ECLI:NL:RBDHA:2026:15085

ECLI:NL:RBDHA:2026:15085

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 05-06-2026
Datum publicatie 05-06-2026
Zaaknummer NL26.28636
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Bewaring – schriftelijke behandeling – kennisgeving – beroep ongegrond – arrest Aroja – plaatsing DC – voortvarendheid – ambtshalve toets.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

de minister van Asiel en Migratie,

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.28636

(gemachtigde: mr. H. Loth),

en

(gemachtigde: mr. J.S.W. Boorsma).

Procesverloop

Bij besluit van 23 april 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.

De minister heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw van de bewaring in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

Partijen hebben ingestemd met schriftelijke behandeling van het beroep. Eiser heeft op 28 mei 2026 de gronden van het beroep ingediend. De minister heeft op 29 mei 2026 een verweerschrift ingezonden.

De rechtbank heeft het onderzoek gesloten op 1 juni 2026.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 2004.

Arrest Aroja

2. Eiser voert aan dat onduidelijk is of het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 5 maart 2026 (Aroja) relevant is in deze zaak. De minister dient hierover duidelijkheid te verschaffen volgens eiser.

3. De rechtbank overweegt als volgt. In het arrest Aroja heeft het Hof – kort samengevat – geoordeeld dat, indien een vreemdeling langer dan zes maanden ter uitvoering van éénzelfde terugkeerbesluit in vreemdelingenbewaring heeft gezeten, deze maatregel slechts rechtmatig kan voortduren als de minister een verlengingsbesluit heeft genomen. Ten aanzien van eiser is op 8 april 2025 een terugkeerbesluit genomen. Uit het verweerschrift van de minister volgt dat eiser eerder op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw in bewaring heeft gezeten van 28 augustus 2025 tot en met 11 september 2025, dus totaal 15 dagen. Op dit moment zit eiser ook op deze grondslag in bewaring sinds 23 april 2026. Op de dag van sluiting van het onderzoek in deze beroepsprocedure duurt de huidige maatregel 41 dagen. De perioden van eventuele maatregelen van bewaring op andere grondslagen worden niet meegerekend, omdat deze perioden niet zien op de uitvoering van een terugkeerbesluit. Eiser heeft dus op het moment van sluiting van het onderzoek in deze beroepsprocedure in totaal 56 dagen in bewaring gezeten ter uitvoering van het terugkeerbesluit van 8 april 2025. De rechtbank is daarom van oordeel dat het zesmaandencriterium uit het arrest Aroja op dit moment niet van toepassing is in deze zaak. De beroepsgrond slaagt niet.

Bewaringsgronden

4. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:

3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;

en als lichte gronden vermeld dat eiser:

4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

5. De rechtbank stelt ambtshalve vast dat grond 3e in de maatregel niet is gemotiveerd. De rechtbank is van oordeel dat de overige zware gronden en alle lichte gronden feitelijk juist en voor zover nodig voldoende gemotiveerd zijn. De gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen.

Plaatsing in het detentiecentrum

6. Eiser voert aan dat onduidelijk is of hij binnen 24 uur na de inbewaringstelling is geplaatst in het detentiecentrum [plaats] . Indien de minister onvoldoende duidelijkheid verschaft inzake het bovenstaande, acht eiser het opleggen dan wel het voortduren van de maatregel onrechtmatig.

7. De rechtbank overweegt dat uit het dossier blijkt dat eiser ten tijde van het opleggen van onderhavige maatregel reeds in bewaring zat op een andere wettelijke grondslag. Eiser bevond zich op dat moment al in het detentiecentrum. Daarom is bij onderhavige maatregel geen sprake van overschrijding van de termijn waarbinnen eiser diende te worden overgeplaatst naar een detentiecentrum. De beroepsgrond slaagt niet.

Voortvarend handelen

8. Eiser stelt dat uit de uitzettingshandelingen na de inbewaringstelling niet blijkt dat de minister voldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting.

9. De rechtbank oordeelt als volgt. Eiser is op 23 april 2026 in bewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Op 23 april 2026 stond een vertrekgesprek met eiser gepland, maar hij is daarbij niet verschenen. Op 4 mei 2026 is wel een vertrekgesprek met eiser gevoerd. Daarbij liep al een aanvraag voor een laissez-passer sinds 2 september 2025. Deze handelingen zijn volgens de rechtbank voldoende voor het oordeel dat de minister niet onvoldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. De beroepsgrond slaagt niet.

Ambtshalve toetsing

10. De rechtbank stelt ambtshalve vast dat eiser niet is gehoord voorafgaand aan de oplegging van de maatregel. Uit het verslag van het vertrekgesprek van 23 april 2026 blijkt dat eiser daarvoor is opgeroepen en dat de minister hem daarbij in de gelegenheid wilde stellen om omstandigheden naar voren te brengen naar aanleiding waarvan de bewaringsmaatregel niet langer zou kunnen voortduren. Eiser wilde echter niet met de Dienst Terugkeer en Vertrek spreken en is niet verschenen. Eiser is ook niet verplicht om op een gesprek te verschijnen. Hieruit leidt de rechtbank af dat de minister zich voldoende heeft ingespannen om eiser voorafgaand aan het opleggen van deze maatregel te horen en op goede gronden heeft mogen aannemen dat er geen nieuwe feiten en omstandigheden zijn sinds het gehoor voorafgaand aan de eerdere inbewaringstelling op 16 april 2026 naar aanleiding waarvan de bewaringsmaatregel niet langer zou kunnen voortduren. De minister heeft eiser daarom naar het oordeel van de rechtbank in bewaring mogen stellen zonder hem daaraan voorafgaand te horen.

11. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe zij overigens gehouden is, is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek niet op enig moment onrechtmatig was.

Conclusie

12. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Bruins, rechter, in aanwezigheid van S.N. Lekatompessij, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

05 juni 2026

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. P. Bruins

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand