RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie,
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.28474
(gemachtigde: mr. W.R.S. Ramhit),
en
(gemachtigde: mr. W. Vrooman).
Procesverloop
Bij besluit van 20 mei 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 1 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen Z. Hamidi. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Bewaringsgronden
1. Eiser stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1991.
Onrechtmatigheid van de maatregel (a-grond)
2. Eiser stelt dat de maatregel van begin af aan onrechtmatig is, omdat de grondslag van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw niet van toepassing is. Hiertoe voert eiser aan dat de bewaring niet noodzakelijk is met het oog op de vaststelling van de identiteit of nationaliteit omdat zijn identiteitsgegevens reeds bekend zijn. Ook heeft eiser ter zitting bevestigd dat hij van Algerijnse nationaliteit is.
3. De rechtbank volgt dit niet. De identiteit en nationaliteit van eiser staan nog niet met zekerheid vast. Daarbij is van belang dat eiser in Zwitserland andere persoonsgegevens heeft opgegeven dan in Nederland en dat hij geen documenten ter onderbouwing van zijn gestelde identiteit of nationaliteit heeft overgelegd. Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank niet in waarom de a-grond niet aan de maatregel ten grondslag kon worden gelegd nu eisers identiteit en nationaliteit niet vaststaan. De beroepsgrond slaagt niet.
4. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op de vaststelling van de identiteit of nationaliteit van eiser en met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
5. Eiser heeft alle zware en lichte gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd, betwist. Eiser stelt ten aanzien van de zware grond onder 3a dat hij vanuit Zweden is overgedragen aan Nederland, waardoor hem geen onrechtmatige wijze van binnenkomen kan worden tegengeworpen. Ten aanzien van de zware grond onder 3b stelt eiser dat hij na overdracht aan Nederland direct in bewaring is gesteld, zodat hij zich niet aan het toezicht heeft onttrokken. Ten aanzien van de zware grond onder 3c stelt eiser dat hij de meeromvattende beschikking, inclusief het terugkeerbesluit, nooit heeft ontvangen en dus niet wist van de verplichtingen die hieruit volgden. En ten aanzien van de zware grond onder 3d stelt eiser dat hij meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit, en dat hij de informatie heeft verstrekt waar hij in redelijkheid over kon beschikken.
6. De minister heeft ter zitting de zware grond onder 3i laten vallen.
7. De rechtbank oordeelt dat de minister de zware gronden onder 3a, 3b, 3c en 3d aan de maatregel van bewaring ten grondslag mocht leggen. Eiser is niet op voorgeschreven wijze Nederland binnengekomen. Hij is namelijk eerder zonder documenten Nederland binnengekomen, wat door eiser niet is bestreden, en daarbij is de overdracht vanuit Zweden naar Nederland in het kader van de Dublinverordening niet aan te merken als een voorgeschreven wijze van binnenkomen. Eiser heeft zich tijdens zijn vorige asielprocedure op 30 november 2025 onttrokken aan het toezicht door met onbekende bestemming te vertrekken, zich niet te melden bij de korpschef en op 11 oktober 2025 niet te verschijnen op zijn aanmeldgehoor. Verder is de meeromvattende beschikking van 8 december 2025, inhoudende het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag en een terugkeerbesluit met een vertrektermijn van 0 dagen, aan de toenmalige gemachtigde van eiser gezonden en ter inzage gelegd in het AZC [plaats] . Dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken en hierdoor geen kennis heeft genomen van het besluit, komt voor zijn risico. Tot slot heeft eiser geen identificerende documenten kunnen overleggen, maakt hij gebruik van een alias en heeft hij geen aantoonbare activiteiten ondernomen om aan identificerende documenten te komen. Deze gronden zijn feitelijk juist en voldoende gemotiveerd.
8. De zware gronden onder 3a, 3b, 3c en 3d zijn voldoende om de maatregel te kunnen dragen, omdat uit deze gronden voldoende blijkt dat sprake is van een risico op onttrekking. De rechtbank laat de overige door eiser betwiste gronden om die reden verder onbesproken. De beroepsgrond slaagt niet.
Onrechtmatigheid van de maatregel (b-grond)
9. Eiser stelt dat de maatregel van begin af aan onrechtmatig is, omdat de grondslag van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw niet van toepassing is. Hiertoe voert eiser aan hij zich beschikbaar houdt en dat hij meewerkt. Hij heeft medische hulp nodig waardoor geen risico bestaat dat hij zich aan het toezicht zal onttrekken.
10. De rechtbank volgt eisers betoog niet. In rechtsoverweging 7 heeft de rechtbank geoordeeld dat de minister de zware gronden onder 3a, 3b, 3c en 3d aan de maatregel van bewaring ten grondslag mocht leggen en dat hieruit volgt dat een risico op onttrekking aan het toezicht bestaat. De minister heeft de b-grond dus terecht ten grondslag aan de maatregel van bewaring gelegd. De beroepsgrond slaagt niet.
Lichter middel
11. Eiser stelt dat de minister had moeten volstaan met het opleggen van een lichter middel dan de maatregel van bewaring. Hiertoe voert eiser aan dat hij metalen platen in zijn been heeft die binnen twee maanden verwijderd moeten worden. Hierdoor heeft eiser een groot belang bij zijn verblijf in Nederland en is de maatregel van bewaring een onevenredig zwaar middel.
12. De rechtbank oordeelt dat de minister voldoende heeft gemotiveerd waarom niet kan worden volstaan met het opleggen van een lichter middel. Uit de gronden van de maatregel en de motivering daarvan blijkt al dat er een risico op onttrekking aan het toezicht bestaat. Eiser heeft de stelling dat de platen in zijn been de detentie en de uitzetting in de weg staan niet onderbouwd met (medische) documenten. Eiser heeft eiser evenmin aannemelijk gemaakt dat de platen op korte termijn uit zijn been moeten worden verwijderd. Verder is eiser eerder met onbekende bestemming vertrokken, is hij niet verschenen op zijn aanmeldgehoor tijdens zijn vorige asielprocedure en werkt hij niet mee aan terugkeer naar Algerije. Overigens heeft de minister terecht gewezen op de beschikbare medische zorg op het detentiecentrum waar eiser terecht kan voor eventuele klachten over zijn been. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
13. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe zij gehouden is, is de
rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het
onderzoek niet op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
14. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Bruins, rechter, in aanwezigheid van S.N. Lekatompessij, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
05 juni 2026
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.