RECHTBANK DEN HAAG
Afwijzing machtiging tot het verlenen van verplichte zorg
[betrokkene] ,
Team Jeugd- en Zorgrecht
Zaak-/rekestnr.: C/09/697198 / FA RK 26-107
Datum beschikking: 15 januari 2026
Beschikking naar aanleiding van het door de officier van justitie ingediende verzoek tot het verlenen van een zorgmachtiging als bedoeld in artikel 7:11 van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz), ten aanzien van:
hierna te noemen: betrokkene,
geboren op [geboortedatum] 1985 te [geboorteplaats] , [geboorteland] ,
wonende te [woonplaats] ,
thans verblijvende in de accommodatie [accomodatie] te [plaats] ,
advocaat: mr. M.P. Friperson te Den Haag.
ProcesverloopBij verzoekschrift, ingekomen ter griffie op 5 januari 2026, heeft de officier van justitie verzocht om een zorgmachtiging.
Bij het verzoekschrift zijn de volgende bijlagen gevoegd:
- een op 2 januari 2026 ondertekende medische verklaring van [naam 1] , psychiater, die betrokkene heeft onderzocht maar niet bij de behandeling betrokken was;
- een blanco zorgkaart;
- een zorgplan van 23 december 2025;
- de bevindingen van de geneesheer-directeur van 5 januari 2026;
- een uittreksel uit de justitiële documentatie;
- een afschrift van de politiemutaties.
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 15 januari 2026. Daarbij zijn gehoord:
- betrokkene, bijgestaan door haar advocaat;
- de tolk Tsjechisch;
- de arts-assistent, mevrouw [naam 2] ;
- de vriend van betrokkene, [naam 3] .
Omdat door de officier van justitie een nadere toelichting op of motivering van het verzoek niet nodig werd geacht en het de rechtbank ter zitting is gebleken dat diens aanwezigheid ook niet noodzakelijk was om tot een inhoudelijke beslissing te kunnen komen, is de officier van justitie niet gehoord.
Standpunten ter zitting
Betrokkene heeft verklaard dat het goed met haar gaat. Zij gebruikt medicatie in verband met epilepsie en neemt deze ook in. Betrokkene wenst terug te keren naar huis.
De advocaat heeft aangevoerd dat betrokkene tijdelijk bij haar partner kan verblijven. De advocaat verzoekt primair om afwijzing van het verzoek. Betrokkene is het oneens met de medische verklaring. De gestelde diagnose is onjuist, er is in opgenomen dat betrokkene een verstandelijke beperking heeft. De onafhankelijke psychiater heeft de problematiek hieraan gerelateerd en heeft vermeld dat sprake is geweest van een kortdurende episode die inmiddels is verbeterd. Een eerdere machtiging zou samenhangen met het gebruik van verdovende middelen. Volgens de advocaat ontbreekt voldoende causaal verband tussen de stoornis en het gestelde ernstig nadeel. Betrokkene verzet zich tegen opname, maar heeft verklaard mee te zullen werken indien dit noodzakelijk wordt geacht. De advocaat stelt dat de zorgmachtiging feitelijk wordt ingezet vanwege het ontbreken van een vaste woonplek, terwijl betrokkene wel over woonmogelijkheden beschikt en het uitsluitend gaat om het ontbreken van een vast adres. Subsidiair verzoekt de advocaat, indien de zorgmachtiging toch wordt toegewezen, de verplichte vorm van zorg opname in een accommodatie af te wijzen. Meer subsidiair verzoekt de advocaat, indien opname noodzakelijk wordt geacht, deze te beperken tot een zeer korte duur van één week, uitsluitend ter overbrugging in verband met de gerezen onduidelijkheid over het woonadres.
De arts-assistent heeft verklaard begrip te hebben voor de wens van betrokkene om naar huis terug te keren en ondersteunt deze wens. Tijdens de opname is geobserveerd dat de toestand van betrokkene verbetert wanneer zij haar medicatie inneemt, hetgeen voorafgaand aan de opname niet altijd het geval was. Momenteel is betrokkene goed ingesteld op de medicatie en houdt zij zich aan de vrijheden. Er bestaat echter nog onduidelijkheid over de invulling van de nazorg, mede vanwege een woonprobleem. Betrokkene had een vaste woonplek bij De Binnenvest, maar het is mogelijk dat zij deze inmiddels is kwijtgeraakt. Betrokkene kan met ontslag, zodra de nazorg is geregeld. De zorgmachtiging is bedoeld om te waarborgen dat betrokkene in beeld blijft bij de zorgverlening. De kliniek waar betrokkene momenteel verblijft, richt zich op cliënten met een licht verstandelijke beperking en daarmee samenhangende maatschappelijke problematiek. Het ernstig nadeel vloeit mede voort uit verslavingsproblematiek.
Beoordeling
De rechtbank sluit zich aan bij het standpunt van de advocaat. De medische verklaring is onvoldoende duidelijk welk causaal verband bestaat tussen de gestelde psychische stoornis en het ernstig nadeel. Anti-psychotica is niet voorgeschreven en uit de medische verklaring blijkt niet dat er sprake is van een verslavingsstoornis in de zin van de jurisprudentie hieromtrent. Daarnaast acht de rechtbank de invulling van de nazorg onvoldoende inzichtelijk, waarbij met name de woonsituatie van betrokkene onvoldoende is uitgewerkt. Dit had ter zitting duidelijk kunnen zijn, onder meer door contact op te nemen met De Binnenvest. Dan was duidelijk geweest of betrokkene terugkeerde naar De Binnenvest, dan wel (tijdelijk) onderdak bij haar partner als verblijfplaats voor de nazorg zou hebben. De rechtbank weegt daarbij mee dat betrokkene kan terugvallen op haar partner, ter zitting aanwezig, als achterwacht, die dit heeft bevestigd. Hoewel dit leidt tot afwijzing van het verzoek, acht de rechtbank het wel van belang dat betrokkene heeft toegezegd bereid is zijn ambulante nazorg te aanvaarden.
Beslissing
De rechtbank:
wijst het verzoek af.