ECLI:NL:RBDHA:2026:15368

ECLI:NL:RBDHA:2026:15368

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 13-05-2026
Datum publicatie 08-06-2026
Zaaknummer 09/334836-21 en 09/310260-23 (ttz. gev.)
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Geen bewijsuitsluiting AnoM-chats; veroordeling voor medeplegen van cocaïnebezit, medeplegen van voorbereidingshandelingen in de zin van de Opiumwet, het medeplegen van het voorbereiden van een ontploffing en medeplichtigheid aan twee ontploffingen. Gevangenisstraf van vier jaar.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummers: 09/334836-21 en 09/310260-23 (ttz. gev.)

Datum uitspraak: 13 mei 2026

Tegenspraak

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1981 te [geboorteplaats] ,

BRP-adres: [adres 1] .

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het (pro forma) onderzoek in de zaak met parketnummer 09/334836-21 is gehouden op de terechtzittingen van 18 maart 2022, 15 juni 2022, 25 augustus 2022, 22 november 2022, 14 november 2023, 9 oktober 2024, en op 15 april 2026 heeft de inhoudelijke behandeling plaatsgevonden in zowel de zaak met parketnummer 09/334836-21 als de zaak met parketnummer 09/310260-23. Op 13 mei 2026 is het onderzoek ter terechtzitting gesloten.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. E.J. van Drongelen en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw mr. T. Arkesteijn naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Tegen de verdachte zijn twee dagvaardingen uitgebracht, te weten onder parketnummer 09/334836-21 (hierna: dagvaarding I) en onder parketnummer 09/310260-23 (hierna: dagvaarding II), waarin is vermeld wat hem ten laste is gelegd. De tenlastelegging bij dagvaarding I is op de terechtzitting van 9 oktober 2024 gewijzigd.

De tekst van de (gewijzigde) tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking in dagvaarding I komt er – kort gezegd – op neer dat de verdachte onderstaande feiten heeft begaan:

1. het medeplegen van drugshandel in de periode van 1 februari 2021 tot en met 7 juni 2021, terwijl nog geen vijf jaar zijn verstreken sinds een eerder opgelegde gevangenisstraf voor een soortgelijk feit;

2. het medeplegen van voorbereidingshandelingen in de zin van de Opiumwet in de periode van 1 februari 2021 tot en met 7 juni 2021, terwijl nog geen vijf jaar zijn verstreken sinds een eerder opgelegde gevangenisstraf voor een soortgelijk feit;

3. het medeplegen van het voorbereiden van brandstichting of ontploffing in de periode van 13 april 2021 tot en met 28 juni 2021;

4. het voorhanden hebben van een vuurwapen op 14 december 2021.

De verdenking in dagvaarding II komt er – kort gezegd – op neer dat de verdachte onderstaande feiten heeft begaan:

1. het medeplegen van het teweegbrengen van een ontploffing op 1 juni 2021, subsidiair het – in de periode van 13 april 2021 tot en met 1 juni 2021 – medeplichtig zijn aan het teweegbrengen van een ontploffing op 1 juni 2021;

2. het medeplegen van het teweegbrengen van een ontploffing op 28 juni 2021, subsidiair het – in de periode van 13 april 2021 tot en met 1 juni 2021 – medeplichtig zijn aan het teweegbrengen van een ontploffing op 28 juni 2021.

3. De geldigheid van de dagvaarding

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich – op gronden zoals verwoord in haar pleitnota – op het standpunt gesteld dat dagvaarding I ten aanzien van feit 1 en feit 2 partieel nietig is, omdat de tenlastelegging onvoldoende duidelijk is.

Daarnaast heeft de raadsvrouw betoogd dat ook dagvaarding II partieel nietig is.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de tenlasteleggingen

voldoende duidelijk zijn.

Het oordeel van de rechtbank

Een dagvaarding moet een opgave inhouden van het tenlastegelegde feit en die opgave moet voldoende feitelijk en voldoende duidelijk zijn, zodat de verdachte weet wat hem verweten wordt (artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering). Of daaraan is voldaan, hangt niet alleen af van de bewoordingen waarin de tenlastelegging is gesteld maar ook het dossier waarop zij is gebaseerd.

Naar het oordeel van de rechtbank behelst de tenlastelegging, zowel in dagvaarding I als in dagvaarding II, bezien in het licht van de inhoud van het dossier, een voldoende duidelijke en voldoende feitelijke opgave van de feiten. Het moet voor de verdachte duidelijk zijn wat hem wordt verweten en tegen welke beschuldiging hij zich dient te verdedigen mede gelet op het onderliggende dossier waar de beschuldigingen op zijn gebaseerd. Daarnaast blijkt uit het pleidooi van de raadsvrouw evenmin dat er onduidelijkheid bestaat over hetgeen waartegen de verdachte zich moet verdedigen. Het verweer wordt verworpen.

3. De bewijsbeslissing

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich ten aanzien van dagvaarding I op het standpunt gesteld dat feit 1, feit 2 en feit 3 wettig en overtuigend kunnen worden bewezen. Ten aanzien van feit 4 heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken.

Ten aanzien van dagvaarding II heeft de officier van justitie gerekwireerd tot een bewezenverklaring van beide feiten.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich – op gronden zoals verwoord in haar pleitnota – namens de verdachte op het standpunt gesteld dat de verdachte integraal moet worden vrijgesproken.

Op specifieke standpunten van de verdediging zal de rechtbank – voor zover van belang – hierna ingaan.

Vrijspraak dagvaarding I, feit 4 (wapenbezit)

De rechtbank is, met de officier van justitie en de raadsvrouw, met betrekking tot het bij dagvaarding I onder 4 ten laste gelegde feit van oordeel dat dit feit niet wettig en overtuigend is bewezen. Naar het oordeel van de rechtbank kan op grond van het dossier niet met zekerheid worden vastgesteld dat de verdachte (als enige) over het wapen kon beschikken. Het wapen is immers aangetroffen op een locatie waartoe meerdere personen toegang hadden. Voorts zijn op het wapen geen dactyloscopische sporen aangetroffen en is evenmin DNA-materiaal van de verdachte aangetroffen. Dit leidt tot de conclusie dat de verdachte van dat feit moet worden vrijgesproken.

Gebruikte bewijsmiddelen

De rechtbank heeft in de bijlage opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.

Bewijsoverwegingen

Bewijsuitsluiting?

De verdediging heeft zich op het stand punt gesteld dat sprake dient te zijn van bewijsuitsluiting. De verdenkingen zijn allemaal het gevolg van de AnoM-berichten en deze AnoM-berichten dienen wat de verdediging betreft van het bewijs te worden uitgesloten. Daartoe voert de verdediging aan dat het AnoM-bewijs onrechtmatig is verkregen. Er is volgens de verdediging sprake van een niet-integere wijze van overheidsoptreden zoals misleiding, doelbewust handelen buiten de waarborgen van de wet om en het recht op een eerlijk proces is geschonden. Ter onderbouwing heeft de verdediging een groot aantal stukken overgelegd waaruit, naar de mening van de verdediging, blijkt dat Litouwse rechters bewust en doelgericht door de opsporingsautoriteiten zijn misleid. Relevante feiten met betrekking tot de achtergrond van de opsporingsmaatregel (AnoM-server) zijn achtergehouden en aan de Litouwse onderzoeksrechter is opzettelijk een onvolledige en onjuiste toedracht voorgelegd. Verzoeken om rechtshulp zijn zodanig vorm gegeven dat de Litouwse rechtbank een dergelijk besluit uitvaardigde. Dit terwijl, zo stelt de verdediging, als deze autoriteiten op het moment van het uitvaardigen van de betreffende besluiten wél op de hoogte waren geweest van de werkelijke omstandigheden, zij deze niet zouden hebben uitgevaardigd. De verdediging acht sprake van schending van artikel 6 van het EVRM. Daartoe wijst de verdediging op het arrest van het EHRM in de zaak Ramanauskas tegen Litouwen (nr. 74420/01). Daaruit blijkt volgens de verdediging dat als de beweringen van de verdediging niet volledig onwaarschijnlijk zijn, het aan het openbaar ministerie is om aan te tonen dat er géén sprake is van schending van het recht op een eerlijk proces. De verdediging concludeert dat op basis van de nu beschikbare informatie over de toedracht, er sprake is van ernstige schendingen van het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM, artikel 47, lid 2, Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en van de openbare orde. Dit dient te leiden tot een verbod op het gebruik van bewijsmateriaal.

Het openbaar ministerie bestrijdt dat sprake is geweest van schending van fundamentele rechten.

De rechtbank overweegt als volgt. De rechtbank stelt op basis van het dossier vast dat de AnoM-operatie heeft plaatsgevonden op initiatief en onder verantwoordelijkheid van de FBI, zijnde een federale instelling voor wetshandhaving in de Verenigde Staten, en daarmee dus onder verantwoordelijkheid van de Amerikaanse autoriteiten. Dit maakt dat de rechtbank van oordeel is dat de data onder verantwoordelijkheid van de Amerikaanse autoriteiten is verkregen. Daarnaast was Litouwen betrokken. De in onderhavig dossier betrokken data is verstrekt door de Amerikaanse autoriteiten.

Het door de Hoge Raad neergelegde toetsingskader geeft aan dat het niet tot de taak van Nederlandse strafrechter behoort om te toetsen of de wijze waarop het onderzoek onder verantwoordelijkheid van de buitenlandse autoriteiten is uitgevoerd, strookt met de rechtsregels die gelden in het betreffende land voor het uitvoeren van dat onderzoek. Zou de Nederlandse strafrechter wel tot zo’n toetsing overgaan, dan levert dat een aantasting op van de soevereiniteit van dat land. Daarnaast geldt dat, voor zover bij het verrichten van het onderzoek onder de verantwoordelijkheid van de buitenlandse autoriteiten sprake zou zijn van schending van enig recht dat wordt gewaarborgd door het EVRM, de verdachte het recht heeft op een daadwerkelijk rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 EVRM voor een instantie van het betreffende land. Om deze redenen worden de beslissingen van de buitenlandse autoriteiten die aan het verrichte onderzoek ten grondslag liggen, gerespecteerd en wordt ervan uitgegaan dat het onderzoek rechtmatig is verricht. Dat is uitsluitend anders als in het betreffende land onherroepelijk is komen vast te staan dat het onderzoek niet in overeenstemming met de daarvoor geldende rechtsregels is verricht. In dat geval beoordeelt de Nederlandse strafrechter – aan de hand van de in artikel 359a lid 2 Sv genoemde beoordelingsfactoren, waaronder het belang van het geschonden voorschrift en het concreet voor de verdachte en ook na aanwending van het rechtsmiddel in het betreffende buitenland nog resterende nadeel – of die onherroepelijke vaststelling aanleiding geeft tot het verbinden van een rechtsgevolg aan het betreffende verzuim.

Waar het gaat om het recht van de verdachte op een eerlijk proces, zoals dat wordt gewaarborgd door artikel 6 EVRM, is volgens de Hoge Raad het volgende van belang. Uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de rechten van de mens (hierna: EHRM) volgt dat het EVRM op zichzelf niet eraan in de weg staat dat in een strafzaak gebruik wordt gemaakt van de resultaten van in het buitenland verricht onderzoek, maar dat het gebruik van dergelijke resultaten voor het bewijs niet in strijd mag komen met het recht op een eerlijk proces dat door artikel 6 EVRM wordt gewaarborgd. Ook als van de resultaten van het onder verantwoordelijkheid van buitenlandse autoriteiten verrichte onderzoek in de strafzaak tegen de verdachte gebruik wordt gemaakt voor het bewijs, moet de rechter de ‘overall fairness’ van die strafzaak waarborgen. Dat betekent dat de rechter alleen aandacht besteedt aan de wijze waarop die resultaten zijn verkregen, als die wijze van verkrijging van belang is voor de beoordeling of het gebruik voor het bewijs van de resultaten in overeenstemming is met het recht op een eerlijk proces.

Hoewel de Verenigde Staten niet zijn toegetreden tot het EVRM ziet de rechtbank redenen het door de Hoge Raad aangereikte toetsingskader toe te passen, immers zijn de Verenigde Staten wel verdragspartij bij het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (hierna: IVBPR). Dat verdrag garandeert op eenzelfde wijze de mensenrechten die hier relevant zijn, in het bijzonder ook het recht op privacy en de toegang tot een onafhankelijke rechter.

Het bewijsuitsluitingsverweer van de verdediging berust voornamelijk, zo begrijpt de rechtbank, op de stelling van de verdediging dat er door de FBI en anderen gehandeld is in strijd met het recht op een eerlijk proces. Bij de (manier van) vergaring van de AnoM-data is sprake geweest van een situatie vergelijkbaar met een ‘uitlokking’ (‘evidence obtained as a result of police incitement’) als bedoeld in het arrest Ramanauskas tegen Litouwen. De verdediging stelt dit voldoende te hebben aangetoond.

Naar het oordeel van de rechtbank is het verzoek van de verdediging onvoldoende onderbouwd. De door de verdediging overgelegde stukken waaruit zou moeten blijken dat de autoriteiten in Litouwen zouden zijn misleid bij het opzetten van de AnoM-server en waaruit ook zou moeten blijken dat deze autoriteiten, indien zij volledig op de hoogte zou zijn geweest, anders zouden hebben beslist, betreffen steeds communicatie tussen overheidsinstanties onderling. Reeds op grond daarvan kunnen zij niet de conclusie dragen dat er sprake is geweest van uitlokking van de verdachte. Voor zover beoogd wordt te stellen dat de gehele opzet van de server zag op ‘uitlokking’ van de verdachte overweegt de rechtbank dat de overgelegde stukken ook die conclusie niet kunnen dragen. Immers, verdachte heeft, gelet op het dossier, vrijwillig een AnoM telefoon aangeschaft en heeft vrijwillig deelgenomen aan het AnoM-berichtenverkeer.

Daarmee is er geen aanleiding om het interstatelijk vertrouwensbeginsel opzij te zetten.

Uitgangspunt dient daarmee te zijn dat de betrokken AnoM-data rechtmatig is verkregen en verwerkt. De rechtbank verwerpt derhalve het verweer.

Algemene bewijsoverweging

Identificatie

De voornaamste bewijsmiddelen in deze zaak vormen chatgesprekken die zijn gevoerd via een AnoM account met user-id ‘ [gebruikers-id] ’ en username ‘ [gebruikersnaam] ’. De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat de verdachte de gebruiker is geweest van dit AnoM account.

In het verlengde hiervan concludeert de rechtbank dat de chatgesprekken die zijn weergegeven in de bewijsmiddelen onder de naam [gebruikersnaam] door de verdachte zijn gevoerd.

Bewijsoverweging ten aanzien van dagvaarding I, feiten 1 en 2

De rechtbank moet de vraag beantwoorden of de verdachte in de periode van 1 februari 2021 tot en met 7 juni 2021 cocaïne heeft verkocht en/of voorhanden heeft gehad, en of hij in die periode voorbereidingshandelingen in de zin van de Opiumwet heeft gepleegd.

Chatgesprekken over drugs

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte gesprekken heeft gevoerd met anderen over drugs. Zo wordt onder andere gesproken over 40 kilo drugs, tokens, het testen van drugs, voorraden en de kwaliteit en prijs van drugs. Meer specifiek wordt gesproken over het verkopen van “fenix”, terwijl eveneens uit het dossier is gebleken dat er 40 (geripte) blokken cocaïne met als opdruk “Fenix” in omloop zijn. Daarnaast is uit de chatgesprekken gebleken dat de verdachte als tussenpersoon afspraken maakte om drugs op te halen/te verhandelen, waaronder het transport van 40 blokken cocaïne naar een locatie in Vianen op 12 april 2021, een dag voor de diefstal van dezelfde hoeveelheid drugs.

Verder blijkt uit de chatberichten dat de verdachte in diezelfde periode chatgesprekken heeft gevoerd over het vervoeren van cocaïne in een aggregaat naar het Verenigd Koninkrijk.

De rechtbank is van oordeel dat uit de chatberichten blijkt dat de verdachte de beschikking heeft gehad over een hoeveelheid cocaïne. De rechtbank stelt op basis van de beschrijving van de foto’s van de blokken – witte rechthoekige blokken met opdruk “fenix” – en de inhoud van de in de bewijsmiddelen genoemde chatgesprekken – in het bijzonder de prijzen die worden genoemd die passen bij een gangbare kiloprijs van € 25.000 tot € 27.000 voor cocaïne – vast dat het gaat om cocaïne. Aan het voorgaande doet naar het oordeel van de rechtbank niet af dat de cocaïne niet fysiek aangetroffen is. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat de verdachte voorbereidingshandelingen heeft gepleegd om een hoeveelheid cocaïne buiten het grondgebied van Nederland te vervoeren.

De rechtbank overweegt ten aanzien van de pleegperiode dat uit de AnoM-chats volgt dat de verdachte vanaf 13 februari 2021 zich bezighield met de handel in drugs zoals MDMA en amfetamine, zijnde verdovingsmiddelen genoemd in Lijst I van de Opiumwet. Gelet hierop acht de rechtbank een pleegperiode vanaf 13 februari 2021 ten aanzien van de onder 2 van dagvaarding I ten laste gelegde voorbereidingshandelingen wettig en overtuigd bewezen. Uit de chats volgt verder dat de verdachte in ieder geval vanaf 23 februari 2021 zich ook bezighield met cocaïnehandel. De rechtbank acht daarom voor wat betreft de onder 1 van dagvaarding I ten laste gelegde handel in cocaïne een pleegperiode vanaf 23 februari 2021 wettig en overtuigend bewezen.

De laatste chatberichten van de verdachte die op activiteiten rondom drugshandel betrekking hebben, dateren van 13 april 2021, te weten de datum van de hiervoor genoemde diefstal van de partij met 40 blokken. Onder deze omstandigheden acht de rechtbank de pleegperiode tot en met 13 april 2021 voor zowel feit 1 als feit 2 van dagvaarding I wettig en overtuigend bewezen. Voor een langere pleegperiode is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende bewijs.

Medeplegen

Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank daarnaast af dat de verdachte in de hiervoor genoemde periode veelvuldig contact heeft gehad met anderen over drugs(handel), en dat hij betrokken was bij de (uitvoering van) concrete plannen over de uitvoer en in- en verkoop van drugs. Zo wordt in de chatberichten gesproken over de verkoop van drugs, prijzen, kilo’s, een stashplek, welke voorraden er nog zijn en over de kwaliteit. Daarnaast leidt de rechtbank uit de bewijsmiddelen af dat de verdachte als een tussenpersoon heeft gehandeld om drugs te verkopen, te testen, op te halen of te vervoeren. Uit de chatberichten en de daarin uitgewisselde foto’s van onder andere blokken wit poeder blijkt immers ondubbelzinnig dat de verdachte veelvuldig instructies ontving voor onder andere het regelen van drugstransporten en dat hij vervolgens andere personen aanstuurde voor die transporten en inlichtingen daarover verstrekte. Op grond van het voorgaande oordeelt de rechtbank dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en anderen, die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering van de handel in drugs. Daarmee acht de rechtbank het ten laste gelegde medeplegen bewezen.

Recidive als verzwaringsgrond

Van recidive als bedoeld in artikel 43a van het Wetboek van Strafrecht is sprake wanneer het delict is gepleegd binnen vijf jaar nadat de veroordeling wegens het eerdere soortgelijke misdrijf in kracht van gewijsde is gegaan. Uit het strafblad van de verdachte blijkt dat hij op 20 mei 2016 door het Gerechtshof Den Haag is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor overtreding van de Opiumwet – een soortgelijk feit – en dat die veroordeling op 4 juni 2016 onherroepelijk is geworden. De rechtbank constateert dat de onderhavige bewezenverklaarde feiten zijn gepleegd binnen vijf jaar sinds deze eerdere veroordeling.

De rechtbank verklaart de in de tenlastelegging opgenomen recidive als verzwaringsgrond wettig en overtuigend bewezen.

Conclusie ten aanzien van dagvaarding I, feiten 1 en 2

De rechtbank verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte als medepleger in cocaïne heeft gehandeld en voorbereidingshandelingen voor de verkoop van cocaïne en andere soorten drugs vermeld op Lijst I van de Opiumwet heeft verricht, en dat ten aanzien van beide feiten sprake was van recidive zoals bedoeld in artikel 43a van het Wetboek van Strafrecht.

Bewijsoverweging ten aanzien van dagvaarding I, feit 3 en dagvaarding II, feiten 1 en 2

De rechtbank dient vervolgens de vraag te beantwoorden of de verdachte samen met anderen voorbereidingshandelingen heeft gepleegd voor het teweegbrengen van een explosie (dagvaarding I, feit 3). Daarnaast dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of de verdachte als medepleger of als medeplichtige betrokken is geweest bij de ontploffingen aan de [adres 2] op [datum 1] 2021, en aan de [adres 3] op [datum 2] 2021 (dagvaarding II, feiten 1 en 2).

Uit de hiervoor genoemde ANoM chatberichten blijkt dat in de periode na 13 april 2021 de verdachte met anderen op zoek was naar degene die de hiervoor genoemde partij cocaïne heeft gestolen. Nadat hen bekend was geworden dat dit [naam 1] zou zijn geweest, werden door mede de verdachte in mei 2021 gesprekken gevoerd over het regelen van explosieven om deze persoon onder druk te zetten om te betalen. In die gesprekken heeft de verdachte het over ‘appels’ en ‘taarten’. Hij informeerde anderen dat hij de taarten morgen heeft, dat de taart klaar is en dat de taarten 1,5 k kosten. De verdachte stuurde dat hij het adres nog zal sturen en dat hij een tijd zal doorgeven. De rechtbank leidt hieruit af dat een ander kennelijk de taarten moest ophalen. Ook blijkt uit de chats dat de taarten zijn bedoeld ‘voor die gast van 40’, en dat de taarten naar binnen moeten worden gegooid bij de familie van [naam 1] die als ‘kampers’ worden aangeduid. De rechtbank leidt uit de wijze waarop over taarten en appels wordt gesproken alsmede uit de prijs die ervoor wordt betaald af dat met taarten en appels explosieven en/of handgranaten worden bedoeld, en dat deze bedoeld waren om [naam 1] onder druk te zetten om te betalen voor de gestolen drugs. Uit het dossier blijkt verder dat op [datum 1] 2021 en op [datum 2] 2021 daadwerkelijk explosies hebben plaatsgevonden en dat deze explosies verband hielden met de ripdeal van 40 kilo cocaïne. De explosies hebben namelijk plaatsgevonden bij de woning van de vriendin en de kinderen van [naam 1] in [plaats 1] en bij de woonwagen van de moeder van [naam 1] in [plaats 2] .

De rechtbank acht op grond van de bewijsmiddelen – in samenhang bezien – af dat de verdachte explosieven en flitspoeder heeft verworven, zoals ten laste gelegd bij dagvaarding I, feit 3. De verdachte zal partieel worden vrijgesproken ten aanzien van het aanwezig hebben van een telefoon en de chatgesprekken, nu niet gebleken is dat deze zaken bestemd zijn tot het teweegbrengen van een ontploffing.

Medeplegen voorbereiding explosies

Uit de bewijsmiddelen blijkt daarnaast dat de verdachte met meerdere mensen heeft samengewerkt om de explosieven te regelen. Zo wordt een tijd afgesproken en wordt een adres doorgegeven waar de ‘taarten’ kunnen worden afgehaald, waarna een ander deze kennelijk kan ophalen. Op grond van het voorgaande oordeelt de rechtbank dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en zijn contactpersonen die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering waarbij de verdachte zich bezighield met de aankoop en het verschaffen van de explosieven. Daarmee acht de rechtbank het ten laste gelegde medeplegen bewezen.

Medeplichtigheid aan het teweegbrengen van explosies

Daarnaast blijkt uit de bewijsmiddelen dat de verdachte actief op zoek is geweest naar de persoon die verantwoordelijk werd gehouden voor de ripdeal van 40 kilo cocaïne. Zo blijkt onder meer uit de chatberichten dat de verdachte een foto van ‘die hond’ door Utrecht heeft gestuurd en dat hij ‘opsporing heeft gedaan’. Verder wordt in de chats gesproken over adressen, ‘actie ondernemen’ en ‘korte metten maken’, telkens in verband met de geripte lading cocaïne. De rechtbank leidt hieruit af dat de verdachte niet alleen de explosieven heeft verworven, maar dat hij dit deed met de bedoeling om de explosies bij de familie van [naam 1] teweeg te brengen. De rechtbank is van oordeel dat de verdachte door informatie te vergaren en uit te wisselen en explosieven te regelen opzettelijk behulpzaam is geweest bij de ontploffingen die op 1 juni 2021 en 28 juni 2021 hebben plaatsgevonden. De rechtbank acht daarom de ten laste gelegde medeplichtigheid aan het teweegbrengen van de explosies wettig en overtuigend bewezen, zoals tenlastegelegd bij dagvaarding II, feiten 1 en 2.

Conclusie ten aanzien van dagvaarding I, feit 3 en dagvaarding II, feiten 1 en 2

De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte als medepleger voorbereidingshandelingen heeft verricht voor het teweegbrengen van een ontploffing. Daarnaast acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte medeplichtig is geweest aan het teweegbrengen van twee ontploffingen.

De bewezenverklaring

De rechtbank is met betrekking tot de onder dagvaarding I, feiten 1, 2 en 3 en onder dagvaarding II, feiten 1 en 2 ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:

Dagvaarding met parketnummer 09/334836-21:

1.

hij in de periode van 23 februari 2021 tot en met 13 april 2021 te Dordrecht, althans (elders) in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, terwijl tijdens het plegen van het misdrijf nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een vroegere veroordeling tot gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk

misdrijf in kracht van gewijsde is gegaan;

2.

hij in of omstreeks de periode van 13 februari 2021 tot en met 13 april 2021 te Dordrecht, althans (elders) in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten

- het opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland brengen,

- het opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren, en/of

- het opzettelijk vervaardigen

van hoeveelheden van (een) middel(en) vermeld op lijst I, opzettelijk middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen, te weten door

- een testpersoon te regelen en/of zelf de drugs te testen,

- een of meerdere transporten en/of locaties te regelen,

- een of meerdere vouchers en/of overdrachtsbewijzen te verschaffen en/of te regelen,

- als tussenpersoon te fungeren voor de overdacht en/of leveringen van drugs en/of cocaïne en/of

- een of meerdere gesprekken heeft gevoerd en inlichtingen uitgewisseld over de levering, prijs, hoeveelheid, beschikbaarheid en/of samenstelling van cocaïne,

terwijl tijdens het plegen van het misdrijf nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert

een vroegere veroordeling tot gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk

misdrijf in kracht van gewijsde is gegaan;

3.

hij in of omstreeks de periode van 13 april 2021 tot en met 28 juni 2021 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, ter voorbereiding van het misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten het teweeg brengen van een ontploffing waarbij gemene gevaar voor goederen en levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor één of meerdere anderen te duchten is, te weten artikel 157 Wetboek van Strafrecht, opzettelijk, voorwerpen en stoffen, te weten:

- een of meerdere explosieven, en/of

- flitspoeder,

bestemd tot het begaan van dat misdrijf, heeft verworven en voorhanden heeft gehad;

Dagvaarding met parketnummer 09/310260-23

1

een of meer onbekend gebleven personen op [datum 1] 2021 te [adres 2] , tezamen en in vereniging, althans alleen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft/hebben gebracht door een metalen platte bak met 100 gram flitspoeder, zijnde een geïmproviseerde explosieve constructie, te ontsteken, terwijl daarvan

- gemeen gevaar voor goederen, te weten de deur en ramen en de woning aan de Stoelmatter en in de woning aanwezige goederen en

- levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten de bewoners en aanwezigen in de voornoemde woning, waaronder [naam 2] en haar kinderen ( [naam 3] , [naam 4] , [naam 5] en [naam 6] ) te duchten was, bij het plegen van welk misdrijf verdachte op een of meer tijdstippen in de periode van 13 april 2021 tot en met 1 juni 2021 in Nederland, opzettelijk behulpzaam is geweest en opzettelijk middelen en inlichtingen heeft verschaft, door:

- de personen die de 40 kilo cocaïne (drugs) zouden hebben gestolen/geript op te sporen,

- informatie te verzamen en te verspreiden van degene die de 40 kilo cocaïne (drugs) zouden hebben gestolen/geript,

- één of meerdere (onderdelen van) explosieven te regelen en/of te verkrijgen, en/of

- één of meerdere (onderdelen van) explosieven te verstrekken;

2

een of meer onbekend gebleven personen op 28 juni 2021 te [adres 3] , tezamen en in vereniging, althans alleen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door een improvised explosive device, geïmproviseerd explosief, te ontsteken en/of af te steken, terwijl daarvan

- gemeen gevaar voor goederen, te weten de erker en de ramen en de woning en stacaravan aan de Handelsweg en/of in de woning/stacaravan aanwezige goederen en

- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten de bewoners en/of aanwezigen in de voornoemde woning/stacaravan, waaronder mevrouw [naam 7] en [naam 1] , te duchten was,

bij het plegen van welk misdrijf verdachte op een of meer tijdstippen in de periode van 13 april 2021 tot en met 28 juni 2021 in Nederland, opzettelijk behulpzaam is geweest en opzettelijk middelen en inlichtingen heeft verschaft, door:

- de personen die de 40 kilo cocaïne (drugs) zouden hebben gestolen/geript op te sporen,

- informatie te verzamen en te verspreiden van degene die de 40 kilo cocaïne (drugs) zouden hebben gestolen/geript,

- één of meerdere (onderdelen van) explosieven te regelen en/of te verkrijgen, en/of

- één of meerdere (onderdelen van) explosieven te verstrekken.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5. De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6. De strafoplegging

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaar.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft de rechtbank verzocht om in het voordeel van de verdachte rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn.

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Ernst van de feiten

De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan het aanwezig hebben van onder andere cocaïne en de voorbereidingshandelingen voor de verkoop en levering daarvan.

Harddrugs zijn voor de volksgezondheid zeer schadelijk en de handel daarin gaat gepaard met ondermijnende criminaliteit, waarbij geweld en andere vormen van criminaliteit niet worden geschuwd. Door zijn handelen heeft verdachte harddrugs in omloop gebracht en bijgedragen aan het in stand houden van het schadelijke circuit. De kans op geweld bij drugshandel is niet alleen reëel, maar heeft in deze zaak ook daadwerkelijk plaatsgevonden in de vorm van explosies bij een woning en een woonwagen. De verdachte heeft voorbereidingshandelingen getroffen voor het teweegbrengen van deze ontploffingen en is daar ook behulpzaam bij geweest. Dergelijke feiten veroorzaken niet alleen grote materiële schade, maar brengen ook ernstige risico’s voor de veiligheid van personen met zich en dragen bij aan gevoelens van onveiligheid in de samenleving. Het gebruik van explosieven in een criminele context wordt door de rechtbank als bijzonder zorgwekkend beschouwd.

De rechtbank rekent het de verdachte zwaar aan dat hij kennelijk enkel oog heeft gehad voor zijn eigen gewin en zich niets heeft aangetrokken van de mogelijke gevolgen voor anderen. De verdachte heeft geen verantwoordelijkheid genomen voor zijn daden.

Strafblad

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 23 juli 2024. Daaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Ook was nog geen vijf jaar na het onherroepelijk worden van de eerdere veroordeling verstreken. De rechtbank weegt deze omstandigheid met inachtneming van artikel 43a van het Wetboek van Strafrecht in strafverzwarende zin mee. Ook eerder, langer dan vijf jaar geleden, heeft de verdachte zich meermalen schuldig gemaakt aan ernstige strafbare feiten, waaronder vermogensdelicten, ook met geweld.

De op te leggen straf

Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt.

De rechtbank constateert dat de redelijke termijn is overschreden maar weegt dit niet mee bij de op te leggen straf. De rechtbank acht een gevangenisstraf voor de duur van vier jaar, met aftrek van de tijd die de verdachte al in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, passend en geboden.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.

7. De voorlopige hechtenis

De verdachte is bij beslissing van deze rechtbank van 8 december 2022 geschorst uit de voorlopige hechtenis opdat een – in een andere strafzaak – opgelegde straf geëxecuteerd kon worden.

Bij beslissing van 14 september 2023 heeft de rechtbank bepaald dat de schorsing van de voorlopige hechtenis moet voortduren tot aan de einduitspraak in de onderhavige strafzaak.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de schorsing van de voorlopige hechtenis na de einduitspraak niet moet voortduren.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat het bevel tot voorlopige hechtenis moet worden opgeheven. Subsidiair heeft zij verzocht om de voorlopige hechtenis te schorsen.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft de voorlopige hechtenis geschorst tot aan het moment van de einduitspraak. Dit betekent dat de schorsing vandaag eindigt. Bij vonnis van heden is de verdachte schuldig bevonden aan ernstige strafbare feiten en veroordeeld tot een gevangenisstraf die van langere duur dan hij reeds in voorarrest heeft doorgebracht. Als een veroordeling is uitgesproken en een straf is bepaald, mag de samenleving in het kader van een goede rechtspleging verwachten dat die gemotiveerde straf direct ten uitvoer wordt gelegd. De rechter heeft zich immers uitgesproken en bepaald dat het gedrag van de verdachte een straf wenselijk en noodzakelijk maakt. Een hernieuwde schorsing door dezelfde rechter die op het moment van schorsing nadrukkelijk heeft aangegeven dat die tijdelijk was, immers tot het moment waarop vonnis in eerste aanleg wordt gewezen, is dan ook niet uit te leggen aan de maatschappij, behoudens in bijzondere gevallen. Een dergelijk bijzonder geval doet zich hier niet voor. De rechtbank zal de voorlopige hechtenis dan ook niet opnieuw schorsen.

8. De inbeslaggenomen voorwerpen

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van het beslag.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van het beslag.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal het op de beslaglijst onder 1 genoemde voorwerp (vuurwapen) onttrekken aan het verkeer. Dit voorwerp is voor onttrekking aan het verkeer vatbaar, aangezien de verdachte wegens een strafbaar feit wordt veroordeeld en

dit voorwerp van

zodanige aard is dat het ongecontroleerd bezit daarvan in strijd is met de wet en

met het algemeen belang.

9. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

- 36 b, 36c, 43a, 46, 47, 48, 49, 57, 63 en 157 van het Wetboek van Strafrecht;

- 2, 10 en 10a van de Opiumwet, en de daarbij behorende lijst I.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

10. De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder dagvaarding I, feit 4 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de bij dagvaarding I, onder 1, 2 en 3 en bij dagvaarding II onder 1 subsidiair en 2 subsidiair heeft begaan, zoals hierboven onder 3.6 bewezen is verklaard;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:

dagvaarding I:

ten aanzien van feit 1:

medeplegen van handelen in strijd met een in artikel 2 van de Opiumwet gegeven verbod;

ten aanzien van feit 2:

medeplegen van, om een feit, bedoeld in het vierde lid en het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet voor te bereiden of te bevorderden, zich of een ander middelen en inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 3:

medeplegen van voorbereiding van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is;

dagvaarding II:

ten aanzien van feit 1:

medeplichtigheid aan het opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en voor een ander te duchten is;

ten aanzien van feit 2:

medeplichtigheid aan het opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en voor een ander te duchten is;

verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 4 (VIER) JAREN;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

verklaart onttrokken aan het verkeer het op de beslaglijst onder 1 genoemde voorwerp, te weten: 1 STK Pistool (Omschrijving: Grand power).

Dit vonnis is gewezen door

mr. C.W. de Wit, voorzitter,

mr. I.C. Kranenburg, rechter,

mr. A. Tsjapanova, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. R.J. Groeneveld, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 13 mei 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. C.W. de Wit
  • mr. I.C. Kranenburg
  • mr. A. Tsjapanova

Griffier

  • mr. R.J. Groeneveld

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand