Verdeling van zorg- en opvoedingstaken, hoofdverblijfplaats en alimentatie
Beschikking op het op 24 april 2025 ingekomen verzoek van:
[de moeder],
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. R.A. van den Heuvel te Rijswijk.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de vader],
de vader,
met een bij de rechtbank bekend briefadres,
advocaat: mr. M-J.E. Gilsing te Alphen aan den Rijn.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
[minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] hebben in raadkamer hun mening gegeven over de verzoeken.
Op 8 april 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen de moeder, bijgestaan door haar advocaat, en de vader, bijgestaan door zijn advocaat.
Van de zijde van de vader zijn pleitnotities overgelegd.
Feiten
- De moeder en de vader hebben een affectieve relatie gehad, waarbij zij hebben samengewoond.
- Zij zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen:
- [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2014 te [geboorteplaats 1];
- [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2015 te [geboorteplaats 1];
- [minderjarige 3], geboren op [geboortedatum 3] 2017 te [geboorteplaats 2].
- Ingevolge aantekeningen in het gezagsregister van 6 maart 2019, oefenen de ouders gezamenlijk het gezag uit over [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3].
- [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] verblijven bij de moeder.
Verzoek en verweer
De moeder verzoekt de rechtbank, voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad:
een zorg- c.q. omgangsregeling vast te stellen, waarbij de kinderen van maandag uit school tot en met vrijdagavond 17.30 uur bij de moeder verblijven en in de oneven weken van vrijdagavond 17.30 uur tot maandagochtend uit school bij de vader. De vader haalt de kinderen op vrijdagavond 17.30 uur op en brengt de kinderen op maandagochtend naar school. In de even weken verblijven de kinderen van vrijdagavond 17.30 uur tot maandagochtend naar school bij de moeder. De kinderen hebben op woensdagmiddag na school telefonisch/videobelcontact met de vader;
de door de moeder (in punt 24 van het verzoekschrift) voorgestelde vakantie- en feestdagenregeling vast te stellen, althans een door de rechtbank in goede justitie vast te stellen regeling;
te bepalen dat de kinderen hun hoofdverblijf bij de moeder hebben;
de hoogte van de bijdrage van de vader in de opvoeding en verzorging van de kinderen vast te stellen op € 591,- per maand, conform de wettelijke maatstaven, althans een zodanig bedrag dat de rechtbank in goede justitie acht, per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, met ingang van datum indiening verzoekschrift, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum;
aan de moeder vervangende toestemming te verlenen voor het aanvragen van een identiteitskaart/paspoort voor de kinderen.
De vader stemt in met het verzoek van de moeder onder III en voert verweer tegen de overige verzoeken. Ter zitting heeft de vader zijn (enige) zelfstandige verzoek ten aanzien van de kinderalimentatie ingetrokken.
Beoordeling
Verdeling van zorg- en opvoedingstaken
De ouders hebben tijdens de zitting gedeeltelijk overeenstemming bereikt over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (zorgregeling). Zij zijn het erover eens dat de kinderen, zo lang de vader geen eigen woning heeft, een weekend per twee weken van zaterdag 10.00 uur tot zondag 19.30 uur bij de vader zullen zijn. Daarbij is het aan de vader om een plek te regelen waar hij met de kinderen kan overnachten. Verder maakt de rechtbank uit de stukken en dat wat op de zitting is besproken op dat de ouders het erover eens zijn dat de kinderen, vanaf het moment dat de vader een eigen woning heeft, een weekend per twee weken van vrijdag 17.30 uur tot maandag naar school bij de vader zullen zijn. Gelet op deze overeenstemming en omdat de rechtbank deze zorgregeling in het belang van de kinderen acht, zal de rechtbank dienovereenkomstig beslissing. De rechtbank merkt daarbij nog op dat zij het van groot belang acht dat de vader zich aan deze regeling houdt, omdat de kinderen daarop rekenen en zij hebben aangegeven dat zij hun vader missen.
De ouders zijn het niet eens geworden over de verdeling van vakanties en feestdagen. Daarom zal de rechtbank daarover een beslissing nemen.
Ter zitting heeft de moeder aangegeven dat zij de vakanties het liefst bij helfte zou verdelen, maar dat zij – zolang de vader nog geen eigen woning heeft – ook kan instemmen met een verdeling waarbij de kinderen in ieder geval tijdens de zomervakantie twee weken bij de vader zijn. De vader heeft daarop aangegeven dat hij daarover moet nadenken en dat hij daar niet direct mogelijkheden voor ziet.
Hoewel de rechtbank begrijpt dat de woonsituatie van de vader niet ideaal is, verbindt zij daaraan niet de conclusie dat het voor de vader niet mogelijk is om de kinderen in de zomervakantie twee weken op te vangen. Zo staat het de vader vrij om met de kinderen naar een camping, een vakantiepark of familie te gaan. Daar komt bij dat het de rechtbank duidelijk is geworden dat de kinderen behoefte hebben aan contact met de vader en dat zij hem missen. Ook is de rechtbank gebleken dat er in de persoonlijke situatie van de moeder sprake is van veel spanningen, ook met betrekking tot de kinderen en de zorgregeling, en dat zij er behoefte aan heeft ontlast te worden. Tegen deze achtergrond zal de rechtbank bepalen dat de kinderen in de zomervakantie, zo lang de vader nog geen eigen woning heeft, twee aaneengesloten weken bij de vader verblijven. Ook in dit verband geldt dat het aan de vader is om een verblijfplek te regelen. Verder zal de rechtbank bepalen dat de door de moeder verzochte verdeling van de vakanties zal gelden vanaf het moment dat de vader een eigen woning heeft. Dat betekent dat vanaf dat moment de vakanties bij helfte worden verdeeld op de wijze die in het dictum is opgenomen en dat de feestdagen worden verdeeld conform de reguliere zorgregeling dan wel de vakantieregeling.
Hoofdverblijfplaats
De ouders zijn het er voor de zitting over eens geworden dat de kinderen hun hoofdverblijf bij de moeder zullen hebben. Omdat de ouders overeenstemming hebben bereikt over de hoofdverblijfplaats, de kinderen het grootste gedeelte van de tijd bij de moeder (zullen blijven) doorbrengen en de vader vooralsnog geen eigen woonruimte heeft, zal de rechtbank het hoofdverblijf van de kinderen bij de moeder vaststellen.
Vervangende toestemming aanvraag paspoorten en/of ID-kaarten
De moeder heeft de rechtbank verzocht vervangende toestemming te verlenen voor het aanvragen van paspoorten en/of ID-kaarten voor de kinderen.
De vader heeft ter zitting uitdrukkelijk aangegeven dat hij hier toestemming voor geeft, maar dat hij geen kopie van zijn identiteitsbewijs aan de moeder zal overleggen ten behoeve van het aanvragen van de paspoorten en/of ID-kaarten.
Het is de rechtbank niet duidelijk geworden waarom de vader geen kopie van zijn identiteitsbewijs aan de moeder wil overhandigen zodat zij de paspoorten of ID-kaarten voor de kinderen daadwerkelijk kan aanvragen. Ook is niet gesteld of gebleken dat de vader inhoudelijke bezwaren heeft tegen het aanvragen van deze documenten. Omdat de rechtbank het van belang acht dat de kinderen geldige legitimatiebewijzen hebben, zal de rechtbank het verzoek van de moeder toewijzen en haar toestemming verlenen, die de toestemming van de vader vervangt, om paspoorten en/of ID-kaarten voor [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] aan te vragen.
Kinderalimentatie
Bij de vaststelling van de kinderalimentatie en de berekening neemt de rechtbank de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie opgenomen in het Rapport alimentatienormen als uitgangspunt. De rechtbank rondt hierna in haar berekening de bedragen telkens af op hele euro’s.
Ingangsdatum
Om proceseconomische redenen zal de rechtbank eerst de ingangsdatum vaststellen. De rechtbank stelt voorop dat zij op grond van artikel 1:402 van het Burgerlijk Wetboek een grote mate van vrijheid heeft bij het vaststellen van de ingangsdatum. Drie data liggen het meest voor de hand: de datum van het inleidend verzoek, de datum waarop de rechter beslist of de datum waarop de omstandigheden intreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn.
De rechtbank ziet in redelijkheid aanleiding om de kinderalimentatie vast te stellen met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift (24 april 2025), omdat de vader vanaf dat moment rekening heeft kunnen houden met de kinderalimentatie.
Behoefte
Bij de berekening van de kinderalimentatie wordt eerst gekeken naar wat de kosten van een kind (de behoefte) zijn. De behoefte van [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] is tussen partijen in geschil. De rechtbank zal daarom hierna de behoefte vaststellen. Omdat de vrouw onbetwist heeft gesteld dat partijen begin 2025 definitief uit elkaar zijn gegaan, zal de rechtbank op basis van de jaarcijfers van 2024 de behoefte van begin 2025 berekenen en deze indexeren naar 2026.
Voor het bepalen van de behoefte moet allereerst het netto besteedbaar inkomen (NBI) van ieder van partijen tijdens hun samenleving worden bepaald.
Partijen zijn het niet eens over het NBI van de moeder, zodat de rechtbank dat hierna zal berekenen. Hiervoor gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 49.779,- bruto per jaar, inclusief vakantiegeld. De rechtbank baseert zich hierbij op de jaaropgave 2024 van Stichting [werkgever 1] (€ 14.002,-) en de jaaropgave 2024 van [werkgever 2] (€ 35.777,-).
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen fiscale heffingskortingen, berekent de rechtbank het NBI van de moeder op het moment van de samenleving op € 3.220,- per maand.
Partijen zijn het ook niet eens over het NBI van de vader, zodat de rechtbank dat hierna zal berekenen. Hiervoor gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 36.477,- bruto per jaar, inclusief vakantiegeld. De rechtbank gaat hierbij uit van de jaaropgave 2024 van [werkgever 3] (€ 3.355,-) en de jaaropgave 2024 van [werkgever 4] B.V. (€ 33.122,-).
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen fiscale heffingskortingen, berekent de rechtbank het NBI van de vader op het moment van de samenleving op € 2.867,- per maand.
Het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) van partijen bedroeg dus € 6.087,- per maand (€ 3.220,- (NBI vrouw) + € 2.867,- (NBI man)). Op basis van dit NBGI hadden partijen recht op een kindgebonden budget van € 340,- per maand, zodat de rechtbank daarmee rekening zal houden. Op basis van de tabel eigen aandeel kosten van kinderen 2025 leidt het voorgaande tot een behoefte van € 1.587,- per maand voor [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] in 2025. Geïndexeerd naar 2026 bedraagt deze behoefte € 1.659,- per maand.
De rechtbank zal hierna beoordelen in welke verhouding deze behoefte tussen partijen moet worden verdeeld. Omdat de rechtbank 24 april 2025 als ingangsdatum zal hanteren en is gebleken dat met name het inkomen van de vader in 2026 aanzienlijk is gewijzigd ten opzichte van zijn inkomen in 2025, zal de rechtbank de draagkracht van partijen en de daaruit voortvloeiende kinderalimentatie berekenen voor de jaren 2025 en 2026.
Draagkracht moeder in 2025
Voor de bepaling van de draagkracht van de moeder gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 731,- bruto per week, exclusief vakantiegeld. De rechtbank gaat hierbij uit van de salarisspecificaties van september tot en met december 2025.
Omdat de moeder niet heeft onderbouwd waarom zij in de door haar overgelegde draagkrachtberekening rekent met een netto inhouding in de vorm van een premie WGA, de vader deze inhouding betwist en ook niet uit de salarisspecificaties blijkt dat er een WGA-premie wordt ingehouden op het salaris van de moeder, zal de rechtbank bij de bepaling van haar draagkracht daarmee geen rekening houden.
Het kindgebonden budget moet volgens vaste rechtspraak bij het inkomen van de desbetreffende ouder die het ontvangt, worden opgeteld. De rechtbank berekent het kindgebonden budget aan de hand van bovenstaande inkomensgegevens. In dit verband merkt de rechtbank nog op dat de vader volgens de basisregistratie persoonsgegevens vanaf april 2025 is ingeschreven op een ander woonadres dan de moeder. Daarom gaat de rechtbank er – anders dan de moeder in eerste instantie stelde – van uit dat de moeder het kindgebonden budget en de alleenstaande ouderkop heeft ontvangen en houdt zij daarmee rekening in de alimentatieberekening.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen, berekent de rechtbank het NBI van de moeder in 2025 op € 3.928,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
Omdat het NBI van de moeder hoger is dan € 2.125,-, zal de rechtbank voor de berekening van haar draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + € 1.310,-)] gebruiken. In 2025 bedraagt de draagkracht van de moeder dan: 70% x [3.928 – (1.178 + 1.310)] = € 1.008,- per maand.
Draagkracht vader in 2025
Voor de bepaling van de draagkracht van de vader gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 27.514,- bruto per jaar. De rechtbank gaat hierbij uit van de jaaropgave 2025 van [werkgever 3] (€ 24.355) en de jaaropgave 2025 van [werkgever 5] (€ 3.159,-).
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen, berekent de rechtbank het NBI van de vader in 2025 op € 2.165,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
Omdat het NBI van de vader ook hoger is dan € 2.125, zal de rechtbank voor de berekening van zijn draagkracht dezelfde formule gebruiken. In 2025 bedraagt de draagkracht van de vader dan: 70% x [2.165 – (650 + 1.310)] = € 144,- per maand.
De draagkracht van de ouders bedraagt in 2025 gezamenlijk € 1.152,- per maand (€ 1.008,- + € 144,-). Dit is onvoldoende om volledig in de behoefte van de kinderen te voorzien. Er is sprake van een tekort van € 435,- per maand.
De rechtbank overweegt dat de Hoge Raad op 16 april 2021 (ECLI:NL:HR:2021:586) heeft geoordeeld dat het hanteren van een forfaitaire woonlast op zichzelf niet in strijd is met de wettelijke maatstaven. Indien met de berekende draagkracht van de ouders niet (geheel) in de behoefte van de kinderen kan worden voorzien en er aanwijzingen zijn dat de werkelijke woonlasten van de betrokken ouder duurzaam aanmerkelijk lager zijn dan het bedrag dat volgt uit toepassing van het forfait [(0,3 NBI), zal de rechter (ambtshalve) moeten nagaan of de draagkracht van die ouder, berekend met inachtneming van de werkelijke woonlasten, zou leiden tot een hogere onderhoudsbijdrage. Indien dit het geval is, moet de rechter ofwel deze hogere bijdrage opleggen, ofwel motiveren waarom hij daartoe, gelet op de verdere omstandigheden van het geval, geen aanleiding ziet.
Gelet op deze uitspraak van de Hoge Raad en de conclusie dat sprake is van een draagkrachttekort, zal de rechtbank hierna onderzoeken of toepassing van de werkelijke woonlasten leidt tot een hogere bijdrage.
De vader heeft gesteld dat van belang is wat de werkelijke woonlasten van de moeder zijn in verhouding tot haar woonbudget, maar heeft deze stelling verder niet onderbouwd. Daarom zal (en kan) de rechtbank niet rekenen met werkelijke woonlasten aan de zijde van de moeder.
De moeder meent dat er aan de zijde van de vader moet worden gerekend met de werkelijke woonlasten van de vader van € 0,-, omdat hij op dit moment geen eigen woonruimte heeft en dus ook geen kosten maakt. De vader heeft bevestigd dat hij geen eigen woonruimte heeft en heeft aangegeven dat hij soms in zijn auto slaapt, en soms bij zijn moeder of zijn broer. Hij heeft ook gesteld dat hij zijn moeder € 200,- per maand betaalt voor zijn verblijf bij haar. Volgens de moeder betaalt de man dit niet.
Omdat de vader niet verder heeft onderbouwd dat hij maandelijks een bedrag van € 200,- aan zijn moeder betaalt , zal de rechtbank ervan uitgaan dat de vader geen woonlasten heeft. Dat betekent dat de rechtbank in plaats van de eerdergenoemde formule, de volgende formule zal hanteren om de draagkracht van de vader te berekenen: 70% x (NBI – 1.310). De draagkracht van de vader bedraagt dan € 598,- per maand. De rechtbank merkt hierbij op dat partijen zelf de berekening kunnen aanpassen zodra de vader eigen woonruimte heeft.
Het voorgaande maakt dat de draagkracht van de ouders in 2025 gezamenlijk € 1.606,- per maand bedraagt (€ 1.008,- + € 598,-). Dit is voldoende om in de behoefte van de kinderen in 2025 te voorzien. De rechtbank zal daarom een draagkrachtvergelijking maken waarbij de behoefte naar rato van ieders draagkracht zal worden verdeeld. Hiervoor gebruikt de rechtbank de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte.
Het eigen aandeel van de vader bedraagt: 598 / 1.606 x 1.587 = € 591,-
Het eigen aandeel van de moeder bedraagt: 1.008 / 1.606 x 1.587 = € 996,-
samen € 1.587,-
Van de totale behoefte van [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] komt in 2025 een gedeelte van € 591,- per maand, wat neerkomt op € 197,- per maand per kind voor rekening van de vader. Een gedeelte van € 996,- per maand, wat neerkomt op € 332,- per maand per kind komt voor rekening van de moeder.
Draagkracht moeder in 2026
Tussen partijen is in geschil of aan de moeder een verdiencapaciteit moet worden toegerekend. Hoewel het door de moeder overgelegde verslag van de HR-adviseur van het gesprek over de ziekmelding en re-integratie van de moeder dateert van augustus 2025, blijkt uit de door de moeder overgelegde salarisspecificaties dat zij in het kader van de Ziektewet nog altijd een basisuitkering ter hoogte van 70% van haar reguliere loon krijgt uitbetaald. Nu nog niet duidelijk is wanneer de moeder weer meer dan wel volledig kan gaan werken, zal de rechtbank niet vooruitlopen op de situatie en bij de berekening van de draagkracht van de moeder uitgaan van de salarisspecificaties die door haar zijn overgelegd.
Voor de bepaling van de draagkracht van de moeder gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 747,- bruto per week, exclusief vakantiegeld, De rechtbank gaat hierbij uit van de salarisspecificaties van januari en februari 2026.
Het kindgebonden budget moet volgens vaste rechtspraak bij het inkomen van de desbetreffende ouder die het ontvangt, worden opgeteld. De rechtbank berekent het kindgebonden budget aan de hand van bovenstaande inkomensgegevens.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen, berekent de rechtbank het NBI van de moeder in 2026 op € 4.009,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
Omdat het NBI van de moeder hoger is dan € 2.200,-, zal de rechtbank voor de berekening van haar draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + € 1.365,-)] gebruiken. In 2026 bedraagt de draagkracht van de moeder dan: 70% x [4.009 – (1.203 + 1.365)] = € 1.009,- per maand.
Draagkracht vader in 2026
Voor de bepaling van de draagkracht van de vader gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 770,- bruto per week, exclusief vakantiegeld. De rechtbank gaat hierbij uit van het cumulatieve loon voor heffingen dat blijkt uit de meest recente salarisstrook van week 12 van 2026, namelijk € 9.243,21, gedeeld door twaalf, om zo tot een gemiddeld weekloon te komen. Van dit loon zijn reeds de premie PAWW, de premie aanvullende verzekering Ziektewet premiegroep II A en de pensioenpremie afgetrokken.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen, berekent de rechtbank het NBI van de vader in 2026 op € 2.966,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
De vader heeft gesteld dat hij wekelijks € 50,- betaalt aan opleidingen en dat daarmee rekening dient te worden gehouden bij het bepalen van zijn draagkracht. Nu de moeder deze stelling niet heeft betwist en ook uit de salarisspecificaties van de vader blijkt dat hij € 50,- per week afdraagt ten behoeve van opleidingen, zal de rechtbank dit als aanvullende last van € 217 per maand meenemen bij het bepalen van de draagkracht van de vader.
Omdat het NBI van de vader ook hoger is dan € 2.200,-, zal de rechtbank voor de berekening van zijn draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + € 1.365,- + aanvullende lasten per maand)] gebruiken. In 2026 bedraagt de draagkracht van de vader dan: 70% x [2.966 – (890 + 1.365 + 217)] = € 346,- per maand.
De draagkracht van de ouders bedraagt in 2026 gezamenlijk € 1.355,- per maand (€ 1.009,- + € 346,-). Dit is onvoldoende om volledig in de behoefte van [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] te voorzien. Er is sprake van een tekort van € 232,- per maand.
Omdat ook in 2026 sprake is van een draagkrachttekort, zal de rechtbank voor deze periode eveneens ambtshalve onderzoeken of toepassing van de werkelijke woonlasten van de vader leidt tot een hogere bijdrage. Ook voor deze periode zal de rechtbank ervan uitgaan dat de vader geen woonlasten heeft. Daarbij verwijst de rechtbank naar hetgeen zij onder het kopje Draagkracht vader in 2025 heeft overwogen ten aanzien van de werkelijke woonlasten. Dat betekent dat de rechtbank in plaats van de eerdergenoemde formule, de volgende formule zal hanteren om de draagkracht van de vader te berekenen: 70% x [NBI – (1.365 + 217). De draagkracht van de vader bedraagt dan € 969,- per maand.
Het voorgaande maakt dat de draagkracht van de ouders in 2026 gezamenlijk € 1.978,- per maand bedraagt (€ 1.009,- + € 969,-). Dit is voldoende om in de behoefte van de kinderen in 2026 te voorzien. De rechtbank zal daarom een draagkrachtvergelijking maken waarbij de behoefte naar rato van ieders draagkracht zal worden verdeeld. Hiervoor gebruikt de rechtbank de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte.
Het eigen aandeel van de vader bedraagt: 969 / 1.978 x 1.659 = € 813,-
Het eigen aandeel van de moeder bedraagt: 1.009 / 1.978 x 1.659 = € 846,-
samen € 1.659,-
Van de totale behoefte van [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] komt in 2026 een gedeelte van € 813,- per maand, wat neerkomt op € 271,- per maand per kind, voor rekening van de vader. Een gedeelte van € 846,- per maand, wat neerkomt op € 332,- per maand per kind. komt voor rekening van de moeder.
Zorgkorting
Gelet op de tussen partijen overeengekomen zorgregeling, zal de rechtbank uitgaan van een zorgkorting van 15%. Dit komt neer op een bedrag van € 238,- per maand (15% van € 1.587,- (behoeftebedrag in 2025)) in 2025 en een bedrag van € 249,- per maand (15% van € 1.659,- (behoeftebedrag in 2026)) in 2026.
De zorgkorting strekt in mindering op de hiervoor berekende aandelen van de vader in de kosten van de kinderen. Dat betekent dat de door de vader te betalen bijdrage in 2025 € 354,- bedraagt (€ 591,- (aandeel vader) -/- € 237,- (zorgkorting 2025)), wat neerkomt op € 118,- per kind. De door de vader te betalen bijdrage in 2026 bedraagt € 564,- (€ 813,- (aandeel vader) -/- € 249,- (zorgkorting 2026)), wat neerkomt op € 188,- per kind.
Conclusie
Op grond van het voorgaande zal de rechtbank bepalen dat de vader voor de periode van 24 april 2025 tot en met 31 december 2025 een kinderalimentatie aan de moeder zal voldoen van € 354,- per maand. Met ingang van 1 januari 2026 bedraagt de kinderalimentatie die de vader aan de moeder dient te voldoen € 564,- per maand.
Kindbrief
De kinderrechter heeft haar beslissing zelf in een brief aan [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] uitgelegd. Hieronder volgt de tekst van die brief, zodat beide ouders weten welke boodschap de kinderen hebben ontvangen.
“Beste [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3],
Op 7 april heb ik met jullie alle drie gesproken. Jullie vertelden mij dat jullie je vader niet meer zien of spreken. [minderjarige 2] en [minderjarige 3], jullie vertelden dat jullie je vader missen en van hem houden. Jullie willen hem graag weer zien. [minderjarige 1], jij was daar iets neutraler in. Je vindt het eigenlijk allemaal wel goed, wat er ook gebeurt.
Een dag later heb ik met jullie moeder en jullie vader gesproken. Jullie moeder heeft verteld dat zij het belangrijk vindt dat jullie je vader zien. Dat vind ik ook. Jullie vader wil jullie zien, maar vindt het ook moeilijk om dat te regelen. Hij vertelde dat hij geen woning heeft. Hij logeert af en toe bij iemand, zoals bij jullie oma. Hij heeft ook werk. Op werkdagen weet hij niet hoe laat hij thuis is. Daardoor weet hij niet goed hoe hij het kan regelen dat jullie ook af en toe bij hem zijn.
Jullie ouders hebben met elkaar gesproken. Toen hebben zij afgesproken dat jullie om het weekend bij jullie vader zullen zijn. Dat is dan van zaterdag 10.00 uur tot zondag 19.30 uur. Jullie vader zal dan voor een slaapplek zorgen. Dat kan bij oma zijn, of bij jullie oom, of ergens anders.
Deze afspraak geldt totdat jullie vader een eigen woning heeft. Als hij die eenmaal heeft, zijn jullie daar van vrijdagmiddag tot maandagochtend. Het is heel moeilijk om een eigen woning te vinden. Dat kan dus nog even duren.
Over een tijdje is het zomervakantie. Dan zijn jullie zes weken vrij. Daarvan gaan jullie twee weken naar je vader. Jullie vader regelt ook dan een slaapplek. Misschien bij oma, of misschien huurt hij een vakantiehuisje, of blijven jullie ergens anders.
Ik hoop dat jullie het gezellig gaan hebben met je vader. Het kan natuurlijk best zijn dat jullie je moeder dan gaan missen. Dat is heel normaal. Jullie vader heeft gezegd dat jullie altijd met jullie moeder mogen bellen als jullie bij hem zijn. Hopelijk helpt dat dan een beetje.
Nou [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3], ik vond het heel leuk om met jullie gesproken te hebben, en ik wens jullie veel plezier met je vader!
Hartelijke groet,
De kinderrechter”
Beslissing
De rechtbank:
*
stelt de volgende verdeling van zorg- en opvoedingstaken vast, waarbij de minderjarigen:
bij de vader zullen:
dat de vakanties van een week, zoals de voorjaars- en/of herfstvakantie, om en om door een ouder worden verzorgd (bijvoorbeeld: herfstvakantie bij de vader, voorjaarsvakantie bij de moeder) en waarbij de verdeling jaarlijks wordt omgedraaid ten opzichte van het voorgaande jaar;
dat de vakanties van twee weken of meer bij helfte worden verdeeld, waarbij de kinderen de eerste helft van de vakantie bij de ene ouder verblijven en de andere helft van de vakantie bij de andere ouder en waarbij de volgorde jaarlijks wordt omgedraaid ten opzichte van het voorgaande jaar;
dat de reguliere zorgregeling doorloopt tijdens feestdagen en/of andere vrije dagen en dat de vakantieregeling geldt wanneer de feestdagen en/of andere vrije dagen in een vakantie vallen, met uitzondering van de kerstdagen, die in onderling overleg tussen de ouders worden verdeeld;
*
bepaalt dat [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] de hoofdverblijfplaats hebben bij de moeder;
*
bepaalt de door de vader met ingang van 24 april 2025 aan de moeder te betalen alimentatie voor [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] op € 118,- per maand per kind, en bepaalt de door de vader met ingang van 1 januari 2026 aan de moeder te betalen alimentatie voor [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] op € 188,- per maand per kind, vanaf vandaag telkens bij vooruitbetaling aan de moeder te voldoen;
*
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het meer of anders verzochte.