[verzoeker] , verzoeker
(gemachtigde mr. W.H. Jebbink),
tegen
de burgemeester van Den Haag, verweerder
(gemachtigde: mr. S. El Boustati).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige
voorziening van verzoeker tegen het besluit van verweerder over de door verzoeker aangekondigde demonstratie.
Verzoeker heeft op 17 december 2025 een kennisgeving gedaan van een demonstratie op 3 januari 2026, tussen 09:01 uur en 10:30 uur. Verzoeker wil met vier deelnemers een betoging houden op de stoep voor de ambassade van Egypte aan de Badhuisweg te Den Haag. De betoging is gericht tegen het regime van Egypte. Hierbij wil verzoeker gebruik maken van muziek en vlaggen.
Met het (primaire) bestreden besluit van 31 december 2025 heeft verweerder
verzoeker meegedeeld dat de demonstratie op de gewenste dag en tijd mag plaatsvinden. Er wordt een beperking verbonden aan deze demonstratie, in die zin dat de demonstratie schuin tegenover de Egyptische ambassade moet plaatsvinden. De aangewezen locatie bevindt zich op de hoek van de Badhuisweg en de Nieuwe Duinweg te Den Haag.
Verzoeker heeft op dezelfde dag bezwaar gemaakt tegen het bestreden besluit en de
voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Verweerder heeft de gedingstukken en een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben gebruik gemaakt van de gelegenheid om een nadere reactie in te dienen. De voorzieningenrechter heeft besloten om zonder zitting uitspraak te doen. Aan partijen is meegedeeld is dat het dictum naar verwachting op 2 januari 2026 om 17:00 uur bekend zal worden gemaakt.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Achtergrond
Aan verzoeker is, in verband met gedragingen bij ambassades, waaronder die van Egypte, bij besluit van 3 oktober 2025 een gebiedsverbod van drie maanden opgelegd, eindigend op 3 januari 2026 om 09.00 uur. Dit geldt voor een aangewezen gebied waarbinnen zich meerdere ambassades, waaronder die van Egypte, bevinden. Aan dit gebiedsverbod ligt een bestuurlijke rapportage van de politie van 3 oktober 2025 ten grondslag. Daarin is vermeld dat verzoeker in de periode van 21 juli 2025 tot en met 3 oktober 2025 betrokken is geweest bij nader omschreven gedragingen (tijdens demonstraties) bij verschillende ambassades. Verzoeker heeft geen rechtsmiddelen aangewend tegen het besluit tot het opleggen van het gebiedsverbod en dit besluit staat dan ook in rechte vast. Het gebiedsverbod is nadien door verweerder niet verlengd.
Waar gaat deze zaak over?
Naar aanleiding van de kennisgeving heeft de politie meerdere malen contact gehad met verzoeker. Verzoeker is meegedeeld dat de demonstratie mag plaatsvinden, waar hij zich aan moet houden tijdens de demonstratie en dat de demonstratie moet plaatsvinden op een andere dan de gewenste locatie.
Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat de eerdere gedragingen van verzoeker bij de ambassade (van Egypte) hebben geleid tot acute verstoringen en risico’s voor de veiligheid van medewerkers en bezoekers van de ambassade. Verzoeker heeft onder meer de toegangspoort van deze ambassade vergrendeld met een slot, waardoor het functioneren van de diplomatieke post ernstig werd belemmerd. Verzoeker heeft zich schuldig gemaakt aan bekladding van de ambassade en ook aan mishandeling van een persoon bij de ambassade. Verzoeker heeft herhaaldelijk niet voldaan aan vorderingen van de politie en de politie heeft meerdere keren moeten optreden om wanordelijkheden te voorkomen. Daarom was aan verzoeker een gebiedsverbod opgelegd (zie hierboven onder overweging 2.1). Volgens verweerder zijn de ervaringen met eerdere demonstraties van verzoeker ronduit slecht: er was een sfeer van confrontatie en provocatie. De politie heeft aangegeven dat er een reëel en acuut risico op herhaling of escalatie bestaat. Verweerder vreest dan ook voor wanordelijkheden bij een nieuwe demonstratie direct voor de ingang van de ambassade. De ruimte op het betreffende trottoir is beperkt, waardoor onvoldoende werkruimte voor de politie overblijft om effectief op te kunnen treden in het geval van wanordelijkheden (of andere calamiteiten). De gewenste locatie bij de ingang is daarom ongeschikt voor deze demonstratie. De demonstratie mag plaatsvinden, met de beperking dat deze schuin tegenover de Egyptische ambassade moet plaatsvinden. De aangewezen locatie is ruim binnen zicht- en gehoorafstand van deze ambassade. Verzoeker kan ruimschoots aandacht vragen voor zijn gevoelens en gedachten tegenover de Egyptische ambassade.
Wat is het oordeel van de voorzieningenrechter?
Het recht op betoging is neergelegd in artikel 11, eerste lid, van het Verdrag tot
bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 9, eerste lid, van de Grondwet (Gw).
Uit artikel 11, tweede lid, van het EVRM, volgt dat de uitoefening van deze rechten aan geen andere beperkingen mag worden onderworpen dan die, die bij de wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, voor de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. Dit artikel verbiedt niet dat rechtmatige beperkingen worden gesteld aan de uitoefening van deze rechten door leden van de krijgsmacht, van de politie of van het ambtelijk apparaat van de Staat.
Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de Grondwet (Gw) wordt het recht tot vergadering en betoging erkend, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet. Ingevolge het tweede lid kan de wet regels stellen ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden. De Wom strekt onder meer tot het stellen van regels als bedoeld in artikel 9, tweede lid, van de Gw.
Ingevolge artikel 2 van de Wom kunnen de bij of krachtens de bepalingen uit paragraaf II aan overheidsorganen gegeven bevoegdheden tot beperking van het recht tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging en het recht tot vergadering en betoging, slechts worden aangewend ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.
In het Demonstratiebeleid van verweerder is vermeld dat voor het doelcriterium ‘ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden’ geldt dat de inhoud hiervan tot op zekere hoogte wordt beïnvloed door de context. Zo merkt de regering bijvoorbeeld op, dat de vraag of een samenstel van (verwachte) ongewenste gedragingen zo ernstig is dat van wanordelijkheden kan worden gesproken, niet alleen afhangt van de aard van die gedragingen, maar ook van de locatie van de manifestatie. De regering gaf voorts aan dat van een redelijke verwachting, dat een manifestatie gepaard zal gaan met wanordelijkheden, kan worden gesproken indien deze verwachting objectief is en berust op ervaringsregels. Bij een beoordeling van een kennisgeving voor een demonstratie zal dus nadrukkelijk worden gekeken naar:
- de situatie van de beoogde demonstratielocatie;
- de ervaringen met de organisator, en;
- de sfeer waarmee de demonstratie omgeven is.
4. De voorzieningenrechter overweegt dat voor zover verzoeker heeft gewezen op artikel 9 van de Wom – waarin bepalingen zijn neergelegd over onder meer een betoging in de nabijheid van een gebouw in gebruik bij een diplomatieke vertegenwoordiging – geldt dat genoemd artikel valt onder “artikel I, paragraaf IV. Bijzondere bepalingen”. Dit artikel heeft, gelet op de Memorie van Toelichting bij de Wom, een aanvullend karakter en laat onverlet de bevoegdheid die krachtens de paragraaf II en III van de wet aan verweerder toekomt. Verweerder heeft toepassing gegeven aan artikel 5 van de Wom, dat valt onder paragraaf II, waarin zijn bevoegdheid is neergelegd om, voorafgaand aan de betoging, een beperking te stellen. Het betoog van verzoeker over artikel 9 van de Wom en dat verweerder pas een aanwijzing kan geven tijdens de demonstratie en niet daaraan voorafgaand, kan hier niet aan afdoen. Dat is hier niet aan de orde nu het hier gaat om een beperking en niet om een aanwijzing.
5. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder in redelijkheid de beperking heeft mogen stellen aan het recht tot betoging van verzoeker ter voorkoming en bestrijding van wanordelijkheden op de wijze zoals in het bestreden besluit is gebeurd. Hiertoe wordt overwogen dat verweerder zich, gelet op de bestuurlijke rapportage die ten grondslag is gelegd aan het in rechte vaststaande gebiedsverbod, op het standpunt heeft mogen stellen dat het gedrag van verzoeker bij enkele eerdere betogingen op de door hem beoogde locatie bij de Egyptische ambassade heeft geleid tot wanordelijkheden. Daarbij heeft verweerder tevens betrokken dat de politie op 10 november 2025, ten tijde van het gebiedsverbod, een melding heeft ontvangen van de Egyptische ambassade over uitlatingen van verzoeker op X, die door de ambassade als een bedreiging werden ervaren. Bedoelde uitlatingen zijn door de politie geïnterpreteerd als een verwijzing naar het eerdere incident waarbij een persoon voor de ambassade is mishandeld. Deze melding wordt, gelet op de eerdere incidenten bij de ambassade, serieus genomen. Verweerder heeft dit mogen meewegen. Gelet op het voorgaande is de inschatting van verweerder, dat moet worden gevreesd voor wanordelijkheden bij een nieuwe demonstratie direct voor de ingang van de ambassade, redelijk te achten. Verweerder heeft zich dan ook op het standpunt mogen stellen dat de opgelegde beperking noodzakelijk is ter voorkoming van wanordelijkheden.
6. De voorzieningenrechter overweegt dat de demonstratie mag plaatsvinden. Dit is ook niet in geschil. Het recht op betoging wordt door de opgelegde beperking naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet onevenredig beperkt. Niet gezegd kan worden dat de beperking het recht op betogen illusoir maakt. Evenmin vormt de beperking een beletsel op het houden van een demonstratie als zodanig, of op demonstraties door verzoeker in het algemeen. Verweerder heeft er hierbij terecht op gewezen dat de aangewezen locatie zich ruim binnen zicht- en gehoorafstand van de ambassade bevindt en dat verzoeker zijn mening publiekelijk kenbaar kan maken.
7. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van A.J. van Rossum, griffier. De beslissing is doorgegeven aan partijen op 2 januari 2026 en in het openbaar uitgesproken op 21 januari 2026.
griffier voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: