ECLI:NL:RBDHA:2026:1512

ECLI:NL:RBDHA:2026:1512

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 21-01-2026
Datum publicatie 29-01-2026
Zaaknummer SGR AWB 25/3637
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Woo-verzoek. Beroep ongegrond.

Uitspraak

Nederlandse Aardolie Maatschappij B.V., uit Assen, eiseres

(gemachtigde: mr. S.R. Tabak),

en

Het Instituut Mijnbouwschade Groningen, verweerder

(gemachtigden: mr. R. Snel).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de gedeeltelijke afwijzing van haar verzoek om openbaarmaking op grond van de Wet open overheid (Woo).

Verweerder heeft het verzoek om openbaarmaking met het besluit van 28 oktober 2024 (het primaire besluit) gedeeltelijk afgewezen. Met het bestreden besluit van 11 april 2025 op het bezwaar is verweerder bij de gedeeltelijke afwijzing van het verzoek gebleven.

Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

De rechtbank heeft het beroep op 24 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: mr. [naam 1] en [naam 2] MSc. (gemachtigden van eiseres ter zitting) en de gemachtigde van verweerder, vergezeld door mr. [naam 3].

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?

2. Eiseres heeft op 27 september 2024 een verzoek om openbaarmaking op grond van de Wet open overheid (Woo) ingediend. Eiseres heeft daarbij verzocht om openbaarmaking van vier documenten, te weten:

3. In het primaire besluit heeft verweerder het verzoek om openbaarmaking van de gevraagde documenten gedeeltelijk afgewezen. Document 2 en 3 zijn niet aangetroffen door verweerder en document 4 is door verweerder volledig openbaar gemaakt. Verweerder heeft het verzoek om openbaarmaking voor document 1 integraal geweigerd. Volgens verweerder gaat dit om juridisch advies van een externe advocaat en moet verweerder zich vertrouwelijk door een advocaat kunnen laten bijstaan zonder vrees dat het gedeelde en geadviseerde openbaar wordt. Openbaarmaking zou het goed functioneren van de Staat belemmeren. Verder is dit document opgesteld ten behoeve van intern beraad en bestaat het in zijn geheel uit persoonlijke beleidsopvattingen. Verweerder beroept zich daarmee op artikelen 5.1, tweede lid, aanhef en onder i en 5.2, eerste lid, van de Woo. In het belang van een goede en democratische bestuursvoering gaat verweerder, zoals bedoeld in artikel 5.2, tweede lid, van de Woo, ook niet over tot openbaarmaking van dit stuk in een niet tot personen herleidbare vorm. Eiseres heeft alleen bezwaar gemaakt tegen de weigering van verweerder om document 1 openbaar te maken. In het bestreden besluit is verweerder bij deze weigering gebleven, onder verbetering van de motivering bij handhaving van de grondslag.

Wat vindt eiseres in beroep?

4. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit. Het beroep van eiseres ziet alleen op de weigering om document 1 openbaar te maken. Eiseres vindt dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom dit document wel kon worden ingezien in het PEAG-archief, maar niet op grond van de Woo openbaar gemaakt kan worden. Verder heeft verweerder de uitzonderingsgrondengronden in artikelen 5.1, tweede lid, aanhef en onder i en 5.2, eerste lid, van de Woo onjuist toegepast en gebrekkig gemotiveerd.

Wat is het oordeel van de rechtbank?

5. De rechtbank beoordeelt of verweerder de openbaarmaking van document 1 (hierna: het document, het stuk of de presentatie) op goede gronden integraal heeft mogen weigeren. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres. De rechtbank geeft eiseres geen gelijk. Hieronder legt de rechtbank dat uit.

Eerder ter inzage gelegen

6. Allereerst overweegt de rechtbank dat de omstandigheid dat het document eerder al openbaar toegankelijk was in het archief van PEAG niet maakt dat verweerder geen beroep meer kan doen op de uitzonderingsgronden in de Woo. Uit jurisprudentie van de hoogste bestuursrechter volgt dat het recht op inzage moet worden onderscheiden van openbaarmaking voor eenieder. Verweerder had de omstandigheid dat het document eerder ter inzage heeft gelegen in het PEAG-archief, dan ook niet hoeven te betrekken in zijn beoordeling.

Goed functioneren van de Staat

7. Aan de weigering van openbaarmaking heeft verweerder mede ten grondslag gelegd dat het stuk, in de vorm van een presentatie, door een externe advocaat is opgesteld om hem te adviseren over zijn procespositie. De rechtbank heeft kennis genomen van de presentatie. De rechtbank kan verweerder volgen in zijn standpunt dat het openbaar maken van informatie hieruit, kan leiden tot het prijsgeven van vertrouwelijke informatie over zijn procespositie in lopende en toekomstige procedures. Verweerder mocht dus vinden dat openbaarmaking van de presentatie, de procespositie en daarmee het goed functioneren van verweerder schaadt en niet opweegt tegen het belang van openbaarmaking. Het standpunt van eiseres dat verweerder niet onder de reikwijdte van ‘de Staat’ zou vallen, volgt de rechtbank niet. Dat verweerder zelfstandige bevoegdheden heeft en daarmee een zelfstandig bestuursorgaan (zbo) is, maakt niet dat hij niet vereenzelvigd kan worden met de Staat. Verweerder is onderdeel van het openbaar gezag.

Persoonlijke beleidsopvattingen ten behoeve van intern beraad

8. Verweerder heeft ook aan de weigering van openbaarmaking ten grondslag gelegd dat het document is opgesteld ten behoeve van intern beraad bij verweerder over zijn taakuitoefening en rechtspositie, en in zijn geheel bestaat uit persoonlijke beleidsopvattingen bestemd voor dat beraad. De rechtbank heeft zoals hiervoor vermeld, kennis genomen van het vertrouwelijk overgelegde document en kan verweerder ook daarin volgen. Alhoewel er zich in het document passages bevinden die op zichzelf niet zijn aan te merken als persoonlijke beleidsopvattingen maar meer als feitelijke gegevens, overweegt de rechtbank dat deze zo met elkaar verweven zijn dat ze niet te scheiden zijn van elkaar. Immers, alle in de presentatie opgenomen informatie zijn door de opsteller geselecteerd als onderdeel van de opvattingen die de advocaat aan verweerder heeft willen meegeven. Uit jurisprudentie van de hoogste bestuursrechter volgt dat dat voor dergelijke passages ook een beroep kan worden gedaan op artikel 5.2, tweede lid, van de Woo en dus voor openbaarmaking kunnen worden geweigerd. De rechtbank volgt eiseres ook niet in haar stelling dat verweerder het stuk niet per passage heeft beoordeeld. Daar is geen indicatie voor en in het bestreden besluit heeft verweerder, anders dan eiseres stelt, opgenomen dat het stuk per documentonderdeel moet worden beoordeeld en dat dat ook op die manier gedaan is. Gelet op het voorgaande mocht verweerder vinden dat voor iedere passage op de sheets van de presentatie sprake is van persoonlijke beleidsopvattingen. Een nadere motivering per passage en/of per sheet zou, zoals verweerder terecht stelt, leiden tot herhaling en daarmee geen redelijk doel dienen. In dit kader is ook nog van belang dat verweerder niet heeft hoeven overgaan op het openbaar maken van de persoonlijke beleidsopvattingen in geanonimiseerde vorm. Verweerder mocht hierbij betrekken dat het voor hem van belang is dat hij met zijn advocaat van gedachten moet kunnen wisselen en het daarmee niet in het belang van een goede en democratische bestuursvoering is om de persoonlijke beleidsopvattingen in een niet herleidbare vorm openbaar te maken. Uit het bovengenoemde volgt dus, anders dan eiseres stelt, dat het niet openbaar maken van het document niet slechts is gestoeld op de omstandigheid dat deze door een advocaat is opgesteld.

Tijdsverloop

9. Voor zover eiseres stelt dat er voor verweerder een verzwaarde motiveringsplicht geldt omdat het document inmiddels meer dan vijf jaar oud is, overweegt de rechtbank dat ten tijde van het nemen van de besluitvorming er nog geen vijf jaren is verstreken. Verweerder heeft dus geen verzwaarde motiveringsplicht. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat voor zover die plicht wel gold, verweerder reeds voldoende heeft gemotiveerd dat het belang om het document niet openbaar te maken nog steeds actueel is.

Conclusie en gevolgen

10. De rechtbank komt tot de conclusie dat verweerder het document geheel voor openbaarmaking mocht weigeren. Daarmee is het beroep ongegrond en blijft het bestreden besluit in stand. Eiseres krijgt het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.A. Timmer, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Robio, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2026.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. W.A. Timmer

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?