RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.24889
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. V. Senczuk),
en
(gemachtigde: mr. B. Pattiata).
Procesverloop
Verweerder heeft op 3 december 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft op 3 mei 2026 tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft op 4 mei 2026 de maatregel van bewaring opgeheven.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek gesloten op 8 mei 2026.
Overwegingen
Inleiding
1. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan op 4 mei 2026 onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al meermalen heeft getoetst. Uit de uitspraak van 15 april 2026 (in de zaak NL26.18285) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek (op 8 april 2026) dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 8 april 2026. De in deze uitspraak te toetsen periode loopt dus van 8 april 2026 tot 4 mei 2026 (de dag van opheffing van de bewaring).
Zicht op uitzetting
3. Eiser betoogt dat het zicht op uitzetting binnen redelijke termijn naar Algerije in de te toetsen periode niet meer aanwezig was. De aanvraag tot afgifte van een laissez-passer (lp) is op 31 december 2024 ingediend, maar de Algerijnse autoriteiten hebben geen lp afgegeven. Het was niet te verwachten dat dit in de te toetsen periode alsnog zou gebeuren, aldus eiser.
De rechtbank heeft in de uitspraak van 15 april 2026 (NL26.18285) geoordeeld dat er op dat moment nog zicht op uitzetting naar Algerije bestond. De rechtbank ziet geen grond om te oordelen dat het zicht op uitzetting binnen redelijke termijn naar Algerije in de in deze uitspraak te toetsen periode is komen te ontbreken. Er bestaat in zijn algemeenheid zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Algerije (zie de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van 6 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1892, 15 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2842, en 27 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:722), de voor eiser ingediende lp-aanvraag was nog in behandeling bij de Algerijnse autoriteiten en verder is niet gebleken dat de Algerijnse autoriteiten hebben laten weten dat zij geen lp voor eiser zullen afgeven. Op eiser rust de verplichting om volledig en actief mee te werken aan zijn uitzetting en het lp-traject. Uit het dossier volgt dat eiser dit (ook) in de in deze uitspraak te toetsen periode niet heeft gedaan. Hij heeft namelijk geen inspanningen verricht om aan documenten betreffende zijn identiteit en nationaliteit te komen. Er zijn door eiser verder geen concrete aanknopingspunten aannemelijk gemaakt die erop wijzen dat het lp-traject, als hij wel zou meewerken, op niets zou uitlopen en dat er voor hem geen lp zou worden afgegeven. De onder 3. weergegeven beroepsgrond slaagt dan ook niet.
Belangenafweging
4. Eiser betoogt verder dat de belangenafweging die heeft geleid tot de opheffing van de bewaring op 4 mei 2026 eerder in zijn voordeel had moeten uitvallen. Daartoe voert hij aan dat zijn partner verweerder al op 30 april 2026 heeft bericht over de doodgeboorte van hun kind.
Uit de voorgangsrapportage volgt dat verweerder op 1 mei 2026 een verzwaarde belangenafweging heeft verricht die, hoofdzakelijk vanwege eisers gebrek aan medewerking, in het nadeel van eiser is uitgevallen. Op 4 mei 2026 heeft verweerder opnieuw een belangenafweging verricht. Die is in het voordeel van eiser uitgevallen, waarna verweerder de maatregel van bewaring heeft opgeheven. In de voortgangsrapportage staat over die laatste belangenafweging – voor zover hier van belang – het volgende.
“ Op 1 mei jongstleden heeft de verzwaarde belangenafweging plaatsgevonden omdat hij aanvankelijk op asieltitel in bewaring is gesteld. De bewaringsmaatregel zal heden worden opgeheven omdat hij binnenkort zes maanden in bewaring verblijft. Vanwege het naderen van die termijn is bij uitzondering een aantal dagen eerder dan voorgenomen, wegens de onderbouwde zorg van de psycholoog, hiertoe een belangenafweging opgemaakt. Er zou sprake zijn van stilgeboorte van de baby en de psycholoog heeft aangegeven dat dit mentaal grote impact heeft op de vreemdeling die bij zijn partner wenst te zijn. Betrokkene heeft stressklachten en is gestopt met eten. De psycholoog voorziet verdere psychische decompensatie de komende dagen. Hoewel we feitelijk niet weten wie hij is, draagt de observatie bij aan de consistentie in het gestelde rond het aanstaande vaderschap. Hoewel hij niet meewerkt aan de vaststelling van zijn identiteit en nationaliteit, is er tot op heden ook nog geen reactie ontvangen van de Algerijnse autoriteiten op het verzoek om afgifte van een laissez-passer. Aangezien binnen de huidige bewaringstermijn van in beginsel zes maanden geen feitelijke vertrekhandelingen op zeer korte termijn te verwachten zijn, wordt verlenging van de maatregel minder opportuun geacht.”
Eiser stelt dat verweerder de bewaring reeds op 30 april 2026 had moeten opheffen, omdat hij toen al op de hoogte was van de doodgeboorte van eisers kind. Dit volgt de rechtbank niet. Uit het dossier blijkt niet dat verweerder reeds vóór 4 mei 2026 toereikend was geïnformeerd over de – zeer tragische – doodgeboorte van eisers kind. De rechtbank wijst er in dit verband op dat de zich in het dossier bevindende overlijdensakte van het kind is opgesteld op 4 mei 2026. Deze akte kan dan ook niet eerder dan op die dag aan verweerder zijn verstrekt. Bovendien geldt dat de belangenafweging niet louter vanwege de doodgeboorte van het kind in eisers voordeel is uitgevallen. Bij de belangenafweging is ook betrokken dat de psycholoog een psychische achteruitgang bij eiser heeft waargenomen en zijn zorgen heeft uitgesproken over de verdere psychische decompensatie van eiser. Verder speelt mee dat eiser nooit documenten heeft overgelegd waarmee hij zijn vaderschap heeft onderbouwd en dat zijn vaderschap eerst is aangenomen nadat eiser psychische reactieverschijnselen begon te vertonen na de doodgeboorte van het kind. Gelet op het vorenstaande, in samenhang bezien, bestaat er geen grond voor het oordeel dat de belangenafweging al eerder dan op 4 mei 2026 in het voordeel van eiser had moeten uitvallen. De onder 4. weergegeven beroepsgrond slaagt dan ook niet.
Slotsom beroepsgronden
5. Uit het voorgaande volgt dat de beroepsgronden van eiser niet leiden tot het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring in de te toetsen periode (8 april 2026 tot 4 mei 2026) op enig moment onrechtmatig is geweest.
Ambtshalve toetsing
6. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring in de te toetsen periode op enig moment onrechtmatig was. Daarnaast heeft het Hof in het arrest Adrar van 4 september 2025 (ECLI:EU:C:2025:647) voor recht verklaard dat de bewaringsrechter zo nodig ambtshalve moet nagaan of het beginsel van non-refoulement en/of het belang van het kind en het familie- en gezinsleven, bedoeld in respectievelijk artikel 5, onder a) en b), van richtlijn 2008/115 zich verzetten tegen de verwijdering als de bewaringsmaatregel is opgelegd om de terugkeer van een illegaal verblijvende derdelander voor te bereiden en/of om de verwijderingsprocedure uit te voeren. Het is de rechtbank niet gebleken dat het familie- en gezinsleven van eiser of het beginsel van non-refoulement zich in de te toetsen periode verzette tegen eisers verwijdering. Daarbij wijst de rechtbank ook op wat onder 3.1. en 4.2. is overwogen over het ontbreken van documenten over eisers identiteit en, in het verlengde daarvan, over zijn familierechtelijke situatie.
Conclusie
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.A. Groeneveld, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Felić, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.