RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie,
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.28395
(gemachtigde: mr. R.M. Seth Paul),
en
(gemachtigde: mr. J.S.W. Boorsma).
Procesverloop
De minister heeft op 5 december 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Bij besluit van 20 mei 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister de maatregel van bewaring met ten hoogste twaalf maanden verlengd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Partijen hebben ingestemd met schriftelijke behandeling van het beroep. Eiser heeft op 27 mei 2026 de gronden van beroep ingediend. De minister heeft op 29 mei 2026 een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het onderzoek gesloten op 1 juni 2026.
Overwegingen
1. Eiser stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 2000.
Verlengingsbesluit te vroeg genomen?
2. Eiser stelt zich op het standpunt dat het bestreden besluit te vroeg is genomen en daarmee onrechtmatig is. De termijn van zes maanden voor het nemen van een verlengingsbesluit verliep 180 dagen na 5 december 2025, dus op 3 juni 2026, zodat het besluit van 20 mei 2026 te vroeg is genomen.
3. De rechtbank overweegt als volgt. Aan eiser is op 5 december 2025 de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid en onder a, van de Vw opgelegd waardoor de termijn van zes maanden op die datum begon te lopen en verstrijkt op 2 juni 2026. De minister mocht de maatregel van bewaring ten hoogste twee weken voor het verstrijken van de termijn van zes maanden verlengen. In eisers geval is dat dus vanaf 19 mei 2026. Gelet op de omstandigheid dat het verlengingsbesluit dateert van 20 mei 2026 is de rechtbank dan ook van oordeel dat de minister niet onjuist heeft gehandeld en dat geen sprake is van een te vroeg genomen verlengingsbesluit. Voorts merkt de rechtbank nog op dat niet in geschil is dat aan de materiële voorwaarden voor verlenging van de maatregel is voldaan. De beroepsgrond slaagt niet.
Gronden
4. In het verlengingsbesluit staat dat eiser op 5 december 2025 in bewaring is gesteld omdat een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en/of omdat eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Vervolgens staat in het verlengingsbesluit dat de volgende gronden voor bewaring uit artikel 5.1b van het Vreemdelingenbesluit ten grondslag liggen aan het besluit tot verlenging van de bewaringstermijn:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het
toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3i. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer of aan zijn verplichting tot vertrek naar de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;
en:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
5. De rechtbank stelt vast dat de gronden niet zijn betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden feitelijk juist en voor zover nodig voldoende gemotiveerd zijn. Uit deze gronden vloeit voort dat nog steeds een risico op onttrekking aan de uitzetting bestaat, zodat deze gronden het verlengingsbesluit in voldoende mate kunnen dragen.
Beginsel van non-refoulement
6. Eiser stelt dat de minister in het verlengingsbesluit kenbaar had moeten overwegen waarom zijn verklaringen over zijn vrouw en kind niet in strijd zijn met het beginsel van non-refoulement. In het verlengingsbesluit ontbreekt volgens eiser een kenbare overweging op dit punt met een expliciete verwijzing naar het arrest Adrar van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 4 september 2025, dan wel naar het beginsel van non-refoulement.
7. De rechtbank overweegt als volgt. Uit het Adrar-arrest en de uitspraak van de Afdeling van 12 februari 2026 vloeit – kort gezegd – voort dat geen zicht op uitzetting bestaat als bij deze uitzetting een inbreuk wordt gemaakt op het bepaalde in artikel 8 van het EVRM of op het beginsel van non-refoulement. Uit het dossier volgt dat deze rechtbank in een eerder vervolgberoep van eiser heeft geoordeeld dat hij wisselende verklaringen heeft afgelegd over zijn gezin en heeft aangegeven in Algerije geen gevaar te lopen. Nadien zijn op 23 maart 2026, 23 april 2026, 8 mei 2026, 19 mei 2026 en 20 mei 2026 vertrekgesprekken met eiser gevoerd. Tijdens het gesprek op 19 mei 2026 is ook het voornemen kenbaar gemaakt om de maatregel te verlengen. De rechtbank is van oordeel dat de minister heeft mogen concluderen dat eiser in geen van deze gesprekken op deze punten nieuwe feiten of omstandigheden naar voren heeft gebracht.
8. In beroep heeft eiser evenmin nieuwe feiten of omstandigheden naar voren gebracht. Gelet op het vorenstaande kon de minister bij het nemen van het verlengingsbesluit uitgaan van wat eiser bij eerdere gelegenheden hierover heeft verklaard en heeft de minister mogen volstaan met de motivering in het verlengingsbesluit dat niet is gebleken dat vanwege het beginsel van non-refoulement, zoals genoemd in artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn, dan wel vanwege de andere daarin genoemde belangen moet worden afgezien van de uitzetting van eiser. De beroepsgrond slaagt niet.
Voortvarend handelen
9. Eiser stelt dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting. Hiertoe voert eiser aan dat de Algerijnse autoriteiten op 13 mei 2026 hebben toegezegd een laissez-passer (lp) ten behoeve van eiser af te geven. Dan hoort de minister een uittreksel van eisers justitiële documentatie op te vragen en door de sturen naar de Algerijnse autoriteiten. Hetgeen de minister niet heeft gedaan. Ook is nog geen vluchtaanvraag voor eiser gedaan.
10. De rechtbank oordeelt als volgt. Uit het dossier blijkt dat de Algerijnse autoriteiten op 16 mei 2026 een lp voor eiser hebben toegezegd. Op 21 mei 2026 zijn een vlucht en eisers justitiële documentatie aangevraagd. Er staat inmiddels ook een vlucht gepland voor eiser op 10 juni 2026. Op grond hiervan ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
11. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe zij gehouden is, is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek niet op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
12. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Bruins, rechter, in aanwezigheid van S.N. Lekatompessij, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
05 juni 2026
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.