RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoeker] , V-nummer: [V-nummer] , verzoeker
de minister van Asiel en Migratie,
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.48388
(gemachtigde: mr. P.L.M. Stieger),
en
(gemachtigde: mr. A. Maas).
Procesverloop
1. Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor verlening van uitstel van vertrek vanwege medische redenen op grond van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) De minister heeft deze aanvraag afgewezen met het besluit van 18 augustus 2022.
2. Verzoeker heeft tegen het besluit bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 19 november 2024 op het bezwaar van verzoeker is de minister bij de afwijzing gebleven. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld. Dit beroep is geregistreerd onder zaaknummer NL24.48385.
3. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
4. De voorzieningenrechter heeft het verzoek om een voorlopige voorziening hangende het beroep op 3 maart 2026 samen met het beroep op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, mr. M. Grigorjan als waarnemer van de gemachtigde van eiser, A. Avakyan-Goloyan als tolk en de gemachtigde van de minister. Op de zitting was tevens de echtgenote van eiser aanwezig.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
5. Verzoeker is wegens betalingsonmacht vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen.
6. Bij uitspraak van vandaag, zaaknummer NL24.48385, heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het beroep. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Conclusie en gevolgen
8. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor vergoeding een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. Lange, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.M. van Luijk - Salomons, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 4 juni 2026.