Voorlopige voorzieningen
Beschikking op het op 16 februari 2026 ingekomen verzoek van:
[de vrouw] ,
de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. G. Alkilic te Den Haag.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de man] ,
de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. S. Bhulai te Den Haag.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
Op 16 april 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
Feiten
- [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2018 te [geboorteplaats] .
Verzoek en verweer
Het verzoek van de vrouw strekt ertoe dat een door de man aan de vrouw te betalen voorlopige kinderalimentatie van € 197,- per maand wordt vastgesteld, met ingang van 1 april 2026, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, althans een bedrag dat de rechtbank juist acht.
De man voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Daarnaast verzoekt de man zelfstandig dat een door de man aan de vrouw te betalen voorlopige kinderalimentatie van € 97,- per maand wordt vastgesteld, met ingang van 1 april 2026, althans een zodanig bedrag en met ingang van zodanige datum als de rechtbank juist acht, een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De vrouw voert verweer tegen het zelfstandig verzoek van de man, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Beoordeling
Rechtsmacht en toepasselijk recht
De Nederlandse rechter komt rechtsmacht toe om de wederzijdse verzoeken te beoordelen. De rechtbank past in deze voorlopige voorzieningenprocedure Nederlands recht toe.
Inhoudelijke beoordeling
Bij de vaststelling van de kinderalimentatie en de berekening neemt de rechtbank de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie opgenomen in het Rapport Alimentatienormen 2026 (hierna: het rapport) als uitgangspunt. De rechtbank rondt hierna in haar berekening de bedragen telkens af op hele euro’s. De door de rechtbank gemaakte berekeningen worden aan deze beschikking gehecht.
- ingangsdatum
De rechtbank zal om proceseconomische redenen eerst de ingangsdatum van de kinderalimentatie vaststellen. De ingangsdatum is tussen partijen niet in geschil. Partijen zijn het erover eens dat als ingangsdatum 1 april 2026 geldt, zodat de rechtbank die datum als ingangsdatum zal hanteren.
- behoefte van [de minderjarige]
Om te berekenen welke bijdrage elk van de ouders moet leveren in de kosten van [de minderjarige] , moet eerst worden bepaald wat de kosten van [de minderjarige] zijn (de behoefte). De behoefte van [de minderjarige] is tussen partijen niet in geschil. Partijen zijn het erover eens dat de behoefte van [de minderjarige] in 2026 € 743,- per maand bedraagt, zodat de rechtbank die behoefte zal vaststellen.
- draagkracht man
Bij de berekening van de draagkracht van de man gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 34.394,- bruto per jaar, zoals is opgenomen als ‘fiscaal loon’ op de loonstrook van december 2025.
Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de volgende fiscale heffingskortingen:
Uitgaande van bovenstaande gegevens berekent de rechtbank het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de man in 2026 op € 2.532,-per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
Omdat het NBI van de man hoger is dan € 2.125,-, zal de rechtbank – conform de aanbevelingen van het rapport – voor de berekening van zijn draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 x NBI + € 1.365,-) gebruiken. De draagkracht van de man bedraagt dan in beginsel: 70% x [2.532 – (760 + 1.365)] = € 285,- per maand.
De man heeft nog een dochter voor wie hij onderhoudsplichtig is. Zijn dochter woont in Kaapverdië bij haar moeder. De man stelt dat hij maandelijks € 100,- bijdraagt om in het levensonderhoud van zijn dochter te voorzien. De vrouw voert verweer en stelt dat de man maandelijks € 75,- overmaakt om in het levensonderhoud van zijn dochter te voorzien.
De rechtbank overweegt als volgt. De man heeft op de zitting gezegd dat de bijdrage die hij maandelijks overboekt naar Kaapverdië het gezin van de moeder van zijn dochter ten goede komt. In dat kader gaat de rechtbank ervan uit dat de bijdrage die man maandelijks overmaakt aan de moeder van zijn dochter ook wordt gebruikt om in het levensonderhoud van de moeder en haar andere kind te voorzien. Gelet daarop ziet de rechtbank aanleiding om de draagkracht van de man te verlagen met een bedrag van € 75,- per maand. Hierdoor is er voor [de minderjarige] een draagkracht van € 210,- per maand beschikbaar.
- draagkracht vrouw
Bij de berekening van de draagkracht van de vrouw gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 38.357,- bruto per jaar, zoals is opgenomen als ‘fiscaal loon’ op de loonstrook van december 2025.
Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de volgende fiscale heffingskortingen:
Uitgaande van bovenstaande gegevens berekent de rechtbank het NBI van de vrouw in 2026 op € 3.427,-per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
Omdat het NBI van de vrouw hoger is dan € 2.125,-, zal de rechtbank voor de berekening van haar draagkracht eveneens de formule 70% x [NBI – (0,3 x NBI + € 1.365,-) gebruiken. De draagkracht van de vrouw bedraagt dan in beginsel: 70% x [3.427 – (1.028 + 1.365)] = € 724,- per maand.
De vrouw heeft nog een jongmeerderjarige dochter (hierna: de jongmeerderjarige). De vrouw stelt dat de jongmeerderjarige behoeftig is en dat de vader van de jongmeerderjarige geen bijdrage levert in haar levensonderhoud. Volgens de vrouw moet haar draagkracht dan ook evenredig worden verdeeld over [de minderjarige] en de jongmeerderjarige. De man voert verweer. Hij merkt op dat de jongmeerderjarige (gedeeltelijk) kan voorzien in haar eigen levensonderhoud doordat zij werkt en studiefinanciering ontvangt. Daarnaast heeft de vader van de jongmeerderjarige inmiddels een goede baan.
De rechtbank overweegt dat zij de behoefte van de jongmeerderjarige niet kan vaststellen, omdat zowel de inkomensgegevens van de jongmeerderjarige (bijbaan en studiefinanciering) als die van de vader van de jongmeerderjarige ontbreken. Wel is naar het oordeel van de rechtbank voldoende duidelijk geworden dat de vrouw een bijdrage levert in het levensonderhoud van de jongmeerderjarige. Omdat de jongmeerderjarige gedeeltelijk in haar eigen levensonderhoud kan voorzien met een bijbaan en studiefinanciering ziet de rechtbank aanleiding om de draagkracht van de vrouw met één derde te verlagen. Hierdoor is er voor [de minderjarige] een draagkracht van € 483,- per maand beschikbaar.
- gezamenlijke draagkracht
De draagkracht van partijen bedraagt gezamenlijk € 693,- per maand (€ 210 + € 483). Dit is onvoldoende om volledig in de behoefte van [de minderjarige] van € 743,- per maand te voorzien. De rechtbank komt daarom niet toe aan een draagkrachtvergelijking. Er is sprake van een tekort van € 50,- per maand.
- zorgkorting
Partijen zijn het erover eens dat een zorgkorting van 15% moet worden gehanteerd. De zorgkorting bedraagt dan in beginsel € 111,- per maand.
Omdat er sprake is van een tekort van € 50,- per maand wordt het tekort aan beide partijen voor de helft toegerekend. De helft van het tekort komt in mindering op de zorgkorting van de man. Dit betekent dat hij nog recht heeft op een zorgkorting van € 86,- per maand (€ 111 -/- € 25).
- conclusie
Uitgaande van bovenstaande zal de rechtbank de door de man, met ingang van 1 april 2026, aan de vrouw ten behoeve van [de minderjarige] te bepalen voorlopige kinderalimentatie bepalen op € 124,- per maand.
Het meer of anders verzochte ten aanzien van de kinderalimentatie zal de rechtbank afwijzen.
Beslissing
De rechtbank:
*
bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van 1 april 2026 voorlopig een kinderalimentatie ten behoeve van [de minderjarige] van € 124,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
*
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het meer of anders verzochte.