RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser,
de minister van Asiel en Migratie, de minister
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.25383
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. T. der Bedrosian),
en
(gemachtigde: mr. S.J. de Vries).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van eisers asielaanvraag. Eiser is het niet eens met deze afwijzing. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Met het bestreden besluit wordt niet duidelijk op welke wijze de aanvraag is getoetst, het besluit bevat daarom een motiveringsgebrek, de afwijzing van de asielaanvraag kan dan ook niet op deze manier in stand blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 25 juni 2022 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel. De minister heeft met het besluit van 1 december 2022 de aanvraag niet in behandeling genomen omdat Spanje verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. Het beroep van eiser hiertegen is met de uitspraak van 27 januari 2023 ongegrond verklaard.
Omdat eiser niet tijdig is overgedragen, is aan eiser op 21 februari 2023 bericht dat zijn aanvraag is opgenomen in de nationale procedure. De aanvraag is in Nederland in behandeling genomen en de minister heeft met het bestreden besluit van 12 mei 2025 (bestreden besluit 1) deze aanvraag afgewezen als ongegrond.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De minister heeft op 17 oktober 2025 laten weten dat het bestreden besluit van 12 mei 2025 een motiveringsgebrek bevat voor zover het besluit ziet op de gestelde toegeschreven politieke mening, namelijk de vermeende politieke opvattingen van de vader van eiser, het stamhoofd. Om die reden is op 20 oktober 2025 een nieuw voornemen genomen. Hier heeft eiser op 31 oktober 2025 met een zienswijze op gereageerd.
De minister heeft de aanvraag van eiser met het besluit van 5 december 2025 (bestreden besluit 2), onder aanvullende motivering, afgewezen als ongegrond. Dit besluit maakt op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht van rechtswege onderdeel uit van deze procedure.
De rechtbank heeft het beroep op 30 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, een tolk en de gemachtigde van de minister.
Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser komt uit Jemen en daar is het niet veilig. Daarbij is de vader van eiser sjeik/stamhoofd. De regering van Jemen wil de steun van eisers vader en zijn stam, maar dit wil eisers vader niet. Omdat eiser de oudste zoon is, zal hij zijn vader opvolgen. De regering zal hem arresteren als hij zich in Jemen laat zien, dit als pressiemiddel om zijn vader over te halen de regering te steunen. Eiser heeft broertjes en zusjes, maar die zijn jonger en zullen geen stamhoofd worden. Om die reden zijn zij veilig. De vader van eiser wordt zelf beschermd door zijn stam. Eisers vader heeft jaren geleden al gezegd dat eiser als opvolger gevaar loopt. Om die reden heeft eiser vanaf 2008 enkele jaren in Saoedi-Arabië gewoond. Door Saoedisering werd eisers contract in 2019 niet verlengd zodat hij niet langer in Saoedi-Arabië kan blijven. Hij moet dus terug naar Jemen, maar dat is te gevaarlijk. Eiser vreest bij terugkeer te worden opgepakt en vreest voor zijn leven.
Het bestreden besluit
4. In het besluit van 12 mei 2025 heeft de minister de volgende asielmotieven benoemd:
Identiteit, nationaliteit en herkomst en
Problemen wegens conflict tussen stam en regering.
Met het besluit van 5 december 2025 is dit aangevuld met het volgende asielmotief:
- Problemen door toegedichte politieke overtuiging.
De minister stelt zich op het standpunt dat de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig zijn. De verklaringen van eiser over de overige asielmotieven zijn niet nader onderbouwd, daarbij zijn eisers verklaringen deels vaag, algemeen en op punten tegenstrijdig. De verklaringen van eiser vormen volgens de minister geen samenhangend geheel. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer problemen zal ervaren. Ook is in het bestreden besluit 2 toegelicht dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt waarom juist hij een groter risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld, zoals bedoeld in artikel 15 aanhef en onder c van de Kwalificatierichtlijn (Kri). De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag wordt afgewezen als ongegrond.
Beoordeling door de rechtbank
5. De rechtbank stelt vast dat het beroep van eiser ziet op het oordeel van de minister over het tweede en derde asielmotief en over de volgens eiser naar voren gebrachte individuele risicofactoren in het kader van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kri.
Problemen wegens conflict tussen stam en regering
6. Eiser meent dat de kern van zijn relaas wel consistent en samenhangend is. Daarbij is zijn verhaal over de conflicten tussen stam en regering chronologisch plausibel en niet in strijd met bekende feiten over de situatie in de regio. De rechtbank stelt vast dat de minister wel geloofwaardig acht dat de vader van eiser sjeik/stamhoofd is. Ook dat eiser zijn vader na zijn dood zou kunnen opvolgen wordt geloofd.
De rechtbank is van oordeel dat de minister de problemen van de stam met de regering niet geloofwaardig heeft kunnen vinden. Eiser benoemt dat zijn vader vaak wordt lastiggevallen door de regering, maar niet wat dit lastigvallen inhoudt. Ook verklaart eiser dat zijn vader en broers bang zijn voor arrestaties, maar er hebben geen arrestaties plaatsgevonden. Bij doorvragen verklaart eiser dat de regering in 2008 met zijn vader heeft gepraat en heeft benoemd dat zijn kinderen problemen konden krijgen als hij de regering niet volgt. Vanaf 2012 is de regering naar eiser gaan vragen. Wanneer nogmaals wordt doorgevraagd op wat dit concreet inhoudt, benoemt eiser dat ze vragen stelden en daarna weggingen. Eiser heeft niet nader toegelicht wat de bedreigingen en het lastigvallen concreet inhouden. Daarbij heeft de minister kunnen meewegen dat eiser enkel verwijst naar verklaringen van zijn vader over de problemen. Dit terwijl eiser zelf in 2012 terug is geweest in Jemen, en hij destijds geen problemen heeft ondervonden ondanks het feit dat hij langs verschillende controleposten van de regering is gereisd. De rechtbank is van oordeel dat de minister de stelling van eiser dat zijn vader is bedreigd, zonder concreet te kunnen maken wat deze bedreiging inhoudt, onvoldoende heeft kunnen vinden. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Problemen door toegedichte politieke overtuiging
7. Eiser voert over het derde asielmotief aan dat een onjuiste toets is toegepast. De rechtbank stelt vast dat voor de beoordeling van dit asielmotief een nieuw besluit is genomen. In dit besluit is een kopje opgenomen: “Problemen door toegedichte politieke overtuiging is niet geloofwaardig”. Daaronder wordt ingegaan op de geloofwaardigheid van dit motief waarbij ook naar de inhoud van het eerder genomen voornemen en het eerder genomen besluit wordt verwezen. Dit kopje wordt afgesloten met: “Gelet op bovenstaande is het ook niet aannemelijk dat u bij terugkeer problemen zou ervaren als gevolg van een toegedichte politieke overtuiging.”. Ter zitting is namens de minister toegelicht dat in het (voornemen en het) besluit 2 is getoetst of het aannemelijk is dat eiser bij terugkeer problemen zal ervaren, dat ziet op de zwaarwegendheid. Dit betekent volgens de minister echter niet, zo is desgevraagd ter zitting aangevuld, dat de problemen door toegedichte politieke overtuiging geloofwaardig zijn geacht.
De rechtbank is van oordeel dat onduidelijk is hoe de minister in het bestreden besluit 2 tot de afwijzing is gekomen. De minister heeft het nodig geacht een nieuw besluit te nemen waarin het motief ‘problemen door toegedichte politieke overtuiging’ wordt beoordeeld. Dit motief was in het eerdere besluit niet meegenomen. Gelet op de tekst van het besluit en de toelichting ter zitting is niet duidelijk wat er nu precies is beoordeeld. Met name blijft onduidelijk in hoeverre het betreffende asielmotief geloofwaardig wordt bevonden. De tekst van het besluit lijkt te impliceren dat dat niet het geval is. Maar dit verhoudt zich moeizaam tot het beoordelen van de zwaarwegendheid. De zitting heeft op dit punt geen duidelijkheid gebracht. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het bestreden besluit 2 een motiveringsgebrek bevat. Het beroep slaagt. Nu het beroep reeds op dit punt gegrond is en de minister een nieuw besluit moet nemen, ziet de rechtbank geen aanleiding om een oordeel te geven over de gronden die zijn ingediend in het kader van de 15c-situatie.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit 2 en draagt de minister op om een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.
Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Munsterman, rechter, in aanwezigheid van N. Walstra, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.