ECLI:NL:RBDHA:2026:15401

ECLI:NL:RBDHA:2026:15401

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 23-04-2026
Datum publicatie 08-06-2026
Zaaknummer NL26.8481
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Beroep gericht tegen niet tijdig beslissen op zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd. Dictum: gegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. R. Hijma),

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

uitspraak

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.8481

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

en

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingediend, omdat de minister volgens hem niet op tijd heeft beslist op zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (hierna: aanvraag)..

Overwegingen

Welke nadere beslistermijn legt de rechtbank aan de minister op?
Legt de rechtbank de minister een rechterlijke dwangsom op?

1. De rechtbank vindt het in deze zaak niet nodig om partijen uit te nodigen voor een zitting.1

2. Als een bestuursorgaan niet op tijd op een aanvraag beslist, dan kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene schriftelijk aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog moet worden beslist op zijn aanvraag (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na twee weken nog steeds geen besluit is genomen, dan kan de betrokkene beroep instellen.2

Is het beroep van eiser ontvankelijk en gegrond?

3. De minister heeft de aanvraag op 16 mei 2024 ontvangen. De minister moet uiterlijk binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag beslissen.3 Indien onderzoek plaatsvindt in het kader van de Dublinverordening vangt die termijn aan op het tijdstip waarop

1. Artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

2 Artikel 6:2, onder b, en 6:12, tweede lid, van de Awb.

3 Artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Aanvankelijk heeft de minister de beslistermijn onder toepassing van WBV 2023/26 met negen maanden verlengd. De minister heeft deze WBV echter weer ingetrokken (IB 2025/28). Als gevolg hiervan geldt voor alle asielaanvragen die zijn ingediend vanaf 1 januari 2024 weer een beslistermijn van zes maanden.

overeenkomstig de Dublinverordening wordt vastgesteld dat Nederland verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek.4

4. Onder bepaalde omstandigheden mag de minister artikel 42, zesde lid, van de Vw 2000 ook toepassen in de situatie dat de minister in de claimfase onderzoek verricht naar de toepassing van de Dublinverordening, maar uiteindelijk afziet van het leggen van een claim op een andere lidstaat.5 Dat onderzoek moet meer omvatten dan enkel een onderzoek in Eurodac naar de vingerafdrukken van de vreemdeling.

5. In het geval van eiser heeft in de claimfase onderzoek plaatsgevonden naar de toepassing van de Dublinverordening. De minister heeft, voordat hij besloot geen claimverzoek in te dienen, niet alleen onderzoek in Eurodac verricht, maar overeenkomstig artikel 34 van de Dublinverordening een verzoek om informatie gedaan. De rechtbank overweegt dat de minister ook in die situatie artikel 42, zesde lid, van de Vw 2000 mag toepassen.

6. Het is vervolgens de vraag op welk moment na dit onderzoek is vastgesteld dat de verantwoordelijkheid is overgegaan op Nederland, want vanaf dat moment begint op grond van artikel 42, zesde lid, van de Vw 2000 de beslistermijn te lopen.

7. De rechtbank stelt vast dat de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) in haar uitspraak van 26 april 2023 heeft bepaald dat ten aanzien van Italië niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan.6 De ABRvS heeft ook geoordeeld dat, alhoewel de Italiaanse autoriteiten voornemens zijn overdrachten

als bedoeld in de Dublinverordening op enig moment te hervatten, het op dit moment nog niet mogelijk is vast te stellen wanneer het gebrek aan opvangfaciliteiten zal zijn opgelost en de overdrachten aan Italië weer kunnen worden hervat.

8. Deze uitspraak brengt met zich mee dat vanaf het moment dat het voor de minister duidelijk was of had moeten zijn dat een overdracht aan Italië in geval van eiser niet mogelijk was, de minister verantwoordelijk is geworden voor de behandeling van zijn asielaanvraag. In dit geval was de asielaanvraag na de uitspraak van de ABRvS. Dat betekent dat gerekend wordt vanaf de datum van de aanvraag (16 mei 2024). De minister had dus uiterlijk op 16 november 2024 op de aanvraag moeten beslissen.

9. Eiser heeft de minister op 29 januari 2026 in gebreke gesteld. Eiser heeft meer dan twee weken na de ingebrekestelling beroep ingesteld tegen beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag. Het beroep is kennelijk ontvankelijk en gegrond.

10. De rechtbank geeft de minister in beginsel een termijn van twee weken na de dag van verzending van de uitspraak om alsnog een besluit te nemen. Er kunnen omstandigheden zijn die ervoor zorgen dat de rechtbank een andere termijn geeft.7

4 Artikel 42, zesde lid, van de Vw 2000.

5 Rb. Den Haag (zp. Arnhem) 5 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:3378.

6 ECLI:NL:RVS:2023:1654, r.o. 4.3.3.

7 Artikel 8:55d, eerste en derde lid, van de Awb.

11. Bij het bepalen van een passende nadere beslistermijn maakt de rechtbank een afweging. Daarbij houdt zij rekening met het belang van zowel snelle als zorgvuldige besluitvorming.8 Dat de beslistermijn van 21 maanden waarbinnen de behandelingsprocedure dient te worden afgerond in dit geval is overschreden, is één van de aspecten die de rechtbank in deze afweging meeweegt. Ook houdt de rechtbank er rekening mee dat uit de beschikbare stukken blijkt dat de minister een voornemen op het te nemen besluit bekend heeft gemaakt en dat eiser hierop een zienswijze heeft ingediend. De rechtbank ziet in deze omstandigheden geen aanleiding om de minister een langere nadere beslistermijn dan de wettelijke termijn van twee weken op te leggen. De nadere beslistermijn is dus twee weken. Deze termijn vangt aan na de dag van verzending van deze uitspraak.

12. De rechtbank verbindt aan haar uitspraak een dwangsom overeenkomstig het beleid dat de rechtbanken in dit verband hanteren.9 De rechtbank bepaalt in deze zaak dat de minister een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de minister de in de uitspraak bepaalde beslistermijn nu nog overschrijdt. Daarbij geldt een maximum van € 15.000,-.

Heeft de minister een bestuurlijke dwangsom verbeurd?

13. Eiser heeft de rechtbank verzocht om de hoogte van de bestuurlijke dwangsom vast te stellen.

14. Met ingang van 15 april 2025 zijn in vreemdelingenzaken de wettelijke bepalingen met betrekking tot de bestuurlijke dwangsom niet meer van kracht.10 Dit is slechts anders als de minister vóór 15 april 2025 niet tijdig heeft beslist én de minister eveneens vóór die datum in gebreke is gesteld. Deze omstandigheid doet zich in deze zaak niet voor. De rechtbank kan de hoogte van de verbeurde dwangsom daarom niet vaststellen.

Conclusie en gevolgen

15. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt en dat de minister binnen twee weken alsnog een besluit op de aanvraag bekend moet maken. Als de minister dat niet doet, verbeurt hij een dwangsom.

16. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser ook een vergoeding voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. De minister moet dit betalen. Volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht is dit een vast bedrag, omdat eiser een professionele (juridische) hulpverlener heeft ingeschakeld om voor hem een beroepschrift in te dienen. Omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden, wordt een lager bedrag toegekend (wegingsfactor 0,5). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Toegekend wordt € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5).

8 ECLI:NL:RVS:2020:1560.

9 Artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb.

Zie https://www.rechtspraak.nl/Onderwerpen/Overheidsorganisatie-beslist-niet-op-tijd/Paginas/extra-dwangsom.aspx.

10 Stb. 2025, 96.

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Skerka, rechter, in aanwezigheid van M. Eradus, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op 23 april 2026.

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. A. Skerka

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand