ECLI:NL:RBDHA:2026:15052

ECLI:NL:RBDHA:2026:15052

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 02-06-2026
Datum publicatie 05-06-2026
Zaaknummer 09/234185-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

volgt

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer: 09/234185-25

Datum uitspraak: 2 juni 2026

Tegenspraak

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum 1] 1978 te [geboorteplaats] ,

BRP-adres: [adres 1] .

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting 19 mei 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. A.M.A. Ramdharie-Beckers en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw mr. T. Altindag naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1hij, in of omstreeks de periode van 7 maart 2024 tot en met 5 september 2025 te Naaldwijk, gemeente Westland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal,(telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2hij op of omstreeks 5 september 2025 te Naaldwijk, gemeente Westland opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 286,8 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaalbevattende cocaïne, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

3. De bewijsbeslissing

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft namens de verdachte vrijspraak van het tenlastegelegde bepleit.

Gebruikte bewijsmiddelen

De rechtbank heeft in de bijlage (bijlage I) opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.

Bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 1

Tenlastegelegde periode

Met de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat op basis van het dossier niet buiten gerede twijfel kan worden vastgesteld dat de verdachte zich gedurende de gehele tenlastegelegde pleegperiode schuldig heeft gemaakt aan de tenlastegelegde gedragingen. De rechtbank zal, gelet op de verklaring van de verdachte, uitgaan van een kortere pleegperiode, te weten van 5 maart 2025 tot en met 5 september 2025.

Getuigenverklaring [getuige]

De rechtbank maakt voor het bewijs gebruik van de getuigenverklaring van [getuige] . De rechtbank ziet, anders dan de verdediging, geen reden om te twijfelen aan zijn verklaring dat hij via Discord contact had met ‘ [bijnaam] ’ om drugs te kopen. Dit deel van de verklaring van [getuige] is consistent en vindt steun in het feit dat de verdachte heeft verklaard dat dit zijn account is en in de woning van verdachte regelmatig cocaïne werd verkocht. De verklaring van [getuige] is ook voldoende specifiek op dit punt. Dat [getuige] wellicht al langer drugs kocht bij de woning dan hij heeft verklaard, maakt volgens de rechtbank niet dat zijn gehele verklaring terzijde dient te worden geschoven.

Medeplegen

Ten aanzien van het tenlastegelegde medeplegen overweegt de rechtbank dat de verdachte ter terechtzitting heeft verklaard dat hij enkele malen aan de deur klaargelegde pakketjes cocaïne heeft afgegeven, in opdracht van de medeverdachte. De rechtbank overweegt dat uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte een grotere rol heeft gehad. Zo verklaart [getuige] dat hij via de verdachte contact zocht om drugs te kopen. Daarnaast zijn in de gemeenschappelijke ruimtes van de woning, namelijk in de keuken en woonkamer, versnijdingsmiddelen, weegschalen, gripzakjes en cocaïne aangetroffen. Dit wijst op een meer gemeenschappelijke handel in cocaïne van de verdachte en zijn medeverdachte. De rechtbank acht het niet geloofwaardig dat de verdachte niet op de hoogte was van de aanwezigheid van deze spullen. Tot slot volgt uit de berichten die zijn gevonden op de telefoon van de medeverdachte, dat de verdachte actief betrokken was bij de handel in verdovende middelen vanuit de woning. De rol van de verdachte lijkt weliswaar minder groot te zijn geweest dan die van de medeverdachte, maar dat neemt niet weg dat bij de verstrekking van cocaïne sprake is geweest van een gezamenlijke uitvoering en van een zodanig nauwe en bewuste samenwerking dat daarmee naar het oordeel van de rechtbank sprake is van medeplegen.

Bewijsoverweging ten aanzien van feit 2

De rechtbank ziet zich verder voor de vraag gesteld of de verdachte de aangetroffen drugs in de slaapkamer van de medeverdachte opzettelijk aanwezig heeft gehad.

De rechtbank stelt voorop dat voor het aanwezig hebben van drugs is vereist dat de verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van de drugs en dat deze middelen zich binnen zijn machtssfeer bevonden. Een bewoner mag, behoudens contra-indicaties, bekend worden verondersteld met de aanwezigheid van de in een woning aanwezige goederen. In dit geval lagen de drugs zichtbaar op een tafeltje in de slaapkamer van de medeverdachte. Omdat de drugs in zijn woning lagen, kon de verdachte daarover de feitelijke macht uitoefenen in de zin dat hij daarover kon beschikken. Op het moment van aantreffen was de verdachte aanwezig in de woning. Daar komt bij dat, zoals hiervoor overwogen, in de gemeenschappelijke ruimtes van de woning gripzakjes, versnijdingsmiddel, weegschalen en cocaïne is gevonden. Hieruit leidt de rechtbank af dat de cocaïne in die ruimtes werd versneden en afgewogen en dat de verdachte in de nabijheid daarvan mocht en kon verkeren. Gelet op het voorgaande kan worden bewezenverklaard dat de verdachte opzettelijk de aangetroffen cocaïne in de woning aanwezig heeft gehad.

De bewezenverklaring

De rechtbank is met betrekking tot de ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:

1

hij in de periode van 5 maart 2025 tot en met 5 september 2025 te Naaldwijk, tezamen en in vereniging met een ander, meermalen, opzettelijk heeft verwerkt en verkocht en verstrekt, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2

hij op 5 september 2025 te Naaldwijk, opzettelijk aanwezig heeft gehad 285,4 gram cocaïne, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5. De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6. De strafoplegging

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 305 dagen, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 120 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering, en een taakstraf van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest bepleit en gesteld dat een aanvullende taakstraf niet noodzakelijk en passend is.

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Ernst van de feiten

De verdachte heeft zich, samen met zijn medeverdachte, schuldig gemaakt aan cocaïnehandel vanuit hun woning. De verdachte is hier ongeveer een half jaar lang bij betrokken. De verdachte heeft daarmee een bijdrage geleverd aan de verspreiding van schadelijke drugs in de samenleving. Het is algemeen bekend hoezeer cocaïne verslavend is en dat (regelmatig) gebruik daarvan schadelijke gevolgen heeft voor gebruikers op lichamelijk, psychisch en sociaal vlak. Naast gevaar voor de volksgezondheid levert cocaïnehandel ook risico’s op voor de maatschappelijke veiligheid. Handel in verdovende middelen veroorzaakt vaak overlast op straat en gaat ook vaak samen met andere vormen van (gewelddadige) criminaliteit. De verdachte heeft al deze gevolgen voor de samenleving naast zich neergelegd. De rechtbank rekent dat de verdachte aan.

Gelet op het dossier heeft de verdachte een kleinere rol gehad bij de cocaïnehandel dan zijn medeverdachte, hetgeen de rechtbank in straf verminderende zin meeneemt.

Strafblad

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 10 maart 2026.

Daaruit blijkt dat de verdachte meer dan 10 jaar geleden is geleden veroordeeld voor een misdrijf dat verband houdt met verdovende middelen. De rechtbank heeft dit in de strafmaat van deze zaak niet in het voor- of nadeel van de verdachte meegewogen.

Persoon van de verdachte

De rechtbank heeft kennisgenomen van de reclasseringsadviezen over de verdachte van 6 november 2025 en van 5 februari 2026, waaruit volgt dat sprake is van een laag recidiverisico. Volgens de reclassering heeft de verdachte zijn leven nagenoeg op orde, op een sociaal vangnet en huisvesting na. De reclassering vindt het van belang dat de verdachte begeleiding krijgt om zijn vaardigheden en netwerk te vergroten. De reclassering adviseert bij veroordeling van de verdachte hem op te leggen:

een meldplicht bij de reclassering;

een gedragsinterventie cognitieve vaardigheden;

een verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang,

een contactverbod met de medeverdachte; en

een zinvolle dagbesteding.

Uit een voortgangsverslag van de reclassering van 15 mei 2026 over de verdachte blijkt dat de verdachte zich sinds zijn schorsing uit de voorlopige hechtenis van 9 maart 2026 heeft gehouden aan alle schorsingsvoorwaarden. Ook heeft hij (i) huisvesting gevonden bij [instelling] (en wordt hij daarbij begeleid), (ii) een fulltime baan, (iii) zich onttrokken aan negatieve sociale contacten en is er geen sprake van middelengebruik.

Strafoplegging

Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt.

De rechtbank acht, alles afwegende en gelet op de LOVS-oriëntatiepunten, een gevangenisstraf voor de duur van 245 dagen passend en geboden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 60 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. De rechtbank zal daaraan de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden verbinden.

De rechtbank acht een voorwaardelijk strafdeel passend, enerzijds om de ernst van de gepleegde feiten tot uitdrukking te brengen en anderzijds om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken en te bewerkstelligen dat een oplossing wordt gevonden voor de problematiek van de verdachte en zo de kans op recidive terug te dringen.

De rechtbank acht, alles afwegende, daarnaast ook een taakstraf van 40 uur passend en geboden, te vervangen door 20 dagen hechtenis.

Voorlopige hechtenis

Gelet op de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf, waarvan het onvoorwaardelijk gedeelte gelijk is aan het voorarrest, zal de rechtbank de voorlopige hechtenis opheffen.

7. De toepasselijke wetsartikelen

8. De beslissing

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen:

- 9, 14 a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht; en

- 2 en 10 van de Opiumwet, en de daarbij behorende lijst I.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.6 bewezen is verklaard;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 2:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;

verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 245 (tweehonderdvijfenveertig) DAGEN;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 60 (zestig) DAGEN, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich gedurende de proeftijd meldt bij de Reclassering Nederland aan [adres 2] op door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zolang deze de reclassering dat noodzakelijk acht;

- gedurende de proeftijd deelneemt aan de gedragsinterventie CoVa van de reclassering of aan een andere gedragstraining die gericht is op cognitieve vaardigheden, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de training nodig vindt. De veroordeelde houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer;

- gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, verblijft bij [instelling] of een soortgelijke instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Betrokkene houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt;

- gedurende de proeftijd geen contact legt of laat leggen – direct of indirect – met [medeverdachte] , geboren op [geboortedatum 2] 1988, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

- zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;

geeft opdracht aan Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarde(n) en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen.

veroordeelt de verdachte voorts tot:

een taakstraf voor de tijd van 40 (veertig) UREN;

beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van 20 (twintig) DAGEN;

de voorlopige hechtenis

heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Dit vonnis is gewezen door

mr. A.W. Duijnstee, voorzitter,

mr. E.C. Kole, rechter,

mr. N. Hengeveld, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. J.J. Koster, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 2 juni 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. A.W. Duijnstee
  • mr. E.C. Kole
  • mr. N. Hengeveld

Griffier

  • mr. J.J. Koster

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand