RECHTBANK DEN HAAG
de minister van Asiel en Migratie, de minister.
uitspraak
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.14427 en NL26.14429
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser 1] , V-nummer: [V-nummer]
[eiser 2] , V-nummer: [V-nummer] , eisers (gemachtigde: mr. J. Hemelaar),
en
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het beroepen die eisers hebben ingediend, omdat de minister volgens hun niet op tijd heeft beslist op hun aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (hierna: aanvraag).
Overwegingen
Zijn de beroepen van eisers ontvankelijk en gegrond?
1. De rechtbank vindt een zitting niet nodig en heeft partijen gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.1
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd op een aanvraag beslist, dan kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene schriftelijk aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog moet worden beslist op zijn aanvraag (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na twee weken nog steeds geen besluit is genomen, dan kan de betrokkene beroep instellen.2
3. De minister moet uiterlijk binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag beslissen.3 Indien de minister onderzoekt of de aanvraag niet in behandeling dient te worden
1. Artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2 Artikel 6:2, onder b, en 6:12, tweede lid, van de Awb.
3 Artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Aanvankelijk heeft de minister de beslistermijn onder toepassing van WBV 2025/4 met negen maanden verlengd. De minister heeft deze WBV echter weer ingetrokken (IB 2025/28). Als gevolg hiervan geldt voor alle asielaanvragen die zijn ingediend vanaf 1 januari 2025 weer een beslistermijn van zes maanden.
genomen4, vangt deze termijn aan op het tijdstip waarop overeenkomstig de Dublinverordening wordt vastgesteld dat Nederland verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek.5
4. Eisers hebben op 16 juli 2025 hun asielaanvragen in Nederland ingediend. Naar aanleiding van deze aanvragen heeft de minister op 16 oktober 2025 aan de Franse autoriteiten verzocht om eisers over te nemen.6 Deze verzoeken zijn geaccepteerd op
17 december 2025. Nederland had vanaf 18 december 2025 zes maanden de tijd om eisers over te dragen. De minister heeft op 12 maart 2026 de verzoeken bij de Franse autoriteiten ingetrokken. Hierdoor staat de verantwoordelijkheid van Nederland vast op 12 maart 2026 en ging de termijn van zes maanden om op de asielverzoeken te beslissen lopen.
5. In de zaken van eisers betekent dit dat de minister uiterlijk op 12 september 2026 dient te beslissen op de aanvragen. Aangezien deze beslistermijnen nog niet zijn verstreken, hebben eisers hun beroepen te vroeg ingesteld. De beroepen zijn daarmee kennelijk niet-ontvankelijk.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart de beroepen niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van
M.H.G.P. Tober, griffier.
4 Artikel 30 van de Vw.
5 Artikel 42, zesde lid, van de Vw.
6 Artikel 18, eerste lid en onder b van de Dublinverordening.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
29 mei 2026
Documentcode: [Documentcode]
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een hogerberoepschrift. U moet dit hogerberoepschrift indienen binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.