ECLI:NL:RBDHA:2026:15108

ECLI:NL:RBDHA:2026:15108

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 05-06-2026
Datum publicatie 05-06-2026
Zaaknummer 09/109750-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Onderzoek Kilo24. De verdachte wordt veroordeeld voor het samen met anderen aanwezig hebben in een loods van zeker honderden kilo’s cocaïne en voor het vervolgens vervoeren van een deel daarvan. De rechtbank legt een gevangenisstraf op van 54 maanden.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer: 09/109750-25

Datum uitspraak: 5 juni 2026

Tegenspraak

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1993 te [geboorteplaats] ,

BRP-adres: [adres] ,

op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats] .

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 22 mei 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie mrs. E.J. van Drongelen en L.E. van der Leeuw (hierna tezamen aan te duiden als: de officier van justitie) en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. A.D. Kloosterman naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 29 augustus 2024 en/of 30 augustus 2024 te Oud Gastel, gemeente

Halderberge, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft vervoerd en/of aanwezig heeft gehad,

(ongeveer) 1.400 kilogram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

3. De bewijsbeslissing

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde met dien verstande dat de verdachte samen met anderen 1067 kilo cocaïne opzettelijk aanwezig heeft gehad op 29 en 30 augustus 2024 en 162 kilo cocaïne vervoerd heeft op 30 augustus 2024.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak van het ten laste gelegde bepleit. Subsidiair heeft de raadsman partiële vrijspraak bepleit ten aanzien van de ten laste gelegde hoeveelheden cocaïne.

Gebruikte bewijsmiddelen

De rechtbank heeft in de bijlage opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.

Bewijsoverwegingen

Was het cocaïne?

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat dat de container in de loods te Oud Gastel cocaïne bevatte. Daartoe is aangevoerd dat de verklaring van de getuige [getuige 1] niet voor het bewijs gebruikt kan worden aangezien deze getuige een belastende verklaring heeft afgelegd en de verdediging deze getuige niet heeft kunnen ondervragen. De indicatieve testen kunnen niet voor het bewijs gebruikt worden, omdat er onvoldoende ondersteunend bewijs aanwezig is.

De rechtbank volgt de raadsman niet in zijn standpunt en overweegt daartoe als volgt.

De verdediging heeft de getuige [getuige 1] –​​ ondanks het nodige initiatief daartoe – niet kunnen ondervragen. In gevallen waarin de rechter voor het bewijs gebruik wil maken van een door een getuige afgelegde verklaring, terwijl de verdediging niet een behoorlijke en effectieve mogelijkheid heeft gehad om ten aanzien van die getuige het ondervragingsrecht uit te oefenen, moet de rechter nagaan of het proces als geheel eerlijk is verlopen. Hierbij zijn – met het oog op de beoordeling of de procedure in haar geheel voldoet aan het door artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) gewaarborgde recht op een eerlijk proces – van belang (i) de reden dat het ondervragingsrecht niet kan worden uitgeoefend met betrekking tot een getuige van wie de verklaring voor het bewijs wordt gebruikt, (ii) het gewicht van de verklaring van de getuige, binnen het geheel van de resultaten van het strafvorderlijke onderzoek, voor de bewezenverklaring van het feit, en (iii) het bestaan van compenserende factoren, waaronder ook procedurele waarborgen, die compensatie bieden voor het ontbreken van een ondervragingsgelegenheid.

Voor de beoordeling of wordt voldaan aan de eisen van een eerlijk proces, is het gewicht van de verklaring van de betreffende getuige in de bewijsconstructie een belangrijke beoordelingsfactor. Dat doet er echter niet aan af dat ook de aanwezigheid van een goede reden voor het niet kunnen ondervragen van de getuige en het bestaan van compenserende factoren in die beoordeling moeten worden betrokken, waarbij al deze beoordelingsfactoren in onderling verband moeten worden beschouwd. Naarmate het gewicht van de verklaring van de getuige groter is, is het – wil de verklaring voor het bewijs kunnen worden gebruikt – des te meer van belang dat een goede reden bestaat voor het niet bieden van een ondervragingsgelegenheid en dat compenserende factoren bestaan (vgl. HR 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:576, rechtsoverwegingen 2.12.2 en 2.12.3, en HR 12 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1418, rechtsoverweging 2.4.2).

In verband met de hiervoor als (ii) genoemde beoordelingsfactor is het volgende van belang. Voor de beantwoording van de daaraan verbonden vraag of de bewezenverklaring in beslissende mate steunt op de verklaring van een niet door de verdediging ondervraagde getuige, is van belang in hoeverre die verklaring steun vindt in andere bewijsmiddelen. De andere bewijsmiddelen moeten betrekking hebben op die onderdelen van de hem belastende verklaring die de verdachte betwist. Of dat bewijs aanwezig is, wordt mede bepaald door het gewicht van de verklaring van deze getuige in het licht van de bewijsvoering als geheelDe rechtbank komt tot het oordeel dat de procedure als geheel eerlijk is verlopen en overweegt in dat verband het volgende.

De getuige [getuige 1] is op 5 december 2025 veroordeeld door de rechtbank te Antwerpen tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaar. Op dit moment ondergaat [getuige 1] deze straf in België. [getuige 1] is in het kader van deze strafzaak sinds 20 oktober 2024 gedetineerd in België. Blijkens twee processen-verbaal van de rechter-commissaris (d.d. 27 november 2025 en 20 maart 2026) is tot tweemaal toe getracht om een getuigenverhoor van [getuige 1] te organiseren, waarbij de verdediging in de gelegenheid zou zijn geweest de getuige te ondervragen. Dit is bij beide pogingen niet gelukt omdat de getuige niet bereid was om een verklaring af te leggen. Naar Belgisch recht is het voor de (Belgische) onderzoeksrechter niet mogelijk om een getuige te verplichten tot het afleggen van een verklaring. De reden voor het niet-horen van de getuige en daarmee voor het uitblijven van een ondervraging van deze getuige door de verdediging is aldus gelegen in de beperkingen van het wettelijke stelsel in België en niet in enig gebrek aan inspanning van de zijde van de Nederlandse autoriteiten. Derhalve is de rechtbank van oordeel dat sprake is geweest van een goede reden voor het niet-horen van de getuige.

De getuigenverklaring van [getuige 1] wordt door de verdediging betwist voor zover deze getuige heeft verklaard dat in de container in de loods te Oud Gastel cocaïne aanwezig was. Meerdere andere bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd, ondersteunen de verklaring van [getuige 1] op dit punt.

Allereerst blijkt uit de beschrijving van de camerabeelden het volgende. Een container, afkomstig van een vrachtwagen, wordt in de loods afgeleverd, waarna in de grofweg 36 uren daarna constant voertuigen af- en aanrijden om uit de loods afkomstige gevulde bigshoppers op te halen. In de loods worden twee camera’s afgeplakt, staan nagenoeg voortdurend mensen op de uitkijk en wordt in aanwezigheid van de verdachte een slijpmachine gemonteerd. De politie treft na haar instap in de loods op 30 augustus 2024 een leeggehaalde container aan, alsmede opengeslepen metalen bakken.

Daarnaast zijn in de telefoon van de verdachte op 29 augustus 2024 gemaakte foto’s aangetroffen. Uit de beschrijving van deze foto’s, zoals opgenomen in het derde bewijsmiddel, blijkt dat vele zwarte gesealde blokken zijn opgestapeld in de keuken van de loods te Oud Gastel. Het is de rechtbank ambtshalve bekend dat cocaïne op deze wijze verpakt wordt. Aan een van deze foto’s (afbeelding 7) zijn bovendien coördinaten gekoppeld die nagenoeg overeenkomen met die van de loods te Oud Gastel.

Uit het vierde bewijsmiddel blijkt voorts dat een observatieteam van de politie op 30 augustus 2024 de loods tussen 17:30 uur en 22:15 uur heeft geobserveerd en daarbij heeft gezien dat meerdere van de groene bigshoppers, die in de af- en aanrijdende voertuigen werden geladen, gevuld waren met witte voorwerpen.

Ten slotte duiden ook de indicatieve testen van de ijzeren bakken gevonden in de loods erop dat de stof die zich in de container bevond cocaïne betrof (zoals gerelateerd in het proces-verbaal PL2600-2024022967-3). Het bewijs dat sprake is geweest van cocaïne kan niet uitsluitend gebaseerd worden op een indicatieve test. Een dergelijke test kan wel voor het bewijs gebezigd worden wanneer het dossier voldoende bijkomende omstandigheden bevat dat de stof uit de container daadwerkelijk cocaïne betrof. Anders dan de verdediging is de rechtbank gelet op het voorgaande van oordeel dat het dossier voldoende van dergelijke omstandigheden bevat.

Al met al ondersteunt het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, de verklaring van [getuige 1] , voor zover die ziet op de identificatie van de stof uit de container als cocaïne. Aldus berust het bewijs hiervoor wel in beduidende, maar niet in beslissende mate op de verklaring van [getuige 1] .

Nu de verklaring van de getuige van beduidend gewicht is in de bewijsconstructie, ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of er voldoende compenserende factoren zijn voor het ontbreken van een ondervragingsmogelijkheid.

Tijdens het onderzoek ter terechtzitting heeft de verdediging de betrouwbaarheid van de verklaring van de getuige niet ter discussie gesteld. Nu een ondervragingsmogelijkheid van [getuige 1] door de verdediging evenwel is uitgebleven zal de rechtbank de betrouwbaarheid van de getuige ambtshalve beoordelen.

Wat betreft de betrouwbaarheid van [getuige 1] overweegt de rechtbank het volgende. De getuige is tweemaal uitvoerig ondervraagd door de Belgische politie en heeft daarbij telkens consistent, gedetailleerd en uitgebreid verklaard. Daarnaast vindt de verklaring van [getuige 1] ook in het algemeen steun in de rest van het dossier. In het bijzonder hetgeen op de camerabeelden te zien is komt in hoge mate overeen met hoe [getuige 1] de gehele gang van zaken in en rondom de loods heeft beschreven in zijn getuigenverklaring. Na zorgvuldige lezing van beide door de getuige afgelegde verklaringen ziet de rechtbank ook voor het overige geen contra-indicaties voor de betrouwbaarheid van de getuigenverklaring(en) van [getuige 1] . Derhalve acht de rechtbank de verklaring van [getuige 1] betrouwbaar en dus bruikbaar voor het bewijs.

Nu de getuigenverklaring van [getuige 1] niet van beslissende betekenis is voor de bewijsconstructie is de rechtbank van oordeel dat de verdediging met bovenstaande compenserende maatregelen voldoende compensatie is geboden voor het ontbreken van een ondervragingsmogelijkheid van de getuige.

Concluderend is de rechtbank van oordeel dat zowel de getuigenverklaring van [getuige 1] , als de indicatieve testen gebruikt kunnen worden voor het bewijs en bewezen is dat de container cocaïne bevatte.

Hoeveelheden

De raadsman heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat niet bewezen is dat de verdachte de in het requisitoir genoemde hoeveelheden cocaïne (te weten: 1067 kilo voorhanden hebben en 162 kilo vervoeren) daadwerkelijk voorhanden heeft gehad, dan wel vervoerd heeft. De schatting van de politie (zoals gerelateerd in het proces-verbaal met nummer 1192) is volgens de raadsman onvoldoende accuraat voor een bewezenverklaring, waardoor hooguit bewezen zou kunnen worden verklaard dat de verdachte een hoeveelheid cocaïne aanwezig heeft gehad en vervoerd heeft.

De rechtbank is van oordeel dat voornoemde schatting van de politie te wankel is om de daarin opgenomen conclusies ten aanzien van de hoeveelheden cocaïne één op één over te nemen. Desondanks blijkt uit deze schatting, alsmede uit andere bewijsmiddelen zoals de verklaring van [getuige 1] en de (beschrijving van) de camerabeelden, naar het oordeel van de rechtbank wel dat zowel ten aanzien van het aanwezig hebben als ten aanzien van het vervoeren van cocaïne sprake is geweest van een grote hoeveelheid (dat wil zeggen: meer dan 20 kilogram). Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

Aan de binnenzijde van de metalen kisten die in de loods zijn aangetroffen zijn tapes aangetroffen met daarop weergegeven getallen, variërend in grootte van 70 tot 119, gevolgd door de letters ‘k’ of ‘kg’. Nu niet alle bakken dergelijke stickers bevatten is de schatting die de politie op basis hiervan gemaakt heeft te onzeker om als uitgangspunt te dienen voor een bewezenverklaring van het aanwezig hebben van een specifieke hoeveelheid cocaïne.

Desalniettemin maken de aangetroffen tapes duidelijk dat het hier om een hoeveelheid cocaïne ging die vele malen zwaarder was dan 20 kilogram. Dit vindt onder meer bevestiging in de foto’s aangetroffen in de telefoon van de verdachte, alsook in de verklaring van [getuige 1] en de camerabeelden. Daarnaast is de schatting van de politie niet zo speculatief dat deze geen indruk meer zou kunnen geven van de hoeveelheden cocaïne. Ten aanzien van het vervoeren van cocaïne door de verdachte is op de camerabeelden te zien dat de verdachte wegrijdt in een met zes bigshoppers gevuld voertuig. Gelet op de schatting van de politie van de totale hoeveelheid cocaïne (tussen de 1076 en 1166 kilo) en de totale hoeveelheid weggevoerde tassen (49) staat het naar het oordeel van de rechtbank vast dat de zes door [verdachte] vervoerde bigshoppers tezamen gevuld waren met een grote (dat wil zeggen: meer dan 20 kilogram) hoeveelheid cocaïne.

Medeplegen

Ten aanzien van het aanwezig hebben van een grote hoeveelheid cocaïne komt de rechtbank wel tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde medeplegen. Uit (de beschrijving van) de camerabeelden blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat er een nauwe en bewuste samenwerking heeft plaatsgevonden tussen de verdachte, zijn medeverdachten en overige op de beelden zichtbare personen die in en om de loods aanwezig waren.

Getuige [getuige 2]

De rechtbank heeft geconstateerd dat de toegewezen getuige [getuige 2] niet is gehoord; er is geen gelegenheid geweest voor de door de verdediging te stellen vragen. Er heeft contact plaatsgevonden tussen de rechter-commissaris en de autoriteiten in Marokko, maar dat heeft niet tot een inhoudelijk verhoor van de getuige geleid. De verdediging en de officier van justitie hebben zich op het standpunt gesteld dat de zaak niet hoeft te worden aangehouden teneinde deze getuige alsnog te horen. De rechtbank is – alle belangen, waaronder een voortvarende berechting, in aanmerking genomen – overeenkomstig het standpunt van de verdediging en de officier van justitie van oordeel dat vonnis kan worden gewezen. De rechtbank acht zich daartoe voldoende voorgelicht.

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:

1a

hij op 29 augustus 2024 en 30 augustus 2024 te Oud Gastel, gemeente Halderberge, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad geval een grote hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

1b

hij op 30 augustus 2024 te Oud Gastel, gemeente Halderberge, heeft vervoerd een grote hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5. De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6. De strafoplegging

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaar en zes maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht en een geldboete van € 100.000,-, subsidiair 365 dagen hechtenis. Voorts heeft de officier van justitie opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte gevorderd.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat een gevangenisstraf van 30 maanden op zijn plaats is.

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.

De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

De ernst van de feiten

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het samen met anderen aanwezig hebben van zeker honderden kilo’s cocaïne en aan het vervoeren van tientallen kilo’s cocaïne. Het ging om een in België gestolen (“geripte”) lading, die in de haven van Antwerpen was ingevoerd en naar een loods in Oud Gastel is gebracht. Blijkbaar in opdracht heeft de verdachte daar samen met anderen de cocaïne uit de container gehaald en heeft hij vervolgens een deel daarvan weggebracht. Deze hoeveelheid cocaïne vertegenwoordigt een grote straatwaarde waardoor deze drugs bestemd moeten zijn geweest voor de handel en verdere verspreiding. De handel in cocaïne heeft ernstige gevolgen voor de samenleving. Het is een feit van algemene bekendheid dat het gebruik van cocaïne schadelijk is voor de volksgezondheid. Bovendien leidt het gebruik van en de handel in cocaïne direct en indirect tot vele vormen van criminaliteit en veroorzaakt daarmee veel overlast voor de samenleving. De verdachte heeft door zijn handelen hieraan bijgedragen. Het dossier bevat aanwijzingen dat de diefstal van de cocaïne tot gewelddadige repercussies van de bestolene(n) heeft geleid. Kennelijk heeft de verdachte alleen oog gehad voor zijn eigen financiële gewin, zonder stil te staan bij de nadelige consequenties van zijn gedrag voor anderen.

Strafblad

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 3 april 2026, waaruit blijkt dat de verdachte in 2025 is veroordeeld voor vuurwapenbezit. Het onvoorwaardelijke deel van de bij het vonnis van 30 januari 2025 opgelegde gevangenisstraf (vijftien maanden) zit de verdachte momenteel uit.

De op te leggen straf

De rechtbank houdt bij de strafmaat rekening met de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting. Voor het aanwezig hebben van meer dan 20 kilo harddrugs geldt als oriëntatiepunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van meer dan 36 maanden. Voor het vervoeren van meer dan 20 kilo harddrugs geldt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van meer dan 50 maanden. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 54 maanden passend en geboden is. De duur van het voorarrest zal hiervan worden afgetrokken.

Anders dan door de officier van justitie is geëist, ziet de rechtbank geen aanleiding om een (afroom)geldboete aan de verdachte op te leggen, nu niet duidelijk is wat de baten voor de verdachte zijn geweest.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.

Voorlopige hechtenis

Het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte is op 12 september 2025 geschorst met ingang van het moment van de aanvang van de tenuitvoerlegging van de aan de verdachte eerder opgelegde vrijheidsstraf, tot het moment dat de tenuitvoerlegging daarvan afloopt. De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd de schorsing van het bevel tot voorlopige hechtenis op te heffen. De rechtbank ziet geen aanleiding deze schorsing op te heffen, nu de tenuitvoerlegging van het bevel voorlopige hechtenis in deze zaak wordt voortgezet op het moment dat de verdachte de eerder opgelegde vrijheidsstraf heeft uitgezeten.

7. De inbeslaggenomen voorwerpen

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat het op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen (beslaglijst) onder 1 genoemde voorwerp zal worden verbeurdverklaard.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank

Nu de rechtbank niet kan vaststellen dat met behulp van het inbeslaggenomen voorwerp het feit is gepleegd en het belang van strafvordering zich daartegen niet meer verzet, zal de rechtbank de teruggave aan de verdachte gelasten van het onder 1 op de beslaglijst genoemde voorwerp.

8. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

- 47, 55 en 63 van het Wetboek van Strafrecht;

- 2 en 10 van de Opiumwet, en de daarbij behorende lijst I.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9. De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:

eendaadse samenloop van

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;

en

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod;

verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 54 (VIERENVIJFTIG) MAANDEN;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

de vordering tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis;

wijst de vordering tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis af;

het inbeslaggenomen goed;

gelast de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp aan de verdachte [verdachte] , te weten:

1. STK Telefoontoestel (842789).

Dit vonnis is gewezen door

mr. H.P.M. Meskers, voorzitter,

mr. S. Pereth, rechter,

mr. Y.H.M. de Groot, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. N.T.G. Levelt en V. Grampon, griffiers,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 5 juni 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. H.P.M. Meskers
  • mr. S. Pereth
  • mr. Y.H.M. de Groot

Griffier

  • mr. N.T.G. Levelt en V. Grampon

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand