ECLI:NL:RBDHA:2026:15393

ECLI:NL:RBDHA:2026:15393

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 08-06-2026
Datum publicatie 08-06-2026
Zaaknummer 09/229353-25 en 09/264365-24 (ttz. gev.)
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

De verdachte is veroordeeld voor meerdere mishandelingen van zijn (inmiddels ex-) vriendin gedurende een periode van twee jaren, poging tot zware mishandeling jegens haar meermaals gepleegd, poging afpersing van zijn ex-vriendin door haar te dreigen met het versturen van naaktbeelden en vernieling van de geboorteknuffel van die ex-vriendin. Daarnaast is de verdachte veroordeeld voor roekeloos rijden en het rijden onder invloed. De rechtbank legt aan de verdachte een gevangenisstraf op voor de duur van 30 maanden waarvan 10 maanden voorwaardelijk, onder bijzondere voorwaarden en dadelijk uitvoerbaar. Daarnaast krijgt de verdachte een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 3 jaren en een 38v-maatregel opgelegd. Vordering benadeelde partijen gedeeltelijk toegewezen.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummers: 09/229353-25 en 09/264365-24 (ttz. gev.)

Datum uitspraak: 4 juni 2026

Tegenspraak

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte]

geboren op [geboortedatum 1] 2003 te [geboorteplaats] ,

BRP-adres: [adres 1] .

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 21 mei 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. D.F.R. de Vrught en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. H. Blaauw naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd:

onder parketnummer 09/229353-25 (hierna dagvaarding I)

(1) primair: zware mishandeling van zijn levensgezel op 5 februari 2023;

onder parketnummer 09/264365-24 (hierna dagvaarding II)

De volledige tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. De bewijsbeslissing

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het bij dagvaarding I onder 1 primair tenlastegelegde en tot bewezenverklaring van het bij dagvaarding I onder 1 subsidiair, 2, 3, 4, 5 en 6 en bij dagvaarding II onder 1 en 2 tenlastegelegde.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van hetgeen bij dagvaarding I onder 1 primair en subsidiair, 2 en 4 en bij dagvaarding II onder 2 ten laste is gelegd. Ten aanzien van het bij dagvaarding I onder 3 ten laste gelegde heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat dit feit partieel bewezen kan worden verklaard. Met betrekking tot het bij dagvaarding I onder 5 en 6 en bij dagvaarding II onder 1 tenlastegelegde heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank

Vrijspraak

Dagvaarding I, feit 1 primair: zware mishandeling

De rechtbank stelt voorop dat onder zwaar lichamelijk letsel op grond van artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht onder meer wordt begrepen: ziekte die geen uitzicht op volkomen genezing overlaat en voortdurende ongeschiktheid tot uitoefening van ambts- of beroepsbezigheden. Ook buiten deze gevallen kan lichamelijk letsel als zwaar worden beschouwd indien dat voldoende belangrijk is om naar gewoon spraakgebruik als zodanig te worden aangeduid.

Bij de beantwoording van de vraag of letsel als zwaar lichamelijk letsel moet worden aangemerkt, kunnen als algemene gezichtspunten worden aangemerkt de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en/of het uitzicht op (volledig) herstel.

In de beoordeling kan voorts worden betrokken of restschade aanwezig is, in het bijzonder in de vorm van één of meerdere littekens. Daarbij kunnen van belang zijn het uiterlijk en de ernst van het litteken en daarmee samenhangend de mate waarin dat litteken het lichaam ontsiert, en eventueel of in verband met dat litteken - langdurige - pijnklachten (hebben) bestaan (Hoge Raad 3 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1051).

De rechtbank stelt op basis van het dossier en de toegestuurde foto’s vast dat de aangeefster [aangeefster] (hierna: de aangeefster) een litteken heeft op haar hoofd en dat dit litteken (deels) achter de haargrens zit. Dit is echter geen (duidelijk) zichtbaar litteken, waardoor de rechtbank van oordeel is dat dit niet op zichzelf kan worden aangemerkt als blijvend letsel. De rechtbank is daarmee van oordeel dat de primair ten laste gelegde zware mishandeling niet wettig en overtuigend is bewezen en zal de verdachte daarom vrijspreken van dit feit.

Dagvaarding I, feit 4: psychische mishandeling

De rechtbank is ten aanzien van dit feit van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat sprake is van mishandeling in de zin van artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank verwijst naar de conclusie van A-G Kempen (ECLI:NL:PHR:2026:238). De rechtbank overweegt daartoe dat psychische mishandeling niet zonder meer kan worden aangemerkt als mishandeling dan wel benadeling van de gezondheid als bedoeld in voornoemd artikel. Ook als aangenomen wordt dat de verdachte de handelingen zoals tenlastegelegd heeft begaan, kan de rechtbank deze handelingen niet kwalificeren als mishandeling in de zin van artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank overweegt dat maatschappelijke en politieke ontwikkelingen aanleiding kunnen geven tot een explicietere strafbaarstelling van psychische mishandeling, maar het ligt niet op de weg van de strafrechter om daarop vooruit te lopen. De verdachte zal omdat ‘heeft mishandeld’ een bestanddeel is van de tenlastelegging van dit feit worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht feiten 1 subsidiair, 2, 3, 5 en 6 op dagvaarding I en 1 en 2 op dagvaarding II wettig en overtuigend bewezen.

De rechtbank heeft onder bijlage II opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.

Bewijsoverwegingen

Dagvaarding I

Betrouwbaarheid aangeefster

Op 16 juni 2025 heeft de aangeefster aangifte gedaan tegen haar (inmiddels ex)vriend, de verdachte. Zij heeft verklaard dat zij in de periode 16 oktober 2022 tot en met 1 juli 2024 meermalen is mishandeld, dat de verdachte gepoogd heeft haar af te persen met seksueel getinte video’s en dat de verdachte onder andere haar geboorteknuffel heeft vernield. De rechtbank stelt voorop dat de aangeefster gedetailleerde en uitgebreide verklaringen heeft afgelegd en haar aangifte heeft onderbouwd met foto’s, video’s en chatberichten. In haar verhoren heeft de aangeefster over de gebeurtenissen, de volgorde en de plekken steeds gedetailleerd, consistent en niet onderling tegenstrijdig verklaard. Haar verklaringen vinden in belangrijke mate en op overtuigende wijze steun in andere bewijsmiddelen (zoals in bijlage II opgenomen). Bovendien heeft de aangeefster niet alleen beschreven wat haar fysiek is overkomen, maar ook wat haar gevoel was op die momenten, zoals paniek en angst. Dat maakt de verklaring van de aangeefster authentiek. De rechtbank heeft gelet daarop geen aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van de aangeefster.

Daartegenover staat de verklaring van de verdachte. De verdachte heeft in grote lijnen en kort gezegd verklaard dat hij en de aangeefster vaak ruzie hadden en dat er in ‘the heat of the moment’ wel lichamelijk contact is geweest en dat er vaker sprake was van slaan met de vlakke hand, duwen en trekken. De verdachte bagatelliseert bij alle geweldshandelingen zijn eigen rol en geeft de aangeefster geregeld de schuld van zijn handelen. Een aantal geweldshandelingen heeft de verdachte wel bekend, maar die zouden zijn voortgekomen uit het ‘toxische gedrag’ van de aangeefster.

De rechtbank zal gelet op hetgeen hiervoor is overwogen de verklaringen van de aangeefster als uitgangspunt nemen en per feit beoordelen of de verklaringen voldoende steun vinden in andere bewijsmiddelen.

Ten aanzien van feit 1 subsidiair: poging tot zware mishandeling op 5 februari 2023

De raadsman van de verdachte heeft bepleit dat er geen sprake is van een poging tot zware mishandeling omdat de verdachte geen (voorwaardelijk) opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

De aangeefster heeft verklaard dat zij ruzie had op de trap van de begane grond naar de eerste verdieping. De aangeefster voelde dat de verdachte haar beetpakte en vijf keer met haar hoofd sloeg tegen de rand van de trap. De verdachte heeft verklaard dat hij de aangeefster heeft geduwd en dat zij daardoor met haar hoofd op de trap is gevallen. De raadsman van de verdachte heeft aangevoerd dat er in de chatberichten ook wordt gesproken over ‘duwen’ en ‘val’. De rechtbank ziet echter geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaring van de aangeefster. In het dossier zijn chatgesprekken aanwezig van de dagen na 5 februari 2023. Hierin beschrijft de aangeefster dat de verdachte ‘een gat in haar hoofd heeft geslagen’ en dat hij haar ‘de tering in slaat’. In die berichten reageert de verdachte niet dat het niet klopt. In een bericht schrijft de verdachte zelfs dat hij haar ‘de tyfus’ in slaat omdat zij hem kanker erg irriteert. Verder wordt de verklaring van de aangeefster ondersteund door de wonden die de aangeefster doorstuurt (met een hoofdwond die heeft gebloed), alsmede door een recente foto van haar voorhoofd.

Ten aanzien van het voorwaardelijk opzet van de verdachte overweegt de rechtbank als volgt. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard (zie HR 19 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:384). De rechtbank is van oordeel dat naar de uiterlijke verschijningsvorm, het meermaals slaan van het hoofd tegen de trap, het handelen van de verdachte zozeer was gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel dat het niet anders kan dan dat de verdachte de kans op dat gevolg bewust heeft aanvaard. Uit algemene ervaringsregels volgt dat dergelijk geweld tegen het lichaam en het hoofd kan leiden tot schade aan vitale organen en de hersenen.

Ten aanzien van feit 2: poging tot zware mishandeling op 7 april 2024

De raadsman van de verdachte heeft ten aanzien van dit feit eveneens bepleit dat er geen sprake is van een poging tot zware mishandeling omdat de verdachte geen (voorwaardelijk) opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

De rechtbank volgt de verdediging daarin niet. De rechtbank acht bewezen dat de verdachte de aangeefster over de grond heeft gesleurd en haar vervolgens meermaals tegen het hoofd en lichaam heeft geslagen, gestompt en haar meerdere kopstoten heeft gegeven. De rechtbank heeft ter zitting beelden getoond, waaruit blijkt dat een groot deel van de klappen is gegeven terwijl de aangeefster op de grond lag. De verdachte heeft daarbij meermalen uitgehaald naar het hoofd en lichaam van de aangeefster. De verdachte heeft hier ter zitting over verklaard dat hij de aangeefster over de grond heeft getrokken en haar vervolgens met een vlakke hand of met de zijkant van zijn hand heeft geslagen op haar lichaam. De rechtbank ziet dat anders en verklaart alle ten laste gelegde geweldshandelingen bewezen. De rechtbank overweegt dat het hierbij gaat om het langdurig toepassen van geweld jegens aangeefster. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat er een aanmerkelijke kans dat harde klappen met een vuist tegen het gezicht of hoofd tot zwaar lichamelijk letsel, op een wijze zoals de verdachte heeft gedaan, kan leiden, zeker als het slachtoffer op de grond ligt. Gelet op de uiterlijke verschijningsvorm heeft de verdachte de kans op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel ook bewust aanvaard.

Ten aanzien van feit 3: verschillende mishandelingen over een lange periode

De raadsman heeft bepleit dat niet alle geweldshandelingen in de tenlastelegging wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard. De verdachte heeft een aantal geweldshandelingen bekend. De rechtbank overweegt dat uit de bewijsmiddelen en bewezenverklaring afdoende blijkt welke feitelijke handelingen de rechtbank bewezen acht.

Dagvaarding II

Op 18 augustus 2024 heeft er op het kruispunt van de Lekstraat en het Scheldeplein in Den Haag een verkeersongeval plaatsgevonden tussen de auto van de verdachte (een Mini Cooper) en die van [naam 1] (een Mercedes-Benz). De verdachte reed op de tweede rijstrook en wilde linksaf slaan richting de Merwedestraat. Hierbij heeft de auto van de verdachte de auto van [naam 1] geraakt en zijn beide auto’s aan de andere kant van de kruising beland. Hierbij is schade ontstaan aan de linker achterkant van de auto van de verdachte en de rechtervoorkant van de auto van [naam 1] . Ook heeft [naam 2] , een van de inzittenden van de auto van de verdachte, letsel opgelopen.

Verkeersgedrag

De verdachte heeft een personenauto met drie passagiers bestuurd van Amsterdam naar Den Haag. Uit de verklaring van [naam 2] blijkt dat de verdachte meermalen hard heeft gereden; zij heeft het over 180 km/h en ook [naam 3] verklaart dat het rijgedrag van de verdachte ‘sportiever en sneller was’. [naam 2] heeft verklaard dat zij zich tijdens de rit meermalen onveilig heeft gevoeld en dat de inzittenden de verdachte meermalen hebben aangesproken op zijn rijgedrag. Naast de hoge snelheid waarmee de verdachte reed, heeft de verdachte ook op de andere weghelft gereden om een auto te kunnen inhalen terwijl er tegenliggers aankwamen. [naam 2] verklaart dat zij liever met de trein naar huis ging dan dat zij bij de verdachte nog langer in de auto moest blijven zitten.

Daarnaast blijkt uit het dossier dat de verdachte binnen de bebouwde kom van Den Haag meermaals aanzienlijk harder heeft gereden dan de toegestane 50 km/h. Uit de analyse van de VRI data blijkt dat de verdachte zo’n 170 meter voor het ongeluk met een geschatte snelheid reed van 103 km/h. Ook blijkt uit het forensisch onderzoek Automotive (p. 170 e.v.) dat de minimale snelheid om 04:53:10 uur tussen de 110,5 km/h en 114,3 km/h bedroeg. Dat was 15 seconden voor de crash. Hieruit maakt de rechtbank op dat de verdachte vlak voor het ongeval veel harder heeft gereden dan de toegestane snelheid van 50 km/h.

Vlak voor het ongeval heeft de verdachte met deze te hoge snelheid gereden op de rechterrijstrook op de richting rechtdoor. Naast de verdachte reed op dat moment [naam 1] op de linkerrijstrook op de richting rechtdoor. De verdachte heeft toen door linksaf te slaan, zonder kennelijk goed te kijken naar het verkeer op de rijstrook naast hem, een verkeersfout begaan. Met deze manoeuvre heeft de verdachte de rechtervoorkant van de Mercedes geraakt. [naam 1] heeft daarover verklaard dat de Mini Cooper ineens linksaf sloeg. Hierdoor zijn beide voertuigen aan de overzijde van de kruising, in tegengestelde richting, op het fietspad tot stilstand gekomen. Gelet op de schade aan de voertuigen en de verklaring van de verdachte dat hij linksaf wilde afslaan, concludeert de rechtbank dat de verdachte in botsing is gekomen met het voertuig van [naam 1] , waarna hij de controle over het stuur heeft verloren. De verdachte heeft daarbij een verkeersfout gemaakt, nu hij meerdere rijstroken heeft moeten oversteken alvorens linksaf te kunnen slaan en daarbij kennelijk onvoldoende acht heeft geslagen op het verkeer dat zich links van hem bevond.

De verdachte heeft het rode licht gepasseerd pas nadat de botsing met de auto van [naam 1] had plaatsgevonden. De rechtbank acht dit onderdeel van de tenlastelegging niet wettig en overtuigend bewezen, aangezien niet is gebleken dat het negeren van een rood stoplicht heeft bijgedragen aan het ontstaan van het verkeersongeval.

Gebruik alcohol en drugs

De rechtbank leidt uit de bewijsmiddelen af dat de verdachte zijn auto heeft bestuurd terwijl hij onder invloed verkeerde van zowel alcohol als cannabis. Bij de verdachte is in het bloed 1,30 milligram ethanol per milliliter gemeten (meer dan zes keer de grenswaarde bij combinatiegebruik) en 2,7 microgram cannabis per liter (bijna drie keer de grenswaarde bij combinatiegebruik).

Zwaar lichamelijk letsel

Ten gevolge van het ongeval heeft [naam 2] , blijkens de letselverklaring, een hoofdwond opgelopen en een breuk aan het bekken. Zij heeft gedurende vijf dagen in het ziekenhuis moeten verblijven en is geopereerd aan de breuk in haar bekken. Dit medisch ingrijpen was noodzakelijk en de verwachte genezingsduur was op dat moment ten minste zes maanden.

Gelet op de aard en ernst van dit letsel, de noodzakelijke medische behandeling en de duur van het herstel, kwalificeert de rechtbank dit letsel als zwaar lichamelijk letsel.

Aan zijn schuld te wijten

De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994.

Causaliteit

De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een causaal verband tussen de gedragingen van de verdachte en het ongeval: hij heeft, gelet op het bovenstaande, de aanrijding immers (mede) veroorzaakt. De omstandigheid dat het ongeval wellicht voor een deel ook kan worden toegeschreven aan het verkeersgedrag van [naam 1] , maakt bij een schulddelict zoals artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 niet dat aan de verdachte geen verwijt kan worden gemaakt, omdat niet is vereist dat de verwijtbare gedraging de enige gedraging moet zijn, waaraan het door de wet gewraakte gevolg is te wijten.

Schuld

In de tweede plaats moet de verdachte ten aanzien van het verkeersongeval een schuldverwijt kunnen worden gemaakt. Schuld kan in verschillende gradaties voorkomen, variërend van aanmerkelijk onvoorzichtig rijgedrag tot roekeloosheid, hetgeen de zwaarste vorm van schuld oplevert. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van roekeloosheid. De rechtbank zal moeten beoordelen of daarvan sprake is.

Roekeloosheid

Met de Wet aanscherping strafrechtelijke aansprakelijkheid ernstige verkeersdelicten heeft de wetgever het begrip roekeloosheid nader ingevuld en het toepassingsbereik daarvan verbreed. In artikel 175 van de Wegenverkeerswet 1994 is bepaald dat van roekeloosheid in elk geval sprake is indien het gedrag tevens kan worden aangemerkt als een overtreding van artikel 5a, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994. Indien dat het geval is, kan dit gedrag worden aangemerkt als roekeloosheid in de zin van artikel 6, in verbinding met artikel 175, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Artikel 5a van de Wegenverkeerswet 1994

De rechtbank moet beoordelen of de verdachte met het hiervoor vastgestelde verkeersgedrag dat heeft geleid tot het ongeval (a) de verkeersregels heeft geschonden, (b) of hij dat in ernstige mate heeft gedaan, (c) of hij dat opzettelijk heeft gedaan en (d) of daardoor gevaar was te duchten voor zwaar lichamelijk letsel of het leven van anderen.

(a + b) De verkeersregels + in ernstige mate

De rechtbank stelt vast dat de verdachte meerdere voor de verkeersveiligheid essentiële verkeersregels heeft geschonden. De verdachte heeft immers met hoge snelheden boven de geldende maximumsnelheid gereden. Kort voor het ongeval was de indicatieve snelheid van het voertuig tussen de 110 en 114 km/h, terwijl binnen de bebouwde kom een maximale snelheid van 50 km/h is toegestaan. Daarnaast heeft de rechtbank geoordeeld dat de verdachte meerdere verkeersfouten heeft begaan tijdens het linksaf slaan de Merwedestraat in. Daar komt bij dat de verdachte een voertuig heeft bestuurd terwijl hij verkeerde onder invloed van alcohol en cannabis. De rechtbank is gelet hierop van oordeel dat de verdachte deze verkeersregels in ernstige mate heeft geschonden.

( c) Opzettelijk

De opzet van de verdachte moet zowel gericht zijn geweest op het schenden van de verkeersregels als op het in ernstige mate schenden van die regels. Bij de beantwoording van de vraag of sprake was van opzet op het in ernstige mate schenden van de verkeersregels, moeten de aard en het samenstel van de gedragingen, de omstandigheden waaronder deze werden verricht en alle overige feitelijke omstandigheden van het geval in ogenschouw worden genomen. Daaruit moet kunnen worden afgeleid dat de gedragingen in samenhang bezien naar hun uiterlijke verschijningsvorm op opzettelijke ernstige schending van de verkeersregels gericht zijn geweest.

De rechtbank is van oordeel dat de gedragingen van verdachte, te weten het rijden met een aanzienlijk hogere snelheid dan is toegestaan, het begaan van verkeersfouten en het gebruik van alcohol en cannabis, gelet op de omstandigheden waaronder die zijn begaan, niet anders dan opzettelijk worden gedaan en dat deze – zeker in samenhang bezien – naar hun uiterlijke verschijningsvorm gericht waren op een ernstige schending van de verkeersregels. De rechtbank betrekt hierbij dat de verdachte als bestuurder van een auto in beginsel verantwoordelijk kan worden geacht voor het rijgedrag en dat het gebruik van alcohol en cannabis alleen opzettelijk kan zijn gebeurd.

De rechtbank komt derhalve tot de conclusie dat de verdachte de verkeersregels opzettelijk heeft geschonden.

( d) Gevaar te duchten

Het rijgedrag van de verdachte bracht naar zijn aard en onder de gegeven omstandigheden evident levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor andere weggebruikers met zich. Dat gevaar heeft zich in dit geval ook daadwerkelijk verwezenlijkt doordat de verdachte een botsing heeft veroorzaakt waarbij een van zijn medepassagiers zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen.

Conclusie

Gelet op het bovenstaande komt de rechtbank tot de conclusie dat het verkeersgedrag van de verdachte dat heeft geleid tot het ongeval voldoet aan de delictsomschrijving van artikel 5a, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 en als roekeloos valt aan te merken. Daarmee heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het veroorzaken van een botsing in het verkeer waarbij sprake is van de zwaarste vorm van schuld, namelijk roekeloosheid.

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:

ten aanzien van dagvaarding I:

1. subsidiair

hij op 5 februari 2023 te [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan zijn levensgezel [aangeefster] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, meermalen met het hoofd van die [aangeefster] tegen de rand van de trap heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2

hij op 7 april 2024 te [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan zijn levensgezel [aangeefster] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen

- die [aangeefster] over de grond heeft gesleurd,

- meermalen tegen het hoofd en lichaam van die [aangeefster] heeft geslagen terwijl die [aangeefster] op de grond lag en hij op het lichaam van die [aangeefster] zat, en gestompt, en

- die [aangeefster] meerdere kopstoten heeft gegeven,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3

hij op meer tijdstippen in de periode van 16 oktober 2022 tot en met 25 juni 2024 te [plaats] zijn levensgezel [aangeefster] heeft mishandeld door die [aangeefster]

- te bijten in haar hand en oor,

- tegen haar armen en benen te slaan en stompen en schoppen,

- in haar gezicht, althans tegen het hoofd, te slaan en stompen,

- een kopstoot te geven,

- aan haar haren te trekken,

- zijn vingers in de mond van die [aangeefster] te doen en in de richting van de mondhoeken te trekken en

- te duwen;

5

hij op 4 december 2024 te [plaats] , ter uitvoering van het voorgenomen misdrijf om [aangeefster] door enige andere feitelijkheid en door bedreiging met enige andere feitelijkheid gericht tegen [aangeefster] , wederrechtelijk te dwingen iets te doen, te weten

- de afgifte van 1.000 euro,

door

- die [aangeefster] berichten te sturen met daarin de tekst: “(…) Doezoe en ik stop. Jouw keuze dit. Je had nooit filmpjes van mij moeten sturen (…) stuur m deze wel en daarna dat ik op je rug tuf a hoer” en

- ( daarbij) seksueel getinte beelden van die [aangeefster] te sturen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

6

hij op 1 juli 2024 te [plaats] opzettelijk en wederrechtelijk de (geboorte)knuffel, die aan [aangeefster] toebehoorde, heeft vernield;

ten aanzien van dagvaarding II

1hij op 18 augustus 2024 te 's-Gravenhage een voertuig, te weten een auto, heeft bestuurd na gebruik van meer in artikel 2 van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer aangewezen stoffen als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994, te weten alcohol en cannabis (THC), terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van genoemde Wet het gehalte in zijn bloed 1,30 milligram ethanol (alcohol) per milliliter bloed en 2,7 microgram THC per liter bloed bleek te zijn, in elk geval telkens zijnde hoger dan de in artikel 3 van het genoemd Besluit, bij die stoffen afzonderlijk vermelde grenswaarde;

2hij op 18 augustus 2024 te 's-Gravenhage als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, de Lekstraat te Den Haag, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waarbij hij roekeloos

- heeft gereden onder invloed van alcohol en drugs en- met een veel te hoge snelheid heeft gereden en

- ( vervolgens) zonder (goed) te kijken naar de linkerbaan is gestuurd en - (vervolgens) tegen een personenauto bestuurd door [naam 1] is gebotst en- (vervolgens) de controle over het stuur is verloren,waardoor een ander (genaamd [naam 2] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten een breuk aan het bekken, werd toegebracht.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5. De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6. De strafoplegging

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en als bijzondere voorwaarden (kort gezegd):

een meldplicht bij de reclassering,

een ambulante behandeling door De Waag,

een contactverbod met [aangeefster] ,

het meewerken aan het aflossen van schulden en

beheersing van het middelengebruik.

Daarnaast heeft de officier van justitie ten aanzien van dagvaarding II onder 2 een ontzegging van de rijbevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van 5 jaren gevorderd.

Hiernaast heeft de officier van justitie gevorderd dat aan de verdachte, als vrijheidsbeperkende maatregel zoals bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht, een contact- en locatieverbod voor de duur van drie jaren wordt opgelegd, waarbij per overtreding 2 weken hechtenis zal worden opgelegd, met een maximum van 6 maanden.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft de rechtbank verzocht om bij een veroordeling een gevangenisstraf op te leggen gelijk aan de duur van de voorlopige hechtenis, gecombineerd met een taakstraf. Ten aanzien van de ontzegging van de rijbevoegdheid heeft de verdediging verzocht om geen langere onvoorwaardelijke ontzegging op te leggen dan het aantal maanden dat de verdachte zijn rijbewijs reeds kwijt is geweest.

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.

De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Ernst van de feiten

De verdachte heeft gedurende langere periode zich schuldig gemaakt aan meerdere mishandelingen, waaronder ook pogingen tot zware mishandeling, vernieling en een poging tot afpersing. De verdachte heeft verklaard dat zijn gedragingen gebeurd zijn ‘in the heat of the moment’. Uit het dossier blijkt echter een beeld van zorgelijk en destructief gedrag jegens de aangeefster. Met zijn gedragingen heeft de verdachte laten zien dat hij geweld niet schuwt. De meeste mishandelingen hebben plaatsgevonden in het huis van de aangeefster, bij uitstek de plek waar zij zich veilig zou moeten voelen, terwijl de verdachte juist bij haar was ingetrokken. Als gevolg van het handelen van de verdachte heeft de aangeefster letsel opgelopen, waaronder een blijvend litteken (deels) achter haar haarlijn. De verdachte heeft met zijn gedrag een grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de aangeefster. Daar komt bij dat de verdachte ook de geboorteknuffel van de aangeefster heeft vernield en dit gefilmd, kennelijk om haar hiermee te confronteren. Hiermee heeft hij niet een voor de aangeefster emotioneel waardevolle en onvervangbare herinnering beschadigd. Na beëindiging van de relatie heeft de verdachte gedreigd seksueel getinte video’s van de aangeefster openbaar te maken. Het handelen van de verdachte heeft geleid tot gevoelens van angst, onveiligheid en psychische problematiek bij aangeefster, waaronder posttraumatische stressklachten. De verdachte heeft een verregaande inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de aangeefster, zijn vriendin, en heeft het door haar in de verdachte gestelde vertrouwen op grove wijze beschaamd.

De verdachte heeft beperkte verantwoordelijkheid genomen voor zijn gedrag en de geweldshandelingen gebagatelliseerd. Gedurende de gehele ten laste gelegde periode en tijdens het strafproces heeft hij het beeld geschetst dat de aangeefster ‘het probleem’ was. De rechtbank rekent dit de verdachte ten zeerste aan.

De verdachte heeft zich daarnaast als bestuurder van een auto roekeloos gedragen. Hij heeft een aanrijding veroorzaakt waarbij een andere inzittende van de door hem bestuurde auto zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Het rijgedrag van de verdachte was levensgevaarlijk. Hij heeft gedurende langere tijd onder invloed van drank en drugs met veel te hoge snelheid gereden en ten tijde van het ongeluk rigoureus naar links is afgeslagen zonder voldoende acht te slaan op het verkeer dat zich links van hem bevond. Hij heeft hiermee gevaar veroorzaakt en dit heeft geleid tot een ernstig ongeluk. De andere inzittende is geopereerd, heeft meerdere dagen in het ziekenhuis gelegen en heeft langere tijd moeten herstellen van haar letsel.

Strafblad

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van 13 april 2026 van de verdachte, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor huiselijk geweld dan wel voor het overtreden van de Wegenverkeerswet 1994. Wel merkt de rechtbank op dat de verdachte in 2025 is veroordeeld voor een geweldsdelict, te weten openlijke geweldpleging. In het voordeel van de verdachte weegt de rechtbank mee dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.

Persoon van de verdachte

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken van de reclassering over de verdachte:

- een Pro Justitia consult ten behoeve van de voorgeleiding door psycholoog drs. M.H. Keppel;

- een Pro Justitia rapportage psychologisch onderzoek van drs. T. ’t Hoen (gezondheidspsycholoog) gedateerd 27 februari 2026 en

- een reclasseringsadvies uitgebracht door Reclassering Nederland gedateerd 23 april 2026.

Pro Justitia psychologisch onderzoek d.d. 27 februari 2026

Uit de rapportage van psycholoog blijkt dat er sprake is van narcistische trekken en antisociaal gedrag bij de verdachte, waarbij mogelijke verslavingsproblematiek en het feit dat hij zich in een kwetsbare levensfase bevindt, maakt dat op dit moment (nog) geen harde persoonlijkheidsstoornis kan worden vastgesteld. Desondanks zijn er zorgen over de persoonlijkheidsontwikkeling bij de verdachte. Er wordt geadviseerd om de reeds gestarte behandeling bij De Waag voort te zetten.

Reclasseringsadvies d.d. 23 april 2026

Uit het reclasseringsadvies over de verdachte wordt geconcludeerd dat sprake is van mogelijke verslavingsproblematiek in de vorm van gokken en het beleggen van geld en blowen. De financiën en middelen van verdachte vormen daarbij een risico. Daarnaast lijkt er sprake van een probleem in de impulscontrole of agressiebeheersing bij de verdachte en zijn er aanwijzingen dat er sprake is van een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling en beperkt empathisch vermogen. De reclassering schat het risico op recidive en letsel in als gemiddeld. Bij een veroordeling adviseert de reclassering om de volgende bijzondere voorwaarden op te leggen:

een meldplicht,

een ambulante behandeling,

een contactverbod met [aangeefster] ,

het meewerken aan aflossen van schulden en

beheersing van middelengebruik.

De op te leggen straf

De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat gekeken naar de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting en naar straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Bij een mishandeling met lichamelijk letsel wordt doorgaans een geldboete opgelegd, tenzij sprake is van huiselijk geweld. Daarbij overweegt de rechtbank dat sprake is van langdurige mishandelingen jegens de levensgezel van de verdachte, hetgeen in twee gevallen kan worden gekwalificeerd als een poging tot zware mishandeling.

Ten aanzien van dagvaarding II overweegt de rechtbank als volgt. De oriëntatiepunten zien niet op gevallen waarin de schuld bestaat uit roekeloosheid (de zwaarste schuldvorm). Als uitgangspunt geldt voor een overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, waarbij sprake is van een zeer hoge mate van schuld met zwaar lichamelijk letsel als gevolg, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden en een ontzegging van de rijbevoegdheid van twee jaren. Bij roekeloosheid geldt dat dit doorwerkt in de strafmaat, afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval. Nu de rechtbank roekeloosheid bewezen acht, weegt de rechtbank die hoogste mate van onvoorzichtigheid, mede gelet op de aard van de gedragingen en de ernstige gevolgen van de aanrijding voor het slachtoffer, als strafverzwarend mee.

Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt. De rechtbank komt tot een lagere straf dan de eis van de officier van justitie, omdat zij tot een beperktere bewezenverklaring komt.

Alles afwegende zal de rechtbank aan de verdachte opleggen een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan 10 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd 2 jaren. Hieraan zal de rechtbank als bijzondere voorwaarden verbinden een meldplicht, een ambulante behandeling, een contactverbod met [aangeefster] , aflossing van schulden en beheersing van het middelengebruik. De rechtbank zal deze voorwaarden dadelijk uitvoerbaar verklaren, omdat er – mede gelet op het reclasseringsadvies en het strafblad – ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.

Daarnaast zal de rechtbank, rekening houdend met de oriëntatiepunten van het LOVS, aan de verdachte opleggen een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van drie jaren.

De op te leggen maatregel

De rechtbank ziet daarnaast, ter beveiliging van de maatschappij en ter voorkoming van (vergelijkbare) strafbare feiten, aanleiding om op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht een vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen, te weten een contactverbod met [aangeefster] , geboren [geboortedatum 2] 2001, alsmede een locatieverbod inhoudende dat de verdachte zich niet bevindt in een straal van 200 meter rondom [adres 2] , de plek waar het slachtoffer werkt, en in een straal van 200 meter rondom [adres 3] , de woning van het slachtoffer.

De rechtbank zal deze maatregel dadelijk uitvoerbaar verklaren, omdat er – mede gelet op het reclasseringsadvies en het strafblad – ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen en/of zich opnieuw belastend zal gedragen jegens een bepaald persoon of bepaalde personen.

De maatregel geldt voor de duur van drie jaren en voor iedere keer dat de verdachte de maatregel overtreedt, zal vervangende hechtenis worden opgelegd voor de duur van een week, met een maximum van zes maanden.

Voorlopige hechtenis

Bij bevel van 1 september 2025 heeft de rechter-commissaris de voorlopige hechtenis van de verdachte geschorst met onmiddellijke ingang. De officier van justitie heeft ter zitting verzocht de schorsing van de voorlopige hechtenis op te heffen.

De rechtbank overweegt daaromtrent als volgt. Gelet op HR 24 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:987, ligt het, bij de vraag of een schorsing bij eindvonnis moet worden opgeheven, in de rede dat de rechter op grond van de actuele situatie beoordeelt of, gelet op de belangen van strafvordering en de belangen van de verdachte, het aflopen van de schorsing noodzakelijk is. De enkele omstandigheid dat bij vonnis een onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd van langere duur dan de ondergane voorlopige hechtenis, zoals in dit vonnis, vormt geen toereikende grond voor de opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis. Thans is ruim een half jaar verstreken na de schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte. Zijn actuele situatie is dat hij inmiddels aan het werk is gegaan op basis van een tijdelijke arbeidsovereenkomst. Op basis van het voorgaande acht de rechtbank de persoonlijke belangen van de verdachte op dit moment zwaarwegender dan het strafvorderlijk belang en zal de rechtbank het verzoek tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis afwijzen.

Mede gelet op de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden, hetgeen erop neerkomt dat de verdachte zich direct moeten houden aan die voorwaarden, zal de rechtbank het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van heden opheffen.

7. De vordering van de benadeelde partij/de schadevergoedingsmaatregel

[aangeefster] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en een schadevergoeding gevorderd van € 23.026,81 subsidiair € 4.026,89 aan materiële schade en € 7.000,- aan immateriële schade. De materiële schade is opgebouwd uit de volgende schadeposten:

Volgens de advocaat van de benadeelde partij zou het totaal uitkomen op € 23.026,81, dan wel € 4.026,89. De rechtbank komt op een totaal van € 23.426,81, dan wel € 4.333.89.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich ten aanzien van de gevorderde materiële schade gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van de immateriële schade heeft de officier van justitie gesteld dat de vordering toewijsbaar is met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel en de wettelijke rente.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft ten aanzien van de immateriële schade bepleit dat deze gematigd dient te worden. Ten aanzien van de materiële schade heeft de verdediging bepleit dat de financiële schade niet in rechtstreeks verband staat met de ten laste gelegde feiten. Met betrekking tot de medische kosten heeft de raadsman alle posten betwist en verzocht om niet-ontvankelijkheid, behalve de kosten voor GGZ [instelling] . Ten aanzien daarvan heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank

Immateriële schade

Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door de bewezen verklaarde feiten. Op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien de benadeelde partij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk en geestelijk letsel heeft opgelopen en er een ernstige inbreuk is gemaakt op de persoonlijke levenssfeer en lichamelijke integriteit.

De rechtbank is, anders dan de raadsman, van oordeel dat namens de benadeelde partij voldoende is onderbouwd wat de gevolgen van het strafbare feit zijn geweest. Uit de vordering tot schadevergoeding blijkt dat de benadeelde partij tot op heden zeer angstig is. Daar komt bij dat zij is gediagnosticeerd met een posttraumatische stressstoornis (hierna: PTSS) en in behandeling is (geweest) bij een psycholoog.

Voor de vaststelling van de hoogte van de immateriële schadevergoeding zoekt de rechtbank aansluiting bij de ‘Rotterdamse schaal’. Dit betreft een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen en bevat indicaties voor het toekennen van een passende immateriële schadevergoeding.

Gelet op de voornoemde omstandigheden en de bedragen die in soortgelijke zaken als schadevergoeding worden toegekend, is de rechtbank van oordeel dat het gevorderde bedrag van € 7.000,- billijk is.

Materiële schade

Netto financieel verlies

Ten aanzien van de materiële schade, voor zover deze ziet op de post ‘netto financieel verlies’, overweegt de rechtbank dat het causaal verband met de bewezen verklaarde feiten op dit moment onvoldoende kan worden vastgesteld. De vordering is gebaseerd op een financiële analyse in het strafdossier. De rechtbank kan van de gevorderde bedragen niet vaststellen, en evenmin in hoeverre deze in verband staan tot de bewezen verklaarde feiten.

Het bieden van de gelegenheid om in het kader van deze strafzaak een nadere onderbouwing te geven zou een onevenredige belasting van het strafgeding betekenen. De benadeelde partij dient dan ook, voor zover de vordering ziet op deze post, niet-ontvankelijk te worden verklaard. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Medische kosten osteopatische behandelingen en cardiologisch onderzoek

Ten aanzien van de materiële schade, voor zover deze ziet op de posten ‘osteopatische behandelingen’ en ‘cardiologisch onderzoek’, overweegt de rechtbank dat het causaal verband met de bewezen verklaarde feiten op dit moment onvoldoende kan worden vastgesteld.

Het bieden van de gelegenheid om in het kader van deze strafzaak een nadere onderbouwing te geven zou een onevenredige belasting van het strafgeding betekenen. De benadeelde partij dient dan ook, voor zover de vordering ziet op vergoeding van deze schadeposten, niet-ontvankelijk te worden verklaard. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

EMDR-therapie

Ten aanzien van deze post overweegt de rechtbank dat dit deel van de vordering namens de verdachte (gemotiveerd) is betwist en namens de benadeelde partij onvoldoende is onderbouwd. Bij het verzoek tot schadevergoeding is een agenda bijgevoegd met een aantal afspraken. Een deel van deze afspraken ligt in de toekomst en van de afspraken die reeds zijn geweest kan de rechtbank niet vaststellen wat de kosten daarvan zijn geweest. De raadsman heeft de kosten ingeschat op 40% eigen bijdrage per sessie. De rechtbank acht dat onvoldoende onderbouwd.

De benadeelde partij in het kader van deze strafzaak de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van dit deel van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij dient dan ook, voor zover de vordering ziet op vergoeding van materiële schade, niet-ontvankelijk te worden verklaard. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Declaraties GGZ [instelling]

De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de post ‘declaraties GGZ [instelling] ’, is namens de verdachte niet (gemotiveerd) betwist en door de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Deze schadepost met een totaal van € 364,21 zal daarom worden toegewezen.

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag van € 364,21 toewijzen met ingang van 27 december 2025 (zijnde de datum tussen het eerste en het laatste declaratieoverzicht, respectievelijk 6 oktober 2025 en 19 maart 2026), omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.

Eigen risico

De rechtbank zal, voor zover de vordering betrekking heeft op de post ‘eigen risico’, de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren, omdat onduidelijk waaraan dit eigen risico (dat ziet op een heel jaar) is besteed.

Het bieden van de gelegenheid om in het kader van deze strafzaak een nadere onderbouwing te geven zou een onevenredige belasting van het strafgeding betekenen. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Totaal toe te wijzen bedrag

De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van € 364,21 aan materiële schade en € 7.000,- aan immateriële schade.

De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen over een bedrag van € 364,21 vanaf 27 december 2025, en over een bedrag van € 7.000,- vanaf 21 augustus 2023 (zijnde de datum tussen de begin- en einddatum datum van de ten laste gelegde periode, respectievelijk 16 oktober 2022 en 25 juni 2024), omdat vast is komen te staan dat de betreffende kosten op die datum zijn gemaakt.

Proceskostenveroordeling verdachte

Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Schadevergoedingsmaatregel

De verdachte zal voor de bewezenverklaarde strafbare feiten worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door deze feiten aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 7.364,21, vermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag van € 364,21 vanaf 27 december 2025, en over een bedrag van € 7.000,- vanaf 21 augustus 2023, beide tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangeefster] .

8. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en/of maatregelen zijn gegrond op artikelen:

- 14 a, 14b, 14c, 36f, 38v, 38w, 45, 57, 63, 284, 300, 302, 304 en 350 van het Wetboek van Strafrecht;

- 6, 8, 175, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9. De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de bij dagvaarding I onder 1 primair en 4 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de bij dagvaarding I onder 1 subsidiair, 2, 3, 5 en 6 en het bij dagvaarding II onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:

ten aanzien van dagvaarding I onder 1 subsidiair:

poging zware mishandeling, terwijl de schuldige het misdrijf begaat tegen zijn levensgezel;

ten aanzien van dagvaarding I onder 2:

poging zware mishandeling, terwijl de schuldige het misdrijf begaat tegen zijn levensgezel;

ten aanzien van dagvaarding I onder 3:

mishandeling, terwijl de schuldige het misdrijf begaat tegen zijn levensgezel, meermalen gepleegd;

ten aanzien van dagvaarding I onder 5:

poging om een ander door een feitelijkheid en door bedreiging met een feitelijkheid, gericht tegen die ander, wederrechtelijk dwingen iets te doen;

ten aanzien van dagvaarding I onder 6:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen;

ten aanzien van dagvaarding II onder 1:

overtreding van artikel 8, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994;

ten aanzien van dagvaarding II onder 2:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht en het feit is veroorzaakt door roekeloosheid;

verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 30 (DERTIG) MAANDEN;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt dat een gedeelte van die straf, te weten 10 (TIEN) MAANDEN, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:

1. Meldplicht bij reclassering

zich meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn;

2. Ambulante behandeling

onder behandeling blijft van de forensische polikliniek de Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op diagnostiek, verslavingsproblematiek, agressiebeheersing, cognitieve vaardigheden, sociale vaardigheden, schuldenproblematiek en/of andere problematiek;

3. Contactverbod

zich onthoudt van ieder - direct of indirect - contact met [aangeefster] , geboren op [geboortedatum 2] 2001;

4. Aflossing schulden

meewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. De veroordeelde geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden;

5. Beheersing middelengebruik

meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van alcohol en/of verdovende middelen. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek/ademonderzoek/speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;

geeft opdracht aan Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden onder 1 t/m 5 en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen;

beveelt dat bovengenoemde bijzondere voorwaarden en het - op grond van artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht - uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn;

veroordeelt de verdachte ten aanzien van dagvaarding II feit 2 voorts tot:

een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van 3 (DRIE) JAREN;

bepaalt, dat de tijd, dat het rijbewijs vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak reeds ingevorderd of ingehouden is geweest bij de uitvoering van de hem opgelegde ontzegging geheel in mindering zal worden gebracht;

legt de veroordeelde op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor de

duur van 3 (DRIE) jaren, inhoudende dat de veroordeelde wordt bevolen:

- zich te onthouden van direct of indirect contact met [aangeefster] , geboren [geboortedatum 2] 2001;

- zich niet op te houden binnen een straal van 200 meter rondom [adres 2] , de plek waar het slachtoffer werkt;

- zich niet op te houden binnen een straal van 200 meter rondom [adres 3] , de woning van het slachtoffer;

beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 1 (EEN) WEEK voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van 6 (ZES) MAANDEN.

toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op;

omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde opnieuw een strafbaar feit zal plegen en zich belastend zal gedragen jegens een bepaalde persoon beveelt de rechtbank, gelet op artikel 38v, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is;

de vordering van de benadeelde partij;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 7.364,21 en veroordeelt de verdachte om dit bedrag te betalen, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente over een bedrag van € 364,21 vanaf 27 december 2025 en over een bedrag van € 7.000,- vanaf 21 augustus 2023, steeds tot aan de dag dat dit bedrag is betaald;

bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat de benadeelde partij dit deel van de vordering de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;

de schadevergoedingsmaatregel;

legt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 7.364,21 met toepassing van de wettelijke rente over een bedrag van € 364,21 vanaf 27 december 2025 en over een bedrag van € 7.000,- vanaf 21 augustus 2023, steeds tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangeefster] .

bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 61 dagen, waarbij de toepassing van gijzeling de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet opheft;

bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;

voorlopige hechtenis

heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Dit vonnis is gewezen door

mr. L. Anemaet, voorzitter,

mr. S.M. van der Schenk, rechter,

mr. S.M. Krans, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. R.J. van Egmond, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 4 juni 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. L. Anemaet
  • mr. S.M. van der Schenk
  • mr. S.M. Krans

Griffier

  • mr. R.J. van Egmond

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand