RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoeker], verzoeker
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL26.23667
V-nummer: [v-nummer]
geboren op [geboortedag] 1985, van Nepalese nationaliteit
(gemachtigde: mr. E.C. Kaptein),
en
(gemachtigde: mr. T. Stelpstra).
Procesverloop
Bij besluit van 16 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoeker voor de verlenging van zijn verblijfsvergunning voor de gecombineerde vergunning voor arbeid en verblijf (GVVA) afgewezen.
Op 19 maart 2026 heeft verzoeker hiertegen bezwaar gemaakt. Daarnaast heeft hij op 24 april 2026 de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt dat verzoeker gedurende de bezwaarprocedure mag blijven werken bij zijn werkgever.
De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting.
Overwegingen
1. Op 19 mei 2026 heeft verweerder de rechtbank laten weten zich niet te verzetten tegen toewijzing van de gevraagde voorlopige voorziening.
Gelet hierop zal de voorzieningenrechter het verzoek toewijzen. Dit betekent dat verzoeker mag blijven werken bij zijn werkgever totdat op zijn bezwaar is beslist.
De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte kosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het bepaalde in het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt € 934,- en een wegingsfactor 1). Daarnaast moet verweerder het griffierecht aan verzoeker vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter,
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe in die zin dat
verzoeker mag werken bij zijn werkgever totdat op zijn bezwaar is beslist;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van €200,- aan verzoeker moet vergoeden; en,
- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 934,- te betalen aan verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Moussaoui, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. R. Hol, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.