uitspraak van de enkelvoudige kamer op het verzet van
[naam] , opposant,
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. H.M.A. Breuls),
en uitspraak in de beroepszaak tussen
[naam], eiser,
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. H.M.A. Breuls),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. J. Kaikai),
Inleiding
1. Deze uitspraak op het verzet van opposant gaat over de uitspraak van de rechtbank van 2 februari 2026, waarin de rechtbank het beroep gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit gegrond heeft verklaard. Het verzet wordt in deze uitspraak gegrond verklaard. Daarom beslist de rechtbank ook over het beroep.
De rechtbank heeft het verzet op 14 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank van het verzet
2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak op het verzet uitsluitend of in de uitspraak van 2 februari 2026 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat de proceskostenvergoeding met de wegingsfactor 0,25 is berekend in plaats van de factor 0,5. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet. Aan de inhoud van de overige beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is.
3. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Het beroep van opposant
4. Het beroep van opposant richtte zich tegen het niet tijdig beslissen op de asielaanvraag van 14 juli 2023. Opposant heeft de minister op 31 oktober 2024 in gebreke gesteld en verzocht om alsnog binnen twee weken een besluit te nemen. Toen na ommekomst van deze termijn een besluit uitbleef, heeft hij beroep ingesteld.
De uitspraak van 2 februari 2026
5. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Dat mag de rechtbank doen wanneer het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep kennelijk gegrond verklaard. De reden hiervoor is dat de rechtbank heeft vastgesteld dat de beslistermijn was verstreken.
Gronden verzet
6. Opposant stelt zich op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte aanleiding heeft gezien de proceskostenvergoeding te verlagen op de grond dat sprake is van een opvolgend beroep tegen het niet tijdig beslissen. Volgens opposant bieden artikel 8:75 van de Awb en het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) geen grondslag voor een onderscheid tussen een eerste en een opvolgend beroep. Door uit te gaan van een beperktere werklast heeft de rechtbank volgens opposant een zaaksspecifieke beoordeling gemaakt die niet past binnen het forfaitaire stelsel van het Bpb.
Daarnaast voert opposant aan dat ook bij een opvolgend beroep nog diverse juridische werkzaamheden moeten worden verricht, zoals het beoordelen van het dossier, het vaststellen van een nieuwe termijnoverschrijding en het opstellen van een beroepschrift. De enkele omstandigheid dat bepaalde gegevens al uit een eerdere procedure bekend zijn, rechtvaardigt volgens hem geen lagere vergoeding.
Tot slot stelt opposant dat een structurele verlaging van de proceskostenvergoeding leidt tot rechtsonzekerheid en ongelijke behandeling, omdat daarvoor geen wettelijke basis bestaat en deze praktijk niet door alle rechtbanken wordt gevolgd. Daarbij worden de gevolgen van het niet tijdig beslissen volgens opposant ten onrechte afgewenteld op de rechtzoekende en diens gemachtigde.
Overweging rechtbank over de verzetsgronden
7. De rechtbank stelt voorop, zoals in rechtsoverweging 2 uiteengezet, dat verzet ziet op de vraag of de rechtbank ten onrechte tot vereenvoudigde behandeling is overgegaan wegens de kennelijke uitkomst van het beroep van opposant. Dit betekent dat de beoordeling van de rechtbank in verzet beperkt is tot de vraag of terecht uitspraak is gedaan zonder opposant op zitting te horen. Het verzet kan zich ook richten tegen nevenuitspraken, zoals de proceskostenveroordeling. Indien in verzet argumenten naar voren worden gebracht die in geval van een normale behandeling ook nog hadden kunnen worden aangevoerd, dient te worden beoordeeld of hierdoor twijfel ontstaat over de uitkomst. Zo ja, dan dient de rechter het verzet gegrond te verklaren zodat nader onderzoek kan plaatsvinden.
8. De rechtbank is van oordeel dat de aangevoerde argumenten over de wegingsfactor maken dat er twijfel is ontstaan over de vraag of de uitkomst van de procedure zoals die nu in verzet wordt bestreden buiten redelijke twijfel was. Het verzet is gegrond. Dat betekent dat die uitspraak vervalt en de rechtbank het onderzoek hervat in de stand waarin dat zich bevond voordat die uitspraak werd gedaan.
9. De minister moet de door de opposant gemaakte proceskosten in verband met de verzetsprocedure vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank vast op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 467,- (0,5 punt voor het indienen van het verzetschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Beoordeling door de rechtbank van het beroep
10. Partijen zijn uitgenodigd voor de zitting over het verzet. De rechtbank is van oordeel dat nader onderzoek na de zitting niet kan bijdragen aan de beoordeling van de beroepszaak. De rechtbank doet daarom niet alleen uitspraak op het verzet, maar ook op het beroep. Opposant zal hierna worden aangeduid als eiser.
Is het beroep ontvankelijk en gegrond?
11. Eiser heeft herhaald beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit. De beslistermijn van acht weken, die deze rechtbank bij uitspraak van 7 mei 2025 heeft opgelegd, is overschreden. De minister heeft niet binnen deze termijn een besluit op de asielaanvraag genomen. Het beroep is ontvankelijk en gegrond.
Welke beslistermijn legt de rechtbank de minister op?
12. De minister moet alsnog een besluit nemen op de aanvraag. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft geoordeeld dat bij het bepalen van een nieuwe beslistermijn rekening moet worden gehouden met het ‘8+8 wekenmodel’.
De rechtbank oordeelt dat in de gevallen waarin, zoals hier, de bovengrens van 21 maanden is overschreden een kortere beslistermijn passend is. Als uitgangspunt geldt dat de minister binnen een termijn van acht weken een besluit moet nemen. De termijn begint op de dag na het bekendmaken van deze uitspraak.
Welke dwangsom legt de rechtbank op?
13. De rechtbank legt alleen een rechterlijke dwangsom op.
14. De rechtbank bepaalt dat de minister een dwangsom van € 100,- per dag moet betalen als hij de door de rechtbank opgelegde beslistermijn overschrijdt. Hierbij geldt een maximum van € 15.000,-. In het feit dat de eerder opgelegde dwangsom niet heeft geleid tot het nemen van een besluit ziet de rechtbank in dit geval geen aanleiding voor een verhoging van de dwangsom.
15. De minister moet de door de eiser gemaakte proceskosten in verband met de beroepsprocedure vergoeden. De rechtbank sluit aan bij het oordeel van de meervoudige kamer van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 1 december 2025. Daarin is geoordeeld dat de werkzaamheden bij een opvolgend beroep wegens het niet tijdig beslissen aanzienlijk beperkter zijn dan bij een dergelijk eerste beroep. Bij een eerste beroep moet de gemachtigde onder meer onderzoeken of er sprake is van termijnoverschrijding, welke beslistermijn geldt, of deze termijn is verlengd of opgeschort en of een ingebrekestelling is verzonden. Bij een opvolgend beroep liggen deze aspecten doorgaans reeds vast in het dossier en in een eerdere rechterlijke uitspraak. In die uitspraak is reeds vastgesteld dat niet tijdig is beslist en is een beslistermijn opgelegd. In dat geval beperkt de beoordeling zich in de hoofdzaak tot de vraag of de door de rechtbank opgelegde termijn is overschreden, waarna een nieuw beroepschrift wordt ingediend. Gelet op de beperkte omvang van de verrichte werkzaamheden ziet de rechtbank aanleiding de proceskostenvergoeding te matigen met de factor 0,25 en vast te stellen op € 233,50,-.
Conclusie en gevolgen
16. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt en de minister acht weken de tijd krijgt om alsnog een besluit te nemen. Doet de minister dat niet, dan is hij aan eiser een dwangsom verschuldigd. De minister moet de door de eiser gemaakte proceskosten in verband met de beroepsprocedure vergoeden.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Sijens, rechter, in aanwezigheid van
A.S. van der Veen, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak staat voor zover daarbij is beslist op het verzet geen hoger beroep of verzet open.
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover daarbij is beslist op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.