[naam], eiser,
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. T.M. van der Wal),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. J. Veendorp).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 23 maart 2026 niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.
De rechtbank heeft het beroep, tegelijk met het verzoek om voorlopige voorziening, op 1 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van de minister. Eiser en zijn gemachtigde hebben zich afgemeld voor de zitting. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland bij Duitsland op 13 januari 2026 een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek op 15 januari 2026 aanvaard.
Zienswijze
5. Eiser voert aan dat in het bestreden besluit ten onrechte is aangegeven dat hij geen zienswijze heeft ingediend. Gemachtigde van eiser heeft namelijk op 11 februari 2026 een zienswijze ingediend in het portaal van de IND. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft eiser een screenshot van een ontvangstbevestiging van 11 februari 2026 overgelegd, die per mail is ontvangen door gemachtigde. Eiser is van mening dat hij hiermee voldoende heeft onderbouwd dat er namens hem een zienswijze is ingediend en dat de minister deze ten onrechte niet heeft meegenomen in de besluitvorming.
6. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat uit de screenshot onvoldoende blijkt welk stuk is ingediend en in welke zaak. Uit navraag blijkt bovendien dat er op
11 februari 2026 om 10:39 uur geen sprake van een stroring in het portaal van de IND. De minister stelt zich op het standpunt dat ervan uit moet worden gegaan dat er geen zienswijze is ingediend.
7. De rechtbank is met de minister van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat er daadwerkelijk een zienswijze door eiser is ingediend. Uit de printscreen volgt niet dat de ontvangstbevestiging ziet op een zienswijze of op de zaak van eiser. Dat maakt dat de rechtbank op grond van enkel dit stuk niet tot de conclusie kan komen dat het aannemelijk is dat eiser wel een zienswijze heeft ingediend. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Is het besluit onzorgvuldig voorbereid?
8. Eiser voert aan dat het voornemen niet zorgvuldig tot stand is gekomen, omdat het een standaard voornemen betreft waarbij onvoldoende is ingegaan op de door eiser tijdens het Dublingehoor naar voren gebrachte persoonlijke omstandigheden en bezwaren tegen overdracht aan Duitsland. Eiser verwijst hierbij onder andere naar de uitspraak van rechtbank Roermond van 7 december 2023.
9. Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank overweegt daartoe in de eerste plaats dat de Afdeling in de uitspraak van 23 november 2023 heeft geoordeeld dat het gebruik van een standaardvoornemen – zoals ook in deze zaak is gebeurd – in beginsel niet leidt tot het oordeel dat sprake is van onzorgvuldige besluitvorming. Deze lijn is meer recent door de Afdeling bevestigd in de uitspraak van 11 april 2025.Ook in de zaak van eiser ziet de
rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat er sprake is van onzorgvuldige besluitvorming. In het voornemen is voldoende duidelijk uiteengezet op grond waarvan Duitsland verantwoordelijk wordt geacht voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser, dat ten aanzien van Duitsland kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en dat geen reden wordt gezien om de asielaanvraag van eiser op grond van artikel 17 van de Dublinverordening in behandeling te nemen. Verder overweegt de rechtbank dat eiser in de gelegenheid is gesteld om door middel van een zienswijze te reageren op het voornemen. Eiser heeft hier geen gebruik van gemaakt.
Loopbrief
10. Eiser voert verder aan dat het dossier niet compleet is, omdat de loopbrief niet aan het dossier is toegevoegd. Eiser en zijn gemachtigde konden daardoor bij het indienen van een zienswijze niet vaststellen of de Dublinclaim al dan niet tijdig is verzonden en of die Dublinclaim rechtmatig is. Daarmee is eiser geschaad in zijn recht op hoor en wederhoor in de voorbereidingsfase en het verdedigingsbeginsel, ook al is volgens de minister het claimverzoek binnen een termijn van twee maanden verzonden.
11. De rechtbank stelt vast dat de loopbrief zich in het procesdossier bevindt en dat deze brief van dezelfde datum is als eisers asielaanvraag (11 december 2025). De rechtbank stelt ook dat eiser desalniettemin geen aanvullende gronden heeft ingediend ten aanzien van de tijdigheid van de claim. De rechtbank overweegt dat, nu eiser de loopbrief zelf heeft ontvangen op 11 december 2025 en dit door eiser ook niet is betwist de Dublinclaim tijdig is ingediend. De minister heeft namelijk op 13 januari 2026 - dus binnen de gestelde termijn van twee maanden na de loopbrief/asielaanvraag - het terugnameverzoek naar de Duitse autoriteiten gestuurd. Eiser heeft daarbij niet nader onderbouwd hoe zijn recht op effectieve bijstand is geschaad. De beroepsgrond slaagt niet.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
12. Eiser voert, onder verwijzing naar het AIDA-rapport update 2024, aan dat de minister ten aanzien van Duitsland ten onrechte van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgaat. Eiser verwijst naar het gebrek aan gefinancierde rechtshulp, de korte asielprocedure, gebrekkige voorlichting en onervaren tolken en vertalers. Er is geen sprake van ‘fair trial’ en een ‘effective remedy’, zoals vastgelegd in artikel 47, derde lid, van het EU-Handvest, artikel 46 van de Procedurerichtlijn en artikel 13 EVRM.
13. De minister stelt dat nog steeds van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Ter onderbouwing daarvan is gewezen op de uitspraak van rechtbank Arnhem, van 18 mei 2026.
14. Deze beroepsgrond slaagt ook niet. Naar het oordeel van de rechtbank kan de minister ten aanzien van Duitsland nog steeds uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De minister heeft hierbij mogen verwijzen naar de uitspraken van de Afdeling, van 8 november 2023, 11 september 2024 en van 17 december 2024. Het is aan eiser om in het kader van artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening aannemelijk te maken dat er sprake is van ernstige vrees dat de asiel- en opvangprocedure voor eiser in Duitsland systeemfouten bevatten die resulteren in onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het EU-Handvest. Eiser is hier niet in geslaagd. Eiser heeft geen informatie overgelegd waaruit volgt dat sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden die de rechtbank tot een ander oordeel nopen dan het oordeel van de Afdeling. Het AIDA-rapport, update juni 2025, laat geen wezenlijk ander beeld zien dat het rapport van 2024, welke is beoordeeld in de uitspraak van de Afdeling van
17 december 2024. Dat asielzoekers in Duitsland niet automatisch worden voorzien van kosteloze rechtsbijstand betekent ook niet zonder meer dat de Duitse asielprocedure op dit punt in strijd is met de Procedurerichtlijn. In de Procedurerichtlijn is opgenomen dat lidstaten alleen gratis rechtsbijstand moeten bieden als sprake is van een (beroeps)procedure tegen de beslissing op de asielaanvraag. In andere gevallen kunnen lidstaten gratis rechtsbijstand bieden, maar zijn zij daartoe niet verplicht. Artikel 20, eerste en derde lid, van de Procedurerichtlijn geeft lidstaten immers expliciet de mogelijkheid om geen kosteloze rechtsbijstand en vertegenwoordiging aan te bieden wanneer het beroep, volgens de rechterlijke instantie of een andere bevoegde autoriteit, geen reële kans van slagen heeft. Het door Duitsland gehanteerde systeem dat een vreemdeling recht heeft op kosteloze bijstand wanneer door de rechter wordt beoordeeld dat het beroep een kans van slagen heeft, is dus in overeenstemming met de Procedurerichtlijn. Er bestaat daarom geen grond voor het oordeel dat het recht op een eerlijk proces wordt geschonden. Als eiser toch problemen ervaart tijdens zijn asielprocedure, is het aan hem om hierover bij de (hogere) Duitse autoriteiten te klagen. De door eiser genoemde taalbarrière, korte asielprocedure, onervaren tolken en vertalers, doen naar het oordeel van de rechtbank namelijk geen afbreuk aan de mogelijkheid om een klacht in te dienen bij de Duitse autoriteiten. Eiser heeft daarnaast niet aannemelijk gemaakt dat klagen bij de (hogere) Duitse autoriteiten voor hem onmogelijk of bij voorbaat zinloos is
Conclusie en gevolgen
15. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen - Telman, rechter, in aanwezigheid van
E.S. Tiggelaar, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.