ECLI:NL:RBDHA:2026:15404

ECLI:NL:RBDHA:2026:15404

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 05-06-2026
Datum publicatie 08-06-2026
Zaaknummer NL26.29670
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Grensdetentie artikel 6 3e lid, geen oordeel over aanwijzing 4.6 Vb want geen sprake van dat de vrijheidsbeperking onnodig lang heeft voortgeduurd, wel bijzondere procedure waarborgen nodig, maar dit betekent niet dat daardoor ook sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die de vrijheidsontnemende maatregel onevenredig bezwarend maken, verblijf in JCS akkoord in afwachting beantwoording prejudiciële vragen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres],

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.29670

V-nummer: [v-nummer], eiseres

(gemachtigde: mr. M.E. Muller),

en

(gemachtigde: mr. M. Dalhuisen).

Procesverloop

Bij besluit van 15 mei 2026 (het bestreden besluit) is aan eiseres met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep op 2 juni 2026 op zitting behandeld. Eiseres heeft afstand gedaan van haar recht om gehoord te worden. De gemachtigde van eiseres is, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 5.1a van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) wordt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.

2. Eiseres heeft op 14 mei 2026 om 19:35 uur aangegeven een verblijfsvergunning asiel bepaalde tijd te willen aanvragen. Uit het procesdossier blijkt dat zij op 14 mei 2026 om 21:45 uur een aanwijzing op grond van artikel 4.6 van het Vreemdelingenbesluit (Vb) heeft gehad. Volgens eiseres is onduidelijk waarom zij pas om 21:45 uur de aanwijzing op grond van artikel 4.6 van het Vb heeft gekregen. Verweerder heeft dit volgens haar onvoldoende gemotiveerd.

3. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft in de uitspraak van 20 december 2018 overwogen dat een aanwijzing voor verblijf in de lounge krachtens artikel 4.6 van het Vb kan worden gegeven aan de vreemdeling die een asielverzoek doet aan de buitengrens wanneer die aanvraag niet direct in behandeling kan worden genomen, bijvoorbeeld vanwege drukte. Verder heeft de Afdeling overwogen dat een dergelijke aanwijzing slechts als vrijheidsontneming moet worden gezien als deze door toedoen van de overheid onredelijk lang voortduurt en dat de rechtbank slechts in dat geval bevoegd is te oordelen over de vrijheidsbeperking. De Afdeling wijst er in dat verband op dat verblijf in de lounge grote nadelen heeft en dat deze slechts is bedoeld voor verblijf van ten hoogste één nacht. Verweerder heeft in het geval van eiseres in het proces-verbaal van bevindingen toegelicht dat de intake voor haar asielaanvraag niet binnen de openingstijden van de Afdeling Asielzaken kon worden gedaan en dat om die reden een aanwijzing op grond van artikel 4.6 van het Vb is gegeven. Verweerder heeft hierbij verder op zitting toegelicht dat voordat een aanwijzing kan worden gegeven bijvoorbeeld ook documenten moeten worden gecontroleerd. De rechtbank acht die toelichting voldoende. Verder is niet in geschil dat eiseres één nacht in de lounge heeft verbleven. Er is daarom geen sprake van een situatie waarin de vrijheidsbeperking in de lounge door toedoen van de overheid onnodig lang heeft voortgeduurd. Wat eiseres heeft aangevoerd kan hierom al niet leiden tot een gegrondverklaring van het beroep. De rechtbank acht zich namelijk niet bevoegd om in deze procedure te oordelen over de vrijheidsbeperking in de lounge. Eiseres heeft immers beroep ingesteld tegen de vrijheidsontnemende maatregel van 15 mei 2026. Tegen de vrijheidsbeperking staat een aparte procedure open.

4. De rechtbank volgt eiseres verder niet in het betoog dat verweerder geen juiste afweging heeft gemaakt bij de vraag of de maatregel mogelijk onevenredig belastend voor haar zou zijn. Of dat verweerder specifieke aandacht had moeten besteden aan de kwetsbare positie waarin zij zich zou bevinden. Hierbij is van belang dat eiseres zelf, voorafgaand aan het opleggen van de maatregel, heeft verklaard dat er geen redenen zijn waarom zij niet in detentie zou kunnen verblijven. De rechtbank overweegt verder dat niet is gebleken dat bijzondere omstandigheden aan de zijde van eiseres de oplegging en voortduring van de maatregel onevenredig bezwarend maken. Weliswaar blijkt uit de verslaglegging dat sprake is van een in Werkinstructie 2021/9 genoemde indicator waaruit volgt dat eiseres bijzondere procedure waarborgen nodig had, dit betekent op zichzelf niet dat daardoor ook sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die de vrijheidsontnemende maatregel onevenredig bezwarend maken. De rechtbank verwijst daarvoor naar Werkinstructie 2022/15. Verder is ook nu nog niet gebleken dat sprake is van een regime of van omstandigheden die de vrijheidsontneming evident onevenredig bezwarend maken voor eiseres.

5. Het betoog van eiseres dat de maatregel onrechtmatig is omdat het Justitieel

Complex Schiphol (JCS) volgens haar geen gespecialiseerde bewaringsaccommodatie is,

volgt de rechtbank ook niet. In dat verband wijst de rechtbank op de prejudiciële vragen die

deze rechtbank daarover heeft gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. Zoals ook gecommuniceerd in het persbericht bij die verwijzingsbeslissing is de rechtbank in afwachting van de beantwoording van de prejudiciële vragen van oordeel dat detentie van asielzoekers op JCS is toegestaan, in lijn met de uitspraak van de Afdeling van 26 februari 2025.

6. Ook ambtshalve toetsend is de rechtbank van oordeel dat de toepassing van de maatregel niet onrechtmatig is.

7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. V.F.J. Bernt, rechter, in aanwezigheid van

M.R. van Kerkwijk, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. V.F.J. Bernt

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand