RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie,
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.29163 en NL26.29168
(gemachtigde: mr. A.S. Sewman),
en
(gemachtigde: mr. W. Vrooman).
Procesverloop
Bij besluit van 14 mei 2026 (bestreden besluit 1) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
De minister heeft op 25 mei 2026 de maatregel van bewaring opgeheven.
Bij besluit van 25 mei 2026 (bestreden besluit 2) heeft de minister aan eiser aansluitend de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd.
Eiser heeft tegen beide besluiten beroep ingesteld. Deze beroepen moeten tevens worden aangemerkt als verzoeken om toekenning van schadevergoeding.
Partijen hebben ingestemd met schriftelijke behandeling van beide beroepen. Eiser heeft op 27 mei 2026 de gronden van de beroepen ingediend. De minister heeft op 29 mei 2026 een verweerschrift ingezonden.
De rechtbank heeft het onderzoek in beide beroepen gesloten op 1 juni 2026.
Overwegingen
1. Eiser stelt van Somalische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1997.
Bestreden besluit 1
2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in dit beroep tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
Ophouding
3. Eiser stelt dat de ophouding meer dan zes uur heeft geduurd, waardoor de maatregel van meet af aan onrechtmatig is. Eiser stelt op 14 mei 2026 om 12.16 uur te zijn opgehouden voor verhoor en de maatregel van bewaring is opgelegd op 14 mei 2026 om 18.18 uur, waardoor de ophouding meer dan de toegestane 6 uur heeft geduurd.
4. De rechtbank overweegt als volgt. Uit het proces-verbaal ophouding en onderzoek (M105) van 14 mei 2026 volgt dat eiser op 14 mei 2026 om 12.16 uur is staande gehouden en vervolgens is overgebracht naar een plaats bestemd voor verhoor, waar hij om 13.16 uur is aangekomen. Uit de tekst van artikel 50, tweede lid, van de Vw volgt dat de termijn van ophouding een aanvang neemt op het moment dat de vreemdeling is overgebracht naar een plaats bestemd voor verhoor. Naar het oordeel van de rechtbank houdt dit in dat de ophouding van eiser is begonnen op 14 mei 2026 om 13.16 uur en is beëindigd op 14 mei 2026 om 18.18 uur. Dit betekent dat eiser 5 uur en 2 minuten in ophouding heeft doorgebracht, waardoor de termijn van 6 uur als bedoeld in artikel 50, tweede lid, van de Vw niet is overschreden. De beroepsgrond slaagt niet.
Grondslag artikel 59b
5. Eiser stelt dat de maatregel van begin af aan onrechtmatig is, omdat hij op een onjuiste grondslag in bewaring is gesteld. Hiertoe voert eiser aan dat hij tijdens het gehoor op 14 mei 2026 meerdere malen kenbaar heeft gemaakt dat hij geen asiel wenst en wil terugkeren naar zijn gezin in Somalië. Hij heeft nadrukkelijk de mogelijkheid om een opvolgende asielaanvraag in te dienen, afgewezen. Eiser heeft voorafgaand aan het gehoor zijn gemachtigde gesproken en was dan ook voldoende ingelicht over zijn mogelijkheden om opnieuw asiel aan te vragen, en eiser heeft tijdens het gehoor uitdrukkelijk kenbaar gemaakt niet opnieuw asiel te willen aanvragen. Hierom had eiser niet op grond van artikel 59b van de Vw in bewaring gesteld kunnen worden.
6. De minister heeft hierover in de maatregel vermeldt dat onder deze omstandigheden de vreemdeling een termijn zal worden gegund om te bezien of hij deze beschermingswens alsnog via een aanvraag om een verblijfsvergunning wil onderbouwen. Gedurende deze termijn zal nog niet aan terugkeer gewerkt worden en de maatregel zal gelet op de beschermingswens dan ook in eerste instantie op grond van artikel 59b van de Vw worden opgelegd.
7. De rechtbank is van oordeel dat de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b van de Vw rechtmatig aan eiser is opgelegd. In het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling op 14 mei 2026 heeft eiser onder meer het volgende verklaard:“Ik heb problemen met Al Shabab. Ze gaan mij vermoorden wanneer ik terugkeer”.“Ik zal doodgaan in Somalië”.Op de vraag of eiser heeft te vrezen voor vervolging en/of onmenselijke/vernederende behandeling waartegen de autoriteiten van zijn land hem niet beschermen en waaruit dat blijkt: “Ja, want dat is de reden waarom ik eigenlijk niet terug wil naar Somalië. Ik weet 100% zeker dat de regering mij niet kan beschermen tegen Al-Shabab”. Op grond van deze verklaringen bestonden er naar het oordeel van de rechtbank voldoende aanknopingspunten voor de minister om nader onderzoek te doen naar een eventuele schending van het verbod van non-refoulement en mocht de minister de verklaringen van eiser op dat moment opvatten als een verzoek om internationale bescherming. Dat eiser tijdens hetzelfde gehoor meermaals heeft verklaard dat hij geen asiel wil aanvragen maar terug wil naar zijn kinderen in Somalië, neemt deze onderzoeksplicht van de minister niet weg. De rechtbank wijst daarbij op de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 4 september 2025, punten 74 t/m 76, waarin onder meer is overwogen dat de artikelen 5 en 15 van richtlijn 2008/115, gelezen in samenhang met artikel 19, tweede lid, van het Handvest, van toepassing zijn op elke illegaal verblijvende derdelander, ongeacht de redenen die aan die situatie ten grondslag liggen, en dat voor volledige eerbiediging van het beginsel van non-refoulement niet is vereist dat een verzoek om internationale bescherming wordt ingediend. De minister heeft vervolgens op 16 mei 2026 een gesprek met eiser gevoerd in het kader van het nader onderzoek naar een eventuele schending van het verbod van non-refoulement, hetgeen heeft geresulteerd in een door eiser op 18 mei 2026 ondertekende asielaanvraag. Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat de minister eiser op grond van het bepaalde in artikel 59b van de Vw in bewaring mocht stellen. De beroepsgrond slaagt niet.
Grondslag (d-grond van artikel 59b)
8. Eiser heeft aangevoerd dat de gronden – de rechtbank begrijpt; de grondslag – waarop de maatregel van bewaring is gebaseerd te onduidelijk zijn. Op pagina 1 van de maatregel wordt opgemerkt dat de maatregel op grond van artikel 59b, lid 1, sub a en b, van de Vw wordt opgelegd, terwijl op pagina 2, alinea 6, wordt opgemerkt dat de maatregel wordt opgelegd op grond van artikel 59b, lid 1, sub a, b en d, van de Vw. De maatregel is dan ook onduidelijk en daardoor onzorgvuldig, derhalve onrechtmatig, aldus eiser.
9. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser uitgaat van een onjuiste lezing van de maatregel. Op pagina 1 van de maatregel staat nergens dat de maatregel enkel op grond van artikel 59b, eerste lid, onder a en b, van de Vw wordt opgelegd. Er kan bovendien geen onduidelijkheid over bestaan dat aan eiser ook de grond van artikel 59b, eerste lid, onder d, van de Vw is tegengeworpen. De minister verwijst in dit verband naar pagina’s 6 en 7 van de maatregel, waar dit staat vermeld.
10. De rechtbank stelt vast dat in de maatregel van 14 mei 2026 is vermeld dat eiser in bewaring wordt gesteld omdat:i) bewaring noodzakelijk is met het oog op de vaststelling van de identiteit of nationaliteit van betrokkene (artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw);ii) bewaring noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van een aanvraag voor een verblijfsvergunning, wegens risico op onttrekking aan het toezicht op vreemdelingen (artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw).
11. De rechtbank overweegt dat uit de maatregel van bewaring ondubbelzinnig dient te blijken op welke grondslag een vreemdeling in bewaring is gesteld. Uit de inhoud van de maatregel van 14 mei 2026 blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat eiser uitsluitend op de gronden a en b van artikel 59b van de Vw in bewaring is gesteld. De rechtbank verwijst naar pagina 1 van de maatregel. Indien de minister eiser ook op grond van artikel 59b, aanhef en onder d, van de Vw in bewaring had willen stellen, had het op de weg van de minister gelegen om dat bij de overige gronden op te nemen. Uit de vermelding van de d-grond bij de motivering van de gronden op pagina 2 hoefde eiser niet af te leiden dat hij ook op basis van de d-grond van artikel 59b van de Vw in bewaring is gesteld, nu dit ook kan worden gelezen als een motivering van de gronden van de maatregel. Uit de verwijzing van de minister naar pagina’s 6 en 7 van de maatregel blijkt dit evenmin, omdat de verwijzing naar artikel 59b, aanhef en onder d, van de Vw hier ook is opgenomen bij de motivering van de maatregel.
12. De rechtbank overweegt ambtshalve nog dat de minister de grond onder artikel 59b, aanhef en onder a, van de Vw niet aan de maatregel ten grondslag mocht leggen. In het dossier bevindt zich een verklaring van de Somalische vertegenwoordiging in Brussel van 8 mei 2026, waarin de identiteit en nationaliteit van eiser worden bevestigd. De minister heeft in beroep geen feiten en omstandigheden naar voren gebracht waarom desondanks toch aan eiser mocht worden tegengeworpen dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op de vaststelling van de identiteit of nationaliteit van betrokkene.
13. Dit alles leidt echter niet tot het oordeel dat de maatregel onrechtmatig is, nu niet is gesteld of gebleken dat de minister eiser niet in bewaring mocht stellen op grond van artikel 59b, aanhef en onder b en deze grond de maatregel in voldoende mate kon dragen. De beroepsgrond slaagt daarom niet,
Bewaringsgronden
14. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de bewaring noodzakelijk was met het oog op de vaststelling van de identiteit of nationaliteit van eiser en met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;3d. niet dan wel niet voldoende meewerken aan het vaststellen van de identiteit en nationaliteit;3e. in verband met de aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over de identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
15. Eiser betwist de zware grond onder 3d. De rechtbank is echter van oordeel dat de overige niet-betwiste zware en lichte gronden feitelijk juist en voor zover nodig voldoende gemotiveerd zijn. Deze gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen, omdat hieruit een risico op onttrekking aan het toezicht blijkt. De rechtbank laat de door eiser betwiste grond om die reden verder onbesproken. De beroepsgrond slaagt niet.
Bestreden besluit 2
Doorwerking onrechtmatigheid
16. Eiser stelt zich op het standpunt dat, gezien de gronden in het beroep tegen bestreden besluit 1, hij op 14 mei 2026 ten onrechte in bewaring is gesteld. Hierom is ook de onderhavige maatregel van bewaring onrechtmatig en dient de maatregel te worden opgeheven.
17. De rechtbank overweegt als volgt. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling volgt dat een onrechtmatigheid in een eerdere inbewaringstelling in beginsel niet doorwerkt in de daaropvolgende inbewaringstelling én dat deze onrechtmatigheid van de eerdere maatregel de daaropvolgende maatregel in beginsel dan ook niet onrechtmatig maakt. Alleen in geval van een ernstige schending van het aan de vreemdeling toekomende recht om in vrijheid te worden gesteld wanneer de bewaring onrechtmatig is, kan van deze hoofdregel worden afgeweken.
18. Nu, zoals hierboven overwogen, geen sprake is van onrechtmatigheid van de maatregel van 14 mei 2026, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat onderhavige maatregel bij aanvang om die reden al onrechtmatig was. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Bewaringsgronden
19. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vb, als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3i. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
20. Eiser betwist de zware grond onder 3d. De rechtbank is echter van oordeel dat de overige niet-betwiste zware en lichte gronden feitelijk juist en voor zover nodig voldoende gemotiveerd zijn. Deze gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen, omdat hieruit een risico op onttrekking aan het toezicht blijkt. De rechtbank laat de door eiser betwiste grond om die reden verder onbesproken. De beroepsgrond slaagt niet.
Voortvarend handelen
21. Eiser stelt dat de minister niet voldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting. Hiertoe voert eiser aan dat de minister recent niet in gesprek is gegaan met hem over terugkeer naar Somalië, terwijl er geen asielprocedure meer aanhangig is en zijn identiteit en nationaliteit zijn vastgesteld. Uit het dossier blijkt ook niet dat de Somalische autoriteiten van plan zijn een laissez-passer (lp) te verstrekken en het blijft daarbij ook onduidelijk of voor eiser überhaupt wel een lp zal worden verstrekt.
22. De rechtbank oordeelt als volgt. Eiser heeft op 25 mei 2026 zijn asielaanvraag ingetrokken en is op dezelfde dag in bewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Op dat moment liep al een aanvraag voor een laissez-passer (lp) ten behoeve van eiser bij de Somalische vertegenwoordiging en waren op 8 mei 2026 de identiteit en nationaliteit van eiser door de Somalische autoriteiten bevestigd. Voorafgaand aan de oplegging van deze maatregel heeft de minister op 21 mei 2026 nog gerappelleerd op de lp-aanvraag. Op 27 mei 2026 heeft een vertrekgesprek met eiser plaatsgevonden. Verder is niet gebleken dat de Somalische autoriteiten geen lp ten behoeve van eiser zullen afgeven, waardoor het zicht op uitzetting niet ontbreekt. Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat de minister niet onvoldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. De beroepsgrond slaagt niet.
Refoulement
23. Eiser stelt zich op het standpunt dat onduidelijk is hoe een eventuele uitzetting naar Somalië eruit zal zien. Aan de ene kant lijkt het erop dat de minister erkent dat bij uitzetting mogelijk sprake is van een risico op schending van artikel 3 van het EVRM, nu eiser vreest voor Al-Shabaab. Aan de andere kant wenst eiser geen asiel te vragen, zodat die vrees niet beoordeeld kan worden. De minister heeft tot op heden geen pogingen ondernomen om eiser ten aanzien van het risico op artikel van het 3 EVRM opnieuw te horen.
24. De rechtbank oordeelt als volgt. Eiser heeft op 5 april 2023 in Nederland een asielaanvraag ingediend, welke bij besluit van 18 februari 2025 is afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep tegen deze afwijzing is op 29 oktober 2025 door deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, gegrond verklaard voor wat betreft het terugkeerbesluit en voor het overige ongegrond verklaard. Op 28 januari 2026 is een nieuw terugkeerbesluit aan eiser opgelegd waarvan niet is gesteld of gebleken dat daartegen rechtsmiddelen zijn aangewend. Op 16 mei 2026 is eiser gehoord over eventuele asielmotieven, waarbij hij heeft verwezen naar zijn eerdere asielprocedure. Vervolgens heeft eiser op 18 mei 2026 een asielaanvraag ingediend. Op 24 mei 2026 is eiser naar aanleiding van zijn asielaanvraag gehoord, waarna hij op 25 mei 2026 zijn asielaanvraag van 18 mei 2026 formeel heeft ingetrokken. In onderhavige maatregel van bewaring is op pagina 4 en 5 naar het oordeel van de rechtbank afdoende gemotiveerd dat het beginsel van non-refoulement niet aan de verwijdering van eiser naar Somalië in de weg staat. De vrees voor vervolging van eiser is beoordeeld in het besluit van 18 februari 2025 en daarna is niet gebleken van nieuwe feiten en omstandigheden waarmee de minister in het besluit van 18 februari 2025 geen rekening heeft kunnen houden. Ook in beroep zijn geen nieuwe feiten en omstandigheden gesteld of gebleken waaruit concrete aanwijzingen blijken dat terugkeer naar Somalië nu wel leidt tot schending van artikel 3 van het EVRM, of van het verbod van refoulement. Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank dan ook geen aanknopingspunten dat de minister had moeten aannemen dat het beginsel van non-refoulement in de weg staat aan de terugkeerverplichting van eiser, of dat de minister dit in de maatregel onvoldoende heeft gemotiveerd. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
25. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe zij gehouden is, is de
rechtbank van oordeel dat beide maatregelen van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek niet op enig moment onrechtmatig waren.
Conclusie
26. De beroepen zijn ongegrond. Daarom worden ook de verzoeken om schadevergoeding afgewezen.
27. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart de beroepen ongegrond;- wijst de verzoeken om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Bruins, rechter, in aanwezigheid van S.N. Lekatompessij, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 1 juni 2026
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.