[naam], eiseres,
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. J.J. de Vries),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. B.W. Zagers).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 31 maart 2026 niet in behandeling genomen, omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de aanvraag.
De minister heeft op 29 mei 2026 een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep, tegelijk met het verzoek om voorlopige voorziening, op 1 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de tolk. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en dat het besluit tot het niet in behandeling nemen van haar aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland bij Kroatië een verzoek om terugname gedaan. Kroatië heeft het verzoek op grond van artikel 20, vijfde lid, van de Dublinverordening aanvaard.
Zienswijze
5. De rechtbank overweegt dat de algemene stelling van eiseres in beroep dat de zienswijze als herhaald en ingelast dient te worden beschouwd, onvoldoende is om aan te kunnen merken als een beroepsgrond waar de rechtbank over moet beslissen. De minister is in het besluit ingegaan op de zienswijze van eiseres. De rechtbank zal daarom de stellingen in de zienswijze, waarvan eiseres in beroep niet concreet heeft aangegeven waarom de reactie van de minister daarop volgens haar niet juist of niet toereikend is, niet bespreken.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
6. Eiseres betoogt dat voor Kroatië niet kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, omdat daar ernstige tekortkomingen bestaan in de asielprocedure en de opvang. De minister stelt volgens eiseres ten onrechte dat deze tekortkomingen niet structureel zijn. Eiseres verwijst daarbij onder meer naar een uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 3 maart 2026 en een uitspraak van de Afdeling van 25 februari 2026. Eiseres verwijst verder naar het AIDA-rapport 2024. en een brief van Centre for Peace Studies. De minister miskent dat Dublinterugkeerders niet altijd effectieve toegang hebben tot rechtsmiddelen, zodat niet kan worden tegengeworpen dat eiseres bij problemen in Kroatië effectief kan klagen bij de autoriteiten.
Eiseres stelt dat zij het risico loopt slachtoffer te worden van gewelddadige pushbacks en collectieve uitzettingen, omdat Dublinclaimanten lastig te onderscheiden zijn van andere asielzoekers. Eiseres beroept zich op het arrest X. van het Hof van Justitie van 29 februari 2024, waarin is benadrukt dat lidstaten een actieve onderzoeksplicht hebben wanneer er concrete aanwijzingen bestaan dat overdracht kan leiden tot schending van artikel 3 van het EVRM. Eiseres voert aan dat de minister de onderzoeksplicht onvoldoende heeft ingevuld, omdat geen nader onderzoek is verricht naar de actuele leefomstandigheden van Dublinclaimanten in Kroatië. Eiseres verwijst hierbij het arrest Jawo, omdat zij vreest in een situatie van verregaande materiële deprivatie terecht te komen.
7. De rechtbank is van oordeel dat deze beroepsgrond niet slaagt. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 9 oktober 2024 geoordeeld dat voor Kroatië van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag worden uitgegaan, omdat niet is gebleken dat sprake is van structurele tekortkomingen in het Kroatische asiel- en opvangsysteem. De Afdeling heeft dit nogmaals bevestigd in de uitspraken van 6 maart 2025 en 21 november 2025. Eiseres heeft geen informatie overgelegd die aanleiding geeft om nu anders te oordelen. Zo is het AIDA-rapport waar eiseres naar verwijst uitgebracht vóór laatstgenoemde uitspraak van de Afdeling. Daarbij komt dat de passages van dat AIDA-rapport geen wezenlijk ander beeld schetsen van de opvangomstandigheden dan het AIDA-rapport over Kroatië van 2024, dat de Afdeling al heeft betrokken in haar uitspraak van 9 oktober 2024. Voor zover eiseres bedoelt te betogen dat de omstandigheden in de opvang in Kroatië daarna wel degelijk weer zijn verslechterd heeft zij dat niet nader onderbouwd. Eiseres heeft ook niet onderbouwd of aannemelijk gemaakt dat klagen bij voorkomende problemen in Kroatië niet mogelijk of zinloos is. Haar enkele stelling, dat zij bang was en daarom niet heeft geklaagd, is dat in dat verband onvoldoende. De minister heeft zich daarom op het standpunt kunnen stellen dat eiseres bij voorkomende problemen in Kroatië daarover zo nodig een klacht kan indienen bij de Kroatische autoriteiten.
8. Wat betreft het door eiseres gestelde risico van pushbacks voor Dublinclaimanten overweegt de rechtbank als volgt. De Afdeling is in de uitspraak van 9 oktober 2024 specifiek ingegaan op de risico’s van pushbacks voor Dublinclaimanten in Kroatië, en heeft geoordeeld dat uit de betrokken landeninformatie niet blijkt dat Dublinclaimanten een reëel risico lopen om slachtoffer te worden van pushbacks. Uit de informatie volgt volgens de Afdeling dat de Kroatische politie eind maart 2023 over het gehele grondgebied van Kroatië pushbacks heeft uitgevoerd, maar níet dat hierbij ook Dublinclaimanten waren betrokken. Verder heeft de Afdeling in deze uitspraak betrokken dat er geen gedocumenteerde gevallen bekend zijn van Dublinclaimanten die slachtoffer zijn geworden van een pushback. Wat betreft het AIDA-rapport van augustus 2025 heeft de Afdeling in de uitspraak van 8 december 2025 bovendien overwogen – door het oordeel van de onderliggende rechtbankuitspraak over te nemen – dat dit rapport geen wezenlijk ander beeld geeft dan het eerdere AIDA-rapport.
9. Het beroep van eiseres op arrest X leidt evenmin tot een ander oordeel. Het Hof heeft in het kader van de onderzoeksplicht van een lidstaat en de bewijslastverdeling van partijen in arrest X , onder meer en verkort weergegeven, overwogen dat de lidstaten ten eerste rekening moeten houden met alle informatie die door de derdelander wordt verstrekt ten aanzien van het door hem of haar gestelde risico en die relevant is om op correcte wijze de verantwoordelijke lidstaat te bepalen en – ten tweede – mee moeten werken aan de vaststelling van de feiten door te beoordelen of dit risico reëel is, waarbij in voorkomend geval ook op eigen initiatief rekening gehouden moet worden met relevante informatie in dit kader waarvan de lidstaat niet onkundig kan zijn. Omdat eiseres niet nader heeft geconcretiseerd op basis waarvan en waarom juist in de zaak van eiseres nadrukkelijk nader onderzoek nodig is, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de minister niet aan de onderzoeksplicht zou hebben voldaan.
Artikel 17 van de Dublinverordening
10. Eiseres meent dat de minister de asielaanvraag aan zich zou moeten trekken op grond van artikel 17 van de Dublinverordening. Eiseres heeft er daarbij op gewezen dat zij een miskraam heeft gehad. Op de zitting heeft eiseres verduidelijkt dat deze miskraam in Nederland heeft plaatsgevonden en niet in Kroatië. Eiseres stelt dat zij in zulke slechte omstandigheden heeft geleefd in Kroatië, dat deze ervaringen ertoe hebben geleid dat ze een miskraam heeft gehad. Eisers heeft op de zitting eveneens verklaart dat het niet aan haar is om een eventuele medische problematiek naar aanleiding van die miskraam en de behoefte aan extra ondersteuning ten tijde de huidige zwangerschap te onderbouwen, maar dat het aan de minister is om BMA in te schakelen als hij daaraan twijfelt.
Eiseres heeft ter onderbouwing van haar persoonlijke omstandigheden onder meer het verblijfsdocument, een arbeidsovereenkomst en een salarisstrook van haar gestelde partner overgelegd. Evenals een zwangerschapsverklaring, een huurovereenkomst op naam van de gestelde partner, foto’s en linkjes van het gestelde (religieuze) huwelijksfeest. Eiseres vindt verder dat de minister haar gezinsleven moet eerbiedigen op grond van artikel 8 EVRM. Overdracht zou een disproportionele inmenging betekenen, te meer nu ze concrete huwelijksplannen hebben en een kind verwachten. Daarnaast vreest eiseres in Kroatië voor haar familie.
11. Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening kan elke lidstaat besluiten een bij hem ingediend verzoek om internationale bescherming van een onderdaan van een derde land of een staatloze te behandelen. Dit betreft een discretionaire bevoegdheid van de lidstaten. De minister heeft in het beleid neergelegd hoe hij van deze bevoegdheid gebruik maakt. Volgens paragraaf C2/5, tweede gedachtestreepje (onder ‘discretionaire bepalingen’), van de Vctrekt de minister een asielaanvraag onverplicht aan zich indien bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdracht van de vreemdeling aan de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat, van een onevenredige hardheid getuigt.
12. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister in dit geval kunnen beslissen om de aanvraag niet aan zich te trekken. De stelling van eiseres dat zij en haar ongeboren kind, gescheiden zullen worden van hun gestelde echtgenoot dan wel gestelde vader, heeft de minister niet behoeven aan te merken als een bijzondere, individuele omstandigheid die ertoe leidt dat een overdracht getuigt van onevenredige hardheid. Hierbij heeft minister erop kunnen wijzen dat de aanwezigheid van een familielid alleen in uitzonderlijke gevallen ertoe leidt dat gebruik wordt gemaakt van de bevoegdheid in artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening aangezien het bijeenhouden en het bijeenbrengen van het gezin al geschiedt op grond van de artikelen 8, 9, 10, 11 en 16 van de Dublinverordening. Verder heeft de minister erop mogen wijze dat eiseres eerst is gehuwd na aankomst in Nederland en twee dagen voor de huidige asielaanvraag. Niet is onderbouwd dat er sprake is van een duurzame relatie. Ook is niet vast komen te staan dat de gestelde echtgenoot de vader is van het ongeboren kind of dat hij het ongeboren kind heeft erkend.
Een eventuele toekomstige gezinshereniging in het kader van artikel 8 van het EVRM speelt verder geen zelfstandige rol in het kader van een Dublinprocedure. In deze procedure gaat het uitsluitend over de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is voor de inhoudelijke behandeling van eiseres’ verzoek om internationale bescherming. Indien eiseres stelt dat haar op grond van artikel 8 van het EVRM een verblijfsvergunning toekomt, dan kan zij een daartoe een strekkende aanvraag indienen.
Voor zover eiseres heeft willen aanvoeren dat de minister een medisch advies had moeten opvragen bij het BMA, overweegt de rechtbank als volgt. Omdat eiseres in het geheel geen medische stukken heeft overgelegd heeft de minister terecht geen aanleiding gezien om het BMA om advies te vragen. Het ligt op de weg van eiseres om eventuele medische klachten of problematiek te onderbouwen. Nu er geen medische informatie ligt heeft de minister ook niet om deze reden de aanvraag aan zich te hoeven trekken.
Ten aanzien van de vrees voor haar familie wordt als volgt door de rechtbank overwogen. De minister heeft mogen overwegen dat eiseres zich bij voorkomende problemen in Kroatië, dient te wenden tot de daartoe aangewezen (hogere) autoriteiten, of de daartoe bevoegde instanties. Dus ook bij problemen met familieleden. Er is niet gebleken dat de autoriteiten van Kroatië eiseres niet zouden kunnen of willen helpen. Deze grond leidt dan ook niet tot de conclusie dat er niet meer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De door eiseres aangehaalde rechtspraak leidt niet tot een ander oordeel, nu deze uitspraken niet zien op een vergelijkbare situatie.
Belangen van het ongeboren kind
13. Eiseres stelt het belang van het ongeboren kind dient te worden meegewogen. Eiseres stelt dat overdracht naar Kroatië een negatief effect kan hebben op de ontwikkeling van haar kind, omdat er mogelijk onvoldoende bescherming en zorg kan worden geboden in Kroatië. Eiseres is van mening dat de belangen van haar ongeboren kind zwaarder wegen dan de toepassing van het interstatelijk vertrouwensbeginsel op Kroatië, en dat Nederland haar asielaanvraag inhoudelijk dient te behandelen zodat het welzijn en de ontwikkeling van het kind gewaarborgd blijven.
14. Zoals de rechtbank onder 7. heeft overwogen mag de minister ten aanzien van Kroatië nog steeds uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De minister mag er op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel vanuit gaan dat de reguliere medische voorzieningen in Kroatië zo nodig beschikbaar zijn voor eiseres en haar (ongeboren) kind. Dat het kind van eiseres na de geboorte mogelijk medische zorg nodig heeft is daarom onvoldoende om te spreken van bijzondere individuele omstandigheden.
15. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich dan ook op het standpunt kunnen stellen dat de belangen van het ongeboren kind geen aanleiding geven om de aanvraag onverplicht in behandeling te nemen. Eerst tijdens de beroepsprocedure is duidelijk geworden dat eiseres zwanger is. Terwijl niet is onderbouwd wie de vader van het ongeboren kind is en ook is niet gebleken dat het kind is erkend door de gestelde vader.
Daarnaast is niet onderbouwd welke omstandigheden zouden maken dat er in het geval van het ongeboren kind sprake zal zijn van dermate bijzondere omstandigheden dat een overdracht naar Kroatië onevenredige nadelige gevolgen heeft voor het ongeboren kind van eiseres.
Conclusie en gevolgen
16. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen - Telman, rechter, in aanwezigheid van
E.S. Tiggelaar, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.