wijkt af. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder geen aanleiding heeft hoeven zien om de asielaanvraag van eiser onverplicht aan zich te trekken op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening in verbinding met paragraaf C2/5, tweede gedachtestreepje (onder ‘discretionaire bepalingen’), van de Vc.

De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Hello, rechter, in aanwezigheid van mr. E. op den Kamp, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. A. Hello

Griffier

  • mr. E. op den Kamp

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand