[eiser], eiser,geboren op [geboortedatum], van Gambiaanse nationaliteit,
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. C.K.E.E. Fischer-Fuhler),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. K. Nuninga).
Inleiding
1. De minister heeft op 15 augustus 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
De rechtbank heeft het beroep op 23 januari 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn met voorafgaande kennisgeving niet verschenen ter zitting. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank heeft deze maatregel van bewaring al eerder getoetst, zoals volgt uit de uitspraak van 28 november 2025. In dit beroep is daarom van belang wat er sinds het sluiten van het vorige onderzoek op 21 november 2025 is gebeurd.
Wat vindt eiser?
3. Eiser stelt dat er geen zicht op uitzetting is. De minister moet onderbouwen hoe de uitzetting zal worden bewerkstelligd en in hoeverre de Gambiaanse autoriteiten bereid zullen zijn hun medewerking te verlenen. De rappels en vertrekgesprekken geven geen blijk van zicht op uitzetting. Vanwege het lange tijdsverloop dient de bewaring te worden opgeheven.
Oordeel van de rechtbank
4. De beroepsgronden slagen niet. De rechtbank stelt vast dat de minister sinds het sluiten van het onderzoek in de vorige periode een vertrekgesprek met eiser heeft gevoerd en drie keer schriftelijk op de lp-aanvraag heeft gerappelleerd. De rechtbank vindt deze gang van zaken voldoende voortvarend. De rechtbank is tot slot van oordeel dat de minister terecht geen aanleiding heeft gezien om aan eiser een lichter middel dan bewaring op te leggen. Eiser heeft geen redenen naar voren gebracht waarin de minister aanleiding had moeten zien om aan eiser een lichter middel op te leggen.
5. De rechtbank is van oordeel dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Gambia in het algemeen niet ontbreekt. De rechtbank verwijst hierbij naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 4 augustus 2023. De rechtbank ziet geen aanleiding om in het geval van eiser anders te oordelen. Niet is gebleken dat de Gambiaanse autoriteiten te kennen hebben gegeven dat voor eiser geen lp zal worden afgegeven. Hierbij is ook van belang dat eiser geen medewerking verleent.
6. De rechtbank ziet ook voor het overige geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring in de periode tussen het sluiten van het vorige onderzoek en het sluiten van het onderhavige onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Dat de bewaring reeds ruim 5 maanden voortduurt, maakt de maatregel niet onrechtmatig.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Postma, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.