ECLI:NL:RBDHA:2026:15116

ECLI:NL:RBDHA:2026:15116

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 05-06-2026
Datum publicatie 05-06-2026
Zaaknummer 09/108286-25 en 09/227467-23 (tul)
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Onderzoek Kilo24. De verdachte wordt veroordeeld voor het samen met anderen aanwezig hebben in een loods van zeker honderden kilo’s cocaïne en voor het vervolgens samen met een ander vervoeren van een deel daarvan. Mede gelet op de proceshouding van de verdachte, die op hoofdlijnen over het tenlastegelegde heeft verklaard, legt de rechtbank een gevangenisstraf op van 48 maanden.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummers: 09/108286-25 en 09/227467-23 (tul)

Datum uitspraak: 5 juni 2026

Tegenspraak

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1997 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),

BRP-adres: [adres] ,

op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats] .

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 22 mei 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie mrs. E.J. van Drongelen en L.E. van der Leeuw (hierna tezamen aan te duiden als: de officier van justitie) en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. M. van Stratum naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 29 augustus 2024 en/of 30 augustus 2024 te Oud Gastel, gemeente

Halderberge, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft vervoerd en/of aanwezig heeft gehad,

(ongeveer) 1.400 kilogram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

3. De bewijsbeslissing

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde met dien verstande dat de verdachte samen met anderen 1067 kilo cocaïne opzettelijk aanwezig heeft gehad op 29 en 30 augustus 2024 en samen met een ander 69 kilo vervoerd heeft op 30 augustus 2024.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft partiële vrijspraak bepleit ten aanzien van de ten laste gelegde hoeveelheden cocaïne.

Gebruikte bewijsmiddelen

De rechtbank heeft in de bijlage opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.

Bewijsoverwegingen

Niet-verhoorde toegewezen getuige [getuige 1]

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de getuigenverklaring van [getuige 1] niet voor het bewijs gebruikt kan worden, omdat hij een belastende verklaring heeft afgelegd en de verdediging deze getuige niet heeft kunnen ondervragen. De rechtbank volgt de verdediging daarin niet en overweegt daartoe als volgt.

In gevallen waarin de rechter voor het bewijs gebruik wil maken van een door een getuige afgelegde verklaring, terwijl de verdediging – ondanks het nodige initiatief – niet een behoorlijke en effectieve mogelijkheid heeft gehad om ten aanzien van die getuige het ondervragingsrecht uit te oefenen, moet de rechter nagaan of het proces als geheel eerlijk is verlopen. Hierbij zijn – met het oog op de beoordeling of de procedure in haar geheel voldoet aan het door artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) gewaarborgde recht op een eerlijk proces – van belang (i) de reden dat het ondervragingsrecht niet kan worden uitgeoefend met betrekking tot een getuige van wie de verklaring voor het bewijs wordt gebruikt, (ii) het gewicht van de verklaring van de getuige, binnen het geheel van de resultaten van het strafvorderlijke onderzoek, voor de bewezenverklaring van het feit, en (iii) het bestaan van compenserende factoren, waaronder ook procedurele waarborgen, die compensatie bieden voor het ontbreken van een ondervragingsgelegenheid.

Voor de beoordeling of wordt voldaan aan de eisen van een eerlijk proces, is het gewicht van de verklaring van de betreffende getuige in de bewijsconstructie een belangrijke beoordelingsfactor. Dat doet er echter niet aan af dat ook de aanwezigheid van een goede reden voor het niet kunnen ondervragen van de getuige en het bestaan van compenserende factoren in die beoordeling moeten worden betrokken, waarbij al deze beoordelingsfactoren in onderling verband moeten worden beschouwd. Naarmate het gewicht van de verklaring van de getuige groter is, is het – wil de verklaring voor het bewijs kunnen worden gebruikt – des te meer van belang dat een goede reden bestaat voor het niet bieden van een ondervragingsgelegenheid en dat compenserende factoren bestaan (vgl. HR 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:576, rechtsoverwegingen 2.12.2 en 2.12.3, en HR 12 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1418, rechtsoverweging 2.4.2).

In verband met de hiervoor als (ii) genoemde beoordelingsfactor is het volgende van belang. Voor de beantwoording van de daaraan verbonden vraag of de bewezenverklaring in beslissende mate steunt op de verklaring van een niet door de verdediging ondervraagde getuige, is van belang in hoeverre die verklaring steun vindt in andere bewijsmiddelen. De andere bewijsmiddelen moeten betrekking hebben op die onderdelen van de hem belastende verklaring die de verdachte betwist. Of dat bewijs aanwezig is, wordt mede bepaald door het gewicht van de verklaring van deze getuige in het licht van de bewijsvoering als geheel.

De getuige [getuige 1] is op 5 december 2025 veroordeeld door de rechtbank te Antwerpen tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaar. Op dit moment ondergaat [getuige 1] deze straf in België. [getuige 1] is in het kader van deze strafzaak sinds 20 oktober 2024 gedetineerd in België. Blijkens twee processen-verbaal van de rechter-commissaris (d.d. 27 november 2025 en 20 maart 2026) is tot tweemaal toe getracht om een getuigenverhoor van [getuige 1] te organiseren, waarbij de verdediging in de gelegenheid zou zijn geweest de getuige te ondervragen. Dit is bij beide pogingen niet gelukt omdat de getuige niet bereid was om een verklaring af te leggen. Naar Belgisch recht is het voor de (Belgische) onderzoeksrechter niet mogelijk om een getuige te verplichten tot het afleggen van een verklaring. De reden voor het niet-horen van de getuige en daarmee voor het uitblijven van een ondervraging van deze getuige door de verdediging is aldus gelegen in de beperkingen van het wettelijke stelsel in België en niet in enig gebrek aan inspanning van de zijde van de Nederlandse autoriteiten. Derhalve is de rechtbank van oordeel dat sprake is geweest van een goede reden voor het niet-horen van de getuige.

De verklaring van [getuige 1] vindt naar het oordeel van de rechtbank in het algemeen steun in de rest van het dossier. In het bijzonder hetgeen op de camerabeelden te zien is komt overeen met hoe [getuige 1] de gehele gang van zaken in en rondom de loods heeft beschreven in zijn getuigenverklaring. De verklaring van [getuige 1] , voor zover die ziet op de identificatie van de in de container aanwezige stof als cocaïne, vindt daarenboven voldoende steun in andere bewijsmiddelen onder meer in hetgeen is aangetroffen in de telefoon van de medeverdachte [medeverdachte 1] , de bevindingen van het observatieteam van de politie buiten de loods, en de indicatieve testen van de ijzeren geprepareerde bakken in de loods, die leeg waren en zijn opengeslepen (zoals gerelateerd in het proces-verbaal PL2600-2024022967-3).

De verklaring van [getuige 1] vindt aldus dusdanig veel steun in de rest van het dossier dat de bewijsconstructie in het algemeen wel in beduidende, maar niet in beslissende mate steunt op de verklaring van [getuige 1] .

Nu de verklaring van de getuige van beduidend gewicht is in de bewijsconstructie, ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of er voldoende compenserende factoren zijn voor het ontbreken van een ondervragingsmogelijkheid.

Tijdens het onderzoek ter terechtzitting heeft de verdediging de betrouwbaarheid van de verklaring van de getuige niet ter discussie gesteld. Nu een ondervragingsmogelijkheid van [getuige 1] door de verdediging evenwel is uitgebleven zal de rechtbank de betrouwbaarheid van de getuige ambtshalve beoordelen.

Wat betreft de betrouwbaarheid van [getuige 1] overweegt de rechtbank het volgende. De getuige is tweemaal uitvoerig ondervraagd door de Belgische politie en heeft daarbij telkens consistent, gedetailleerd en uitgebreid verklaard. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen vindt de getuigenverklaring van [getuige 1] steun in de rest van het dossier. Na zorgvuldige lezing van beide door de getuige afgelegde verklaringen ziet de rechtbank ook voor het overige geen contra-indicaties voor de betrouwbaarheid van de getuigenverklaring(en) van [getuige 1] . Derhalve acht de rechtbank de verklaring van [getuige 1] betrouwbaar en dus bruikbaar voor het bewijs.

Nu de getuigenverklaring van [getuige 1] niet van beslissende betekenis is voor de bewijsconstructie is de rechtbank van oordeel dat de verdediging met bovenstaande compenserende maatregelen voldoende compensatie is geboden voor het ontbreken van een ondervragingsmogelijkheid van de getuige.

Concluderend is de rechtbank van oordeel dat de getuigenverklaring van [getuige 1] gebruikt kan worden voor het bewijs.

Hoeveelheden

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat niet bewezen is dat de verdachte de in het requisitoir genoemde hoeveelheden cocaïne (te weten: 1067 kilo voorhanden hebben en 69 kilo vervoeren) daadwerkelijk voorhanden heeft gehad, dan wel vervoerd heeft. De schatting van de politie (zoals gerelateerd in het proces-verbaal met nummer 1192) zou onvoldoende accuraat zijn voor een bewezenverklaring, waardoor hooguit bewezen zou kunnen worden verklaard dat de verdachte een hoeveelheid cocaïne aanwezig heeft gehad en vervoerd heeft.

De rechtbank is van oordeel dat voornoemde schatting van de politie te wankel is om de daarin opgenomen conclusies ten aanzien van de hoeveelheden cocaïne één op één over te nemen. Desondanks blijkt uit deze schatting, alsmede uit andere bewijsmiddelen zoals de verklaring van [getuige 1] en (de beschrijving van) de camerabeelden, naar het oordeel van de rechtbank wel dat zowel ten aanzien van het aanwezig hebben als ten aanzien van het vervoeren van cocaïne sprake is geweest van een grote hoeveelheid (dat wil zeggen: meer dan 20 kilogram). Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

Aan de binnenzijde van de metalen kisten die in de loods zijn aangetroffen zijn tapes aangetroffen met daarop weergegeven getallen, variërend in grootte van 70 tot 119, gevolgd door de letters ‘k’ of ‘kg’. Nu niet alle bakken dergelijke stickers bevatten is de schatting die de politie op basis hiervan gemaakt heeft te onzeker om als uitgangspunt te dienen voor een bewezenverklaring van het aanwezig hebben van een specifieke hoeveelheid cocaïne.

Desalniettemin maken de aangetroffen tapes duidelijk dat het hier om een hoeveelheid cocaïne ging die vele malen zwaarder was dan 20 kilogram. Dit vindt onder meer bevestiging in de foto’s aangetroffen in de telefoon van de medeverdachte [medeverdachte 1] , alsook in de verklaring van [getuige 1] en de camerabeelden. Daarnaast is de schatting van de politie niet zo speculatief dat deze geen indruk meer zou kunnen geven van de hoeveelheden cocaïne. Ten aanzien van het vervoeren van cocaïne door de verdachte is op de camerabeelden te zien dat de verdachte tezamen met de medeverdachte [medeverdachte 2] wegrijdt in een met vier bigshoppers gevuld voertuig. Gelet op de schatting van de politie van de totale hoeveelheid cocaïne (tussen de 1076 en 1166 kilo) en de totale hoeveelheid weggevoerde tassen (49) staat het naar het oordeel van de rechtbank vast dat de vier door de verdachte vervoerde bigshoppers tezamen gevuld waren met een grote (dat wil zeggen: meer dan 20 kilogram) hoeveelheid cocaïne.

Medeplegen

Uit (de beschrijving van) de camerabeelden blijkt naar het oordeel van de rechtbank duidelijk dat er een nauwe en bewuste samenwerking heeft plaatsgevonden tussen de verdachte, zijn medeverdachten en overige op de beelden zichtbare personen die in en om de loods aanwezig waren ten aanzien van het aanwezig hebben van de in de container aanwezige cocaïne en met de medeverdachte [medeverdachte 2] ten aanzien van het vervoeren van een

grote hoeveelheid cocaïne.

Getuige [getuige 2]

De rechtbank heeft geconstateerd dat de toegewezen getuige [getuige 2] niet is gehoord; er is geen gelegenheid geweest voor de door de verdediging te stellen vragen. Er heeft contact plaatsgevonden tussen de rechter-commissaris en de autoriteiten in Marokko, maar dat heeft niet tot een inhoudelijk verhoor van de getuige geleid. De verdediging en de officier van justitie hebben zich op het standpunt gesteld dat de zaak niet hoeft te worden aangehouden teneinde deze getuige alsnog te horen. De rechtbank is – alle belangen, waaronder een voortvarende berechting, in aanmerking genomen – overeenkomstig het standpunt van de verdediging en de officier van justitie van oordeel dat vonnis kan worden gewezen. De rechtbank acht zich daartoe voldoende voorgelicht.

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:

1a hij op 29 augustus 2024 en 30 augustus 2024 te Oud Gastel, gemeente Halderberge, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad geval een grote hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

1b

hij op 30 augustus 2024 te Oud Gastel, gemeente Halderberge, tezamen en in vereniging met een ander heeft vervoerd een grote hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5. De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6. De strafoplegging

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaar, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht en een geldboete van € 100.000,-, subsidiair 365 dagen hechtenis.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft de rechtbank verzocht om bij de strafmaat rekening te houden met een aantal strafmatigende factoren, te weten het samenhangende feitencomplex, het strafblad, de rol en de proceshouding van de verdachte en dat het een slachtofferloos delict betreft.

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.

De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

De ernst van de feiten

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het samen met anderen aanwezig hebben van zeker honderden kilo’s cocaïne en aan het samen met een ander vervoeren van tientallen kilo’s cocaïne. Het ging om een in België gestolen (“geripte”) lading, die in de haven van Antwerpen was ingevoerd en naar een loods in Oud Gastel is gebracht. Blijkbaar in opdracht heeft de verdachte daar samen met anderen de cocaïne uit de container gehaald en heeft hij vervolgens een deel daarvan samen met een ander weggebracht. Deze hoeveelheid cocaïne vertegenwoordigt een grote straatwaarde waardoor deze drugs bestemd moeten zijn geweest voor de handel en verdere verspreiding. De handel in cocaïne heeft ernstige gevolgen voor de samenleving. Het is een feit van algemene bekendheid dat het gebruik van cocaïne schadelijk is voor de volksgezondheid. Bovendien leidt het gebruik van en de handel in cocaïne direct en indirect tot vele vormen van criminaliteit en veroorzaakt daarmee veel overlast voor de samenleving. De verdachte heeft door zijn handelen hieraan bijgedragen. Het dossier bevat aanwijzingen dat de diefstal van de cocaïne tot gewelddadige repercussies van de bestolene(n) heeft geleid. Kennelijk heeft de verdachte alleen oog gehad voor zijn eigen financiële gewin, zonder stil te staan bij de nadelige consequenties van zijn gedrag voor anderen.

Strafblad

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 4 maart 2026, waaruit blijkt dat de verdachte in de afgelopen vijf jaren niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke feiten.

De op te leggen straf

De rechtbank houdt bij de strafmaat rekening met de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting. Voor het aanwezig hebben van meer dan 20 kilo harddrugs geldt als oriëntatiepunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van meer dan 36 maanden. Voor het vervoeren van meer dan 20 kilo harddrugs geldt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van meer dan 50 maanden. In strafmatigende zin houdt de rechtbank rekening met de proceshouding van de verdachte, die tot op zekere hoogte inzicht in zijn handelen heeft gegeven. Hij heeft in grote lijnen verklaard over zijn aanwezigheid in de loods en over zijn bijdrage aan het uitpakken van de pakketten en aan het vervoer van een deel daarvan.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden passend en geboden is. De duur van het voorarrest zal hiervan worden afgetrokken.

Anders dan door de officier van justitie is geëist, ziet de rechtbank geen aanleiding om een (afroom) geldboete aan de verdachte op te leggen, nu niet duidelijk is wat de baten voor de verdachte zijn geweest.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.

7. De inbeslaggenomen voorwerpen

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen (beslaglijst) onder 1 en 2 genoemde voorwerpen aan de verdachte worden teruggegeven. Het op de beslaglijst onder 3 genoemde voorwerp dient bewaard te worden voor de rechthebbende.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het op de beslaglijst onder 3 genoemde voorwerp terug dient te worden gegeven aan de eigenaar, dat althans de bewaring daarvan dient te worden gelast ten behoeve van de rechthebbende. Over de op de beslaglijst onder 1 en 2 genoemde voorwerpen heeft de verdediging zich niet uitgelaten.

Het oordeel van de rechtbank

Nu het belang van strafvordering zich daartegen niet meer verzet, zal de rechtbank de teruggave aan de verdachte gelasten van de op de beslaglijst onder 1 en 2 genoemde voorwerpen. De rechtbank zal de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelasten van het op de beslaglijst onder 3 genoemde voorwerp, nu thans geen persoon als rechthebbende daarop kan worden aangemerkt.

8. De vordering tot tenuitvoerlegging

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij vordering van 17 februari 2026 gevorderd dat de bij parketnummer 09/227467-23 door de politierechter van de rechtbank Den Haag op 4 december 2023 voorwaardelijke opgelegde straf van een gevangenisstraf voor de duur van 21 dagen, ten uitvoer wordt gelegd wegens niet naleven van de algemene voorwaarden.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft de rechtbank verzocht om de vordering van de officier van justitie af te wijzen dan wel de proeftijd te verlengen.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht termen aanwezig voor toewijzing van de vordering van de officier van justitie van 17 februari 2026 tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf, waartoe verdachte werd veroordeeld bij onherroepelijk geworden vonnis van de politierechter in deze rechtbank d.d. 4 december 2023, nu uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat verdachte de algemene voorwaarde niet heeft nageleefd, doordat deze zich voor het einde van de proeftijd die bij voormeld vonnis was opgelegd, wederom heeft schuldig gemaakt aan strafbare feiten.

9. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

- 47 en 55 van het Wetboek van Strafrecht;

- 2 en 10 van de Opiumwet, en de daarbij behorende lijst I.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

10. De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:

eendaadse samenloop van

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;

en

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod;

verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 48 (ACHTENVEERTIG) MAANDEN;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

de inbeslaggenomen goederen;

gelast de teruggave van de inbeslaggenomen voorwerpen aan de verdachte [verdachte] , te weten:

1. STK Telefoonautomaat (852370);2. 1 STK telefoonautomaat (852373);

gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van het inbeslaggenomen voorwerp, te weten:

3. 1 STK Personenauto (PK-521-Z);

de vordering tenuitvoerlegging

wijst toe de vordering tot tenuitvoerlegging van de bij parketnummer 09/227467-23 door de politierechter van de rechtbank Den Haag op 4 december 2023 opgelegde voorwaardelijke straf voor de duur van 21 dagen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. H.P.M. Meskers, voorzitter,

mr. S. Pereth, rechter,

mr. Y.H.M. de Groot, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. N.T.G. Levelt en V. Grampon, griffiers,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 5 juni 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. H.P.M. Meskers
  • mr. S. Pereth
  • mr. Y.H.M. de Groot

Griffier

  • mr. N.T.G. Levelt en V. Grampon

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand