[eiser] , uit [woonplaats] (Duitsland), eiser
en
de minister van Algemene Zaken, verweerder
(gemachtigde: mr. B.N. van der Roest).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet-ontvankelijk verklaren van zijn bezwaar.
Verweerder heeft het verzoek van eiser om openbaarmaking op grond van de Wet open overheid (Woo) met het besluit van 6 februari 2025 niet in behandeling genomen. Met het bestreden besluit van 18 maart 2025 op het bezwaar van eiser, heeft verweerder besloten het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 24 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
Het verzoek
2. Eiser heeft op 22 januari 2025 een verzoek om openbaarmaking op grond van de Woo ingediend. Eiser heeft daarbij verzocht om openbaarmaking van – kort gezegd – alle bij verweerder vanaf 1 januari 2012 aanwezige informatie die verband houdt met overmakingen in euro aan begunstigden die natuurlijke personen zijn met een betaalrekening binnen de Europese Unie en waarbij de minister van Algemene Zaken als betaler ageert.
Het bestreden besluit
3. Verweerder heeft het verzoek niet in behandeling genomen, omdat eiser volgens verweerder een ander doel heeft dan het verkrijgen van publieke informatie. Verweerder heeft het bezwaar tegen de buitenbehandelingstelling vervolgens kennelijk niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 4:2, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) – bedoeld is artikel 6:5 van de Awb, omdat eiser weigert zijn NAW-gegevens aan te vullen.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en heeft daarvoor – kort gezegd – de volgende argumenten. De verwerking van analoge adresgegevens is in dit geval in strijd met nationale en internationale wetgeving, onder meer omdat hiervoor geen objectieve rechtvaardiging bestaat. Ook weegt het belang om deze gegevens te verkrijgen niet op tegen het belang van openbaarheid en heeft verweerder onterecht andere soortgelijke verzoeken en zonder de aanlevering van NAW-gegevens wel inhoudelijk beoordeeld, waardoor sprake is van willekeur en dus strijd met het gelijkheidsbeginsel. Verder kon verweerder aan eiser geen misbruik van recht tegenwerpen en mocht verweerder zijn verzoek dus niet buiten behandeling stellen. Volgens eiser is juist sprake van misbruik van recht aan de kant van verweerder doordat verweerder het Woo-verzoek bewust – onrechtmatig – buiten behandeling stelt met een besluit, waarmee de beslistermijn voor het verzoek wordt gepoogd te omzeilen.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank beoordeelt of verweerder het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk mocht verklaren. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. De rechtbank geeft eiser geen gelijk. Hieronder legt de rechtbank dat uit.
6. Niet in geschil is dat eiser zijn NAW-gegevens (zowel bij de aanvraag als in de bezwaarprocedure) niet heeft gegeven.
7. In art. 6:5, lid 1, aanhef en onderdelen a tot en met d, van de Awb zijn de formele vereisten opgesomd waaraan een bezwaar- of beroepschrift moet voldoen. Zo moet het zijn ondertekend en moet het ten minste de NAW-gegevens van de indiener, een dagtekening, een omschrijving van het aangevallen besluit en de gronden van het bezwaar of beroep bevatten. Op grond van artikel 6:6 van de Awb kan het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard indien niet is voldaan aan artikel 6:5 van de Awb of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het beroep, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.
8. Hoewel artikel 6:6 van de Awb een discretionaire bevoegdheid bevat, gaat deze bepaling over vormverzuimen en het bieden van een gelegenheid om deze te herstellen. Bij de uitoefening van deze discretionaire bevoegdheid kan in het kader van artikel 3:4, tweede lid van de Awb alleen een belangenafweging plaatsvinden van enerzijds het belang van een goed verloop van de procedure en anderzijds bijzondere omstandigheden aan de zijde van de indiener in relatie tot het verzuim. Daaronder vallen echter geen belangen die verband houden met de inhoud van de zaak.. De rechtbank stelt vast dat verweerder deze belangenafweging in het bestreden besluit niet heeft gemaakt. Dit levert een gebrek in de motivering op. De rechtbank passeert dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb, nu verweerder deze belangenafweging ter zitting alsnog heeft gegeven en aannemelijk is dat eiser hierdoor niet is benadeeld. Door verweerder is gesteld dat het belangrijk is dat het betreffende besluit daadwerkelijk bij eiser terecht komt en er daarom ook – los van het e-mailadres – een (correspondentie)adres nodig is. Ook heeft verweerder gesteld dat eiser geen individueel op de persoon toegespitste belangen heeft aangedragen die maken dat de verstrekking van het adres niet van eiser kan of mag worden verlangd. Eiser betwist in algemene zin dat adresgegevens nodig zijn en stelt hoofdzakelijk dat de verificatie van zijn persoon al heeft plaatsgevonden door het verstrekken van zijn naam, handtekening en e-mailadres. Eiser heeft verder aangevoerd dat hij bij eerdere aanvragen ook niet zijn NAW-gegevens heeft verstrekt en verweerder toch overgegaan is tot inhoudelijke besluitvorming.
De rechtbank overweegt als volgt. Nu in artikel 6:5 van de Awb het verstrekken van de NAW-gegevens als formeel vereiste is opgenomen, volgt hieruit al de noodzaak van het verstrekken van de NAW-gegevens. Anders dan eiser stelt, is het vragen van deze gegevens noodzakelijk voor het vaststellen van de identiteitsgegevens. Dit volgt ook uit jurisprudentie van de hoogste bestuursrechter. Eisers standpunt dat een e-mailadres voldoende is, volgt de rechtbank niet. De hoogste bestuursrechter heeft geoordeeld dat onder het begrip ‘adres’ niet een e-mailadres kan worden begrepen. Dat verweerder in eerdere zaken zonder de verstrekking van de NAW-gegevens wel is overgegaan tot een inhoudelijke beoordeling maakt niet dat verweerder in deze zaak niet om NAW-gegevens mocht vragen. Aan eisers stelling dat verweerder aan eiser geen misbruik van recht mocht tegenwerpen en zijn verzoek niet buiten behandeling mocht stellen komt de rechtbank niet toe, nu slechts het bestreden besluit ter toetsing ligt en daarbij niet is gekozen voor een buitenbehandelingstelling. De beroepsgronden van eiser slagen dus niet. De rechtbank ziet verder geen aanknopingspunten voor het oordeel dat verweerder, bij de gebruikmaking van zijn bevoegdheid om het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren, misbruik zou hebben gemaakt van deze bevoegdheid.
Conclusie en gevolgen
Beslissing
9. De rechtbank komt tot de conclusie dat verweerder het bezwaar niet-ontvankelijk mocht verklaren. Daarmee is het beroep ongegrond.
10. De rechtbank bepaalt dat, gelet op hetgeen onder rechtsoverweging 8 is overwogen, verweerder aan eiser het griffierecht moet vergoeden. Eiser krijgt van verweerder ook een vergoeding van zijn proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van artikel 1, aanhef en onder d, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) vast op € 80,-.
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.A. Timmer, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Robio, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.