RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , [V-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.2978
(gemachtigde: mr. A. Agayev),
en
(gemachtigde: mr. J. Raaijmakers).
Procesverloop
Bij besluit van 13 januari 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 28 januari 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [tolk] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Beslissing
1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1984 en de Senegalese nationaliteit te hebben.
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft als zware gronden vermeld dat eiser:3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. Eiser betwist alle gronden die ten grondslag zijn gelegd aan de maatregel van bewaring.
4. Verweerder heeft ter zitting lichte grond 4a laten vallen.
5. Wat eiser heeft aangevoerd, geeft geen aanleiding de gronden van de maatregel van bewaring onvoldoende te achten. De rechtbank stelt vast dat zware grond 3a feitelijk juist is, nu eiser in juni 2024 Nederland is ingereisd zonder dat hij in het bezit was van de daarvoor vereiste reisdocumenten. Wat eiser daartegen heeft aangevoerd, namelijk dat verweerder zich baseert op een inreis uit het verleden, doet niet af aan de feitelijke juistheid. Ook zware grond 3b is feitelijk juist, omdat eiser eerder met onbekende bestemming (mob) is vertrokken. De stelling van eiser dat verweerder geen mob-melding uit het verleden aan de maatregel ten grondslag kan leggen, wordt niet gevolgd. De zware gronden 3a en 3b zijn voldoende om de maatregel van bewaring te dragen. Hieruit volgt het significante risico op onttrekking aan het toezicht. De overige gronden behoeven daarom geen bespreking meer.
6. Eiser voert aan dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel.
7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat niet is gebleken dat een lichter middel doeltreffend kon worden toegepast om het significante onttrekkingsrisico te ondervangen. Daarbij heeft verweerder terecht onder meer van belang geacht dat eiser eerder met onbekende bestemming is vertrokken. Verder heeft eiser geen persoonlijke omstandigheden naar voren gebracht die maken dat de maatregel van bewaring onevenredig bezwarend is voor hem.
8. Eiser voert verder aan dat verweerder niet voldoende voortvarend handelt.
9. Eiser wordt hierin niet gevolgd. Uit het dossier blijkt dat op 22 januari 2026 de asielaanvraag van eiser niet in behandeling is genomen en een overdrachtsbesluit is genomen. Diezelfde dag is voor eiser een vlucht aangevraagd naar Spanje. Deze vlucht zou op 2 februari 2026 plaatsvinden. Op 27 januari 2026 is echter een nieuwe vlucht aangevraagd voor 29 januari 2026. Hiermee heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank voldoende voortvarend gewerkt aan de overdracht van eiser.
10. Ook overigens is niet gebleken dat de maatregel van bewaring tot aan het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig is geweest.
11. Het beroep is ongegrond.
12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan op 29 januari 2026 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.