ECLI:NL:RBDHA:2026:15117

ECLI:NL:RBDHA:2026:15117

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 05-06-2026
Datum publicatie 05-06-2026
Zaaknummer NL26.19255
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Groningen

Samenvatting

Dublin, zienswijze tijdig ingediend, niet meegenomen in besluitvorming, zorgvuldigheidsgebrek, gegrond, rechtsgevolgen blijven in stand.

Uitspraak

[naam], eiser,

V-nummer: [nummer],

(gemachtigde: mr. M.H. van der Linden),

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. J. Veendorp).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.

De rechtbank heeft het beroep op 1 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde hebben zich afgemeld voor de zitting. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.

3. De rechtbank verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank laat de rechtsgevolgen van het besluit in stand. Dat betekent dat de minister geen nieuw besluit behoeft te nemen en dat eiser wel mag worden overgedragen aan Duitsland. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Totstandkoming van het besluit

4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland bij Duitsland op 22 december 2025 een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek op 30 december 2025 aanvaard.

Zienswijze

5. Eiser betoogt dat er namens hem wel degelijk een zienswijze is ingediend, dat deze niet is betrokken bij de besluitvorming en dat deze daarom niet in stand kan blijven. Eiser verwijst hierbij naar de bijgevoegde ontvangstbevestiging van de IND en het bijgevoegde “Overzicht ‘Zienswijze op voornemen’. Uit de stukken blijkt dat deze zienswijze op 19 maart 2026 om 09:12 uur digitaal is ingediend en in het advocatenportaal is geplaatst.

6. De minister stelt zich op het punt dat het niet voldoende aannemelijk is, dat de zienswijze is ingediend. Op de zitting licht de minister toe dat dit niet blijkt uit de overgelegde stukken. Er is een kopie ontvangstbevestiging is ingediend, met dezelfde datum en tijdstip, maar niet is vast te stellen dat dit ziet op de zienswijze. De minister voert aan dat er op 19 maart 2026 om 9:12 uur geen storing was in het advocatenportaal. Nu er geen zienswijze is ingediend kan deze ook niet bij de besluitvorming betrokkenen worden. Van een zorgvuldigheidgebrek is geen sprake. Subsidiair verzoekt de minister, om in het geval de rechtbank van oordeel is dat er wel sprake is van een zorgvuldigheidsgebrek, dit te passeren door toepassing van artikel 6:22 Awb. Eiser is niet in zijn belangen geschaad. De aan het dossier toegevoegde zienswijze geeft geen reden tot twijfel over de juistheid van de beschikking. De gronden uit de zienswijze zijn vrijwel gelijk aan de ingediende beroepsgronden.

7. De rechtbank stelt vast dat er een automatische ontvangstbevestiging ligt van de IND, per email, gedateerd op 19 maart 2026 om 9:12 uur. Daarnaast bevat het dossier een “overzicht ‘Zienswijze op voornemen’, waaruit volgt dat een zienswijze in de zaak op naam van eiser op 19 maart 2026 om 9.12 voor inzending is ondertekend. Die combinatie van stukken maakt naar het oordeel van de rechtbank dat de minister niet kan volstaan met de opmerking dat niet is gebleken van een storing in het advocatenportaal. Ook de opmerking van de minister op de zitting dat de informatie die op blad 2 van het “overzicht ‘Zienswijze op voornemen’ staat op blad 1 had moeten staan is onvoldoende, omdat de minister niet heeft kunnen uitleggen waarom dit zou leiden tot een relevant verschil. Zonder verder tegenbewijs meent de rechtbank dan ook dat voldoende aannemelijk is geworden dat eiser tijdig een zienswijze heeft ingediend.

Nu de rechtbank van oordeel is dat aannemelijk is dat eiser tijdig een zienswijze heeft ingediend, volgt daaruit dat de minister was gehouden om deze zienswijze mee te nemen in de beoordeling en zich daarover gemotiveerd uitgelaten. Dat dit, zoals blijkt uit de bestreden beschikking, niet is gebeurd levert een zorgvuldigheidsgebrek op. De beroepsgrond slaagt.

De rechtbank ziet in dit geval geen ruimte om het geconstateerde zorgvuldigheidsgebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb. Dit omdat de mogelijkheid voor de vreemdeling om een zienswijze naar voren te brengen een essentieel onderdeel vormt van de procedure die voorafgaat aan de totstandkoming van het bestreden besluit. Omdat eiser door het niet meenemen van zijn zienswijze de facto niet de kans heeft gehad zich uit te laten over het voornemen moet worden aangenomen dat eiser hierdoor is benadeeld. De rechtbank zal het beroep daarom gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen.

De rechtbank ziet wel aanleiding om te bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven en geeft daarbij toepassing aan artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb. De reden daarvoor is dat eiser in beroep, voorzien van de bijstand door zijn gemachtigde, alsnog de gelegenheid heeft gekregen om nogmaals aan te voeren wat hij in de zienswijze heeft aangevoerd. Hieruit volgt dat de gronden uit de zienswijze in beroep alsnog worden besproken. Gelet op wat hierna wordt overwogen over de overige beroepsgronden van eiser, ziet de rechtbank dan ook reden om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten.

Verantwoordelijke lidstaat

8. Eiser betoogt dat niet Duitsland, maar Griekenland verantwoordelijk is voor zijn asielaanvraag. Dit omdat eisers eerste asielaanvraag in Duitsland niet in behandeling is genomen, omdat Griekenland verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling van zijn asielaanvraag. Eiser stelt verder dat doordat Nederland geen vreemdelingen overdraagt aan Griekenland, Nederland de aanvraag van eiser alsnog zelf in behandeling moet nemen. Eiser verwijst hierbij naar de uitspraak van de Afdeling van 23 oktober 2019.

9. De minister verwijst op de zitting naar het voornemen en het bestreden besluit. Duitsland heeft de claim geaccepteerd en is daarmee verantwoordelijk voor de asielaanvraag van eiser. Daarnaast stelt de minister dat het voor de beoordeling van de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is voor eisers asielaanvraag, niet relevant is waarom Duitsland eisers eerste asielaanvraag zou hebben afgewezen.

10. De rechtbank overweegt als volgt. Uit het claimakkoord van 30 december 2025 blijkt dat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag van eiser. Dat eiser stelt dat niet Duitsland, maar Griekenland verantwoordelijk is voor zijn aanvraag doet hier niet aan af. De enkele verwijzing naar de uitspraak van de afdeling maakt dit evenmin anders, omdat deze uitspraak niet zo zeer ziet op de vraag waarom Duitsland niet verantwoordelijk zou zijn voor eisers asielaanvraag, maar waarom de minister niet zou mogen overdragen aan Griekenland. Duitsland heeft daarbij door het claimakkoord toegezegd de asielaanvraag van eiser is behandeling nemen. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Interstatelijk vertrouwensbeginsel

11. Eiser betoogt dat ten aanzien van Duitsland niet uitgegaan kan worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiser zou geen advocaat toegewezen hebben gekregen en geen gehoor hebben gehad over zijn asielmotieven.

12. De minister stelt dat er ten aanzien van Duitsland nog altijd uitgegaan kan worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Daarnaast ligt het op de weg van eiser om bij voorkomende problemen in Duitsland, te klagen bij (hogere) Duitse autoriteiten. Niet is gebleken dat dit voor eiser niet mogelijk was of zal zijn.

13. Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt voorop dat het uitgangspunt is dat de minister op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan mag uitgaan dat lidstaten van de Europese Unie hun verdragsverplichtingen tegenover asielzoekers zullen nakomen. Van dit uitgangspunt wordt slechts afgeweken indien eiser aannemelijk maakt dat het asiel- en opvangsysteem dusdanige tekortkomingen vertoont dat hij bij overdracht aan Duitsland een reëel risico loopt op een behandeling strijdig met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat hij voor Duitsland mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 8 november 2023 geoordeeld dat voor Duitsland van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uit kan worden gegaan. De Afdeling heeft dit oordeel bevestigd in de uitspraken van 11 september 2024 en 14 februari 2025. Eiser heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de situatie in Duitsland zodanig is gewijzigd dat van die beoordeling niet langer kan worden uitgegaan.

Ook de stellingen dat eiser bij zijn eerste asielaanvraag geen gehoor heeft gehad ten aanzien van zijn asielmotieven en dat hij geen advocaat toegewezen zou hebben gekregen, leiden niet tot de conclusie dat in Duitsland sprake is van zodanige ernstige tekortkomingen in de opvang en asielprocedure dat de ‘hoge drempel van zwaarwegendheid’, als bedoeld in het Jawo-arrest is bereikt. Uitgaande van eisers eigen verklaringen heeft hij nog geen inhoudelijke asielbeoordeling in Duitsland gehad, zodat het feit dat hij nog niet over zijn motieven zou zijn gehoord niet maakt dat ervan uit moet worden gegaan dat hij bij een nieuwe asielaanvraag niet alsnog zal worden gehoord. Voor zover eiser heeft betoogd dat hij in zijn asielprocedure ten onrechte geen advocaat heeft toegewezen gekregen, heeft hij ook dit niet verder toegelicht en geconcretiseerd. Bovendien geldt dat uit de Procedurerichtlijn volgt dat rechtsbijstand niet altijd en in alle gevallen kosteloos verstrekt hoeft te worden. De minister heeft zich daarbij bovendien op het standpunt mogen stellen dat eiser bij voorkomende problemen in de Duitse asielprocedure, opvangvoorzieningen of anderszins, de Duitse (hogere) autoriteiten of de daarvoor geschikte instanties van Duitsland kan benaderen. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat klagen niet mogelijk of bij voorbaat zinloos is, temeer nu hij zijn stelling niet nader heeft onderbouwd.

Conclusie en gevolgen

14. Het beroep van eiser is gegrond, omdat het besluit niet deugdelijk is gemotiveerd. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit, maar laat de rechtsgevolgen hiervan in stand. Dit betekent dat de minister geen nieuw besluit hoeft te nemen.

15. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

-verklaart het beroep gegrond;

-vernietigt het bestreden besluit;

-bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven;

-veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser ter hoogte van € 934,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen - Telman, rechter, in aanwezigheid van

E.S. Tiggelaar, griffier en openbaar gemaakt middels gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand