[naam], eiser, geboren op [geboortedatum]van Gambiaanse nationaliteit, V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. H. Drenth),
en
het bestuur van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers, het COa,
alsmede
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. P.A.L.A. van Ittersum).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank twee beroepen. Het eerste beroep van eiser is gericht tegen het besluit van het COa van 1 maart 2026. In dat besluit heeft het COa besloten om eiser vanaf 1 maart 2026 in de HTL in Hoogeveen te plaatsen (hierna: het plaatsingsbesluit). Het tweede beroep van eiser richt zich tegen het besluit van de minister van 1 maart 2026 om hem een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 56 van de Vw op te leggen (hierna: de vrijheidsbeperkende maatregel). De rechtbank merkt het beroep ook aan als een verzoek om schadevergoeding.
Eiser heeft op 3 april 2026 en 15 mei 2026 beroepsgronden ingediend, waarop het COa op 21 mei 2026 een verweerschrift heeft ingediend.
De rechtbank heeft de beroepen op 28 mei 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en zijn voogd van Nidos. Ook is een tolk verschenen. De minister en het COa hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek in beide zaken op de zitting gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
2. De beroepen zijn ongegrond. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt, dat het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen en dat eiser ook geen vergoeding krijgt in de proceskosten. Hierna legt de rechtbank hoe zij tot dit oordeel komt.
Het beroep tegen het plaatsingsbesluit De feitelijke verslaglegging van het incident
3. In de verslaglegging van het COa staat over het incident – samengevat – het volgende. Op 25 februari 2026 omstreeks 19.30 uur kwam eiser zich melden bij een medewerker. Hij zou zijn uitgescholden door een medebewoner. De medewerker heeft toen gezegd dat ze elkaar met rust moeten laten. Een beveiliger hoorde later dat de medebewoner zei dat eiser vaak dronken is en niet weet wat hij zegt. Er is toen een ruzie tussen beiden ontstaan. Zowel de beveiliger als de medewerker hebben gezien dat eiser een scherp stuk glas in zijn hand had en hiermee doelgericht richting de maag van de medebewoner stak. De beveiliger kon de hand van eiser net op tijd vastpakken om dit te voorkomen. Eiser heeft wel vuistslagen in het gezicht van de medebewoner uitgedeeld en ingetrapt op zijn nek en rug. Hierbij lag de medebewoner op de grond, terwijl eiser overeind stond.
De enkele stelling van eiser dat hij niet is begonnen maar de ander en dat het glas slechts op de grond viel omdat hij zich verdedigde, acht de rechtbank onvoldoende om te twijfelen aan de door het COa geschetste gang van zaken. Dat naar eiser ‘homo’ geroepen zou zijn, maakt dit niet anders. Wie uiteindelijk begonnen is doet naar het oordeel van de rechtbank niet ter zake. Uit de verslaglegging volgt duidelijk dat zowel een beveiliger als een medewerker hebben gezien dat eiser een scherp stuk glas oppakte en doelgericht richting de maag van de medebewoner stak. Ook hebben zij gezien dat eiser vuistslagen in het gezicht van de medebewoner heeft uitgedeeld en op zijn nek en rug heeft geschopt toen hij op de grond lag. De rechtbank is derhalve van oordeel dat het voldoende aannemelijk is dat de gedragingen zoals door het COa beschreven, zich hebben voorgedaan.Geboortedatum
4. Eiser stelt dat bij zijn HTL-plaatsing ten onrechte is uitgegaan van zijn meerderjarigheid. Volgens het verslag van het aanmeldgehoor uit het asieldossier is eiser geboren op 16 november 2008 en dus was hij ten tijde van het incident en de HTL-plaatsing minderjarig. Ook wordt hij nog steeds begeleid door Nidos. Eisers geboortedatum blijkt ook uit de overgelegde geboorteakte. Hoewel de geboorteakte geen foto bevat, stelt eiser dat deze toch als identificerend document kan dienen. Bovendien is het onderzoek naar de echtheid van dit document nog niet afgerond. Zijn HTL-plaatsing is dan ook in strijd met artikel 3 van het EVRM en artikel 24 van het HVEU. Niet gebleken is dat dat het belang van het kind de eerste afweging heeft gevormd. Opsluiting is schadelijk voor de ontwikkeling, nu het kind dan onttrokken wordt aan het dagelijkse ritme en stabiliteit van school en vaste omgang met leeftijdsgenoten. Gelet op het voorgaande stelt eiser dat hij niet in de HTL geplaatst mocht worden.
De beroepsgrond slaagt niet. Met betrekking tot de gestelde minderjarigheid ten tijde van de gedraging overweegt de rechtbank dat het COa mag uitgaan van de leeftijdsbepaling die de minister heeft verricht. Hierbij hoeft het COa niet te beoordelen of de leeftijdsbepaling zorgvuldig tot stand is gekomen en is er geen vergewisplicht. Bovendien is eiser conform Werkinstructie 2025/1 meerderjarig verklaard, nu hij bij de leeftijdsschouw als evident meerderjarig is beoordeeld. Naar het oordeel van de rechtbank is hetgeen eiser heeft aangevoerd onvoldoende om aan zijn meerderjarigheid te twijfelen.
Lichter middel
5. Eiser stelt zich verder op het standpunt dat voor een lichter middel gekozen had moeten worden. Voor eiser was het immers de eerste keer dat een dergelijk incident plaatsvond. In samenhang met zijn minderjarigheid, dan wel in elk geval jongmeerderjarigheid, is volgens eiser de directe HTL-plaatsing daarom disproportioneel. Ook vindt eiser dat het plaatsingsbesluit niet deugdelijk is gemotiveerd en slechts gebaseerd op veiligheid in algemene zin. Dit betekent dat het besluit ook in strijd is met het evenredigheidsbeginsel.
De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het COa voldoende deugdelijk gemotiveerd besloten tot oplegging van het plaatsingsbesluit. Volgens het Maatregelenbeleid wordt in beginsel een plaatsingsbesluit opgelegd als sprake is van één incident met een zeer grote impact. Het COa heeft het incident terecht gekwalificeerd als een met grote impact, nu eiser met zijn gedrag als doel had de ander fysieke schade toe te brengen. Uit de feitelijke verslaglegging van het COa volgt immers dat eiser met zijn vuisten heeft ingeslagen op de medebewoner en op zijn nek en rug heeft ingetrapt toen hij op de grond lag. Bovendien heeft eiser geprobeerd de ander met een scherp stuk glas te steken. Eisers gedrag heeft gezorgd voor een verstoord veiligheidsgevoel voor de medewerkers en de bewoners die hier getuige van zijn geweest. Dat het voor eiser een eerste incident was, is gelet op de grote impact ervan geen omstandigheid die een lichtere maatregel kan rechtvaardigen. Onder 4.1. is al uitgelegd waarom de rechtbank uitgaat van eisers gestelde minderjarigheid. In tegenstelling tot wat eiser aanvoert, weegt zijn persoonlijke belang om in vrijheid te worden gesteld niet zwaarder dan het belang van de COa om het besluit op te leggen. Formele punten
6. Eiser voert aan dat het besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen, omdat hij voorafgaand aan het besluit niet is gehoord. Ook is in het besluit niet duidelijk hoe lang de maatregel zou duren. Verder vindt eiser dat het COa ten onrechte een persoonlijke verdenking die strafrechtelijk nog niet vaststaat heeft gedeeld met het GZA. Volgens eiser is dit in strijd met artikel 8 van het EVRM inzake het recht op private life.
De rechtbank oordeelt als volgt. Uit het dossier blijkt dat, voordat de HTL-maatregel aan eiser is opgelegd, met eiser een maatregelgesprek is gevoerd. Hierbij is eiser gevraagd zijn zienswijze te geven op het voornemen om een HTL-maatregel aan hem op te leggen. Wat eiser naar voren heeft gebracht is betrokken bij de totstandkoming van het besluit. Dit betekent dat eiser wel degelijk in de gelegenheid is gesteld een zienswijze in te dienen. Verder is in het besluit op pagina 3 toegelicht dat eiser per 1 maart 2026 in de HTL werd geplaatst. Voor verdere informatie over onder andere de duur wordt verwezen naar bijlage 1 bij het besluit waarin onder andere de duur van de maatregel wordt uitgelegd. Hierin is aangegeven dat de verblijfsduur minimaal vier weken (plus een week intake) en maximaal twaalf weken (plus een week intake) kan bedragen. Ook is uitgelegd van welke omstandigheden de daadwerkelijke duur afhangt. Het besluit is hiermee voldoende duidelijk. Verder is naar het oordeel van de rechtbank de verslaglegging over het incident in het besluit voldoende. Tot slot vormt het uitwisselen van informatie door het COa met het GZA geen inbreuk op het recht op privacy zoals beschermd door artikel 8 van het EVRM. Het advies van het GZA is noodzakelijk om eventuele medische belemmeringen te achterhalen die een plaatsing in de HTL in de weg kunnen staan. Het delen van deze informatie heeft daarmee een legitiem doel en is proportioneel in verhouding tot de privacybelangen van de vreemdeling.Het beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel
7. Omdat het beroep tegen het plaatsingsbesluit ongegrond is en de vrijheidsbeperkende maatregel volledig steunt op dat besluit, oordeelt de rechtbank dat het beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel ook ongegrond verklaard moet worden en wijst het verzoek tot schadevergoeding af.
Conclusie en gevolgen
8. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat het COa het besluit tot plaatsing in de HTL en de minister de vrijheidsbeperkende maatregel mochten nemen.
Eisers verzoek om schadevergoeding wordt gezien het voorgaande afgewezen. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan op 8 juni 2026 door mr. L.J. van der Veen, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Veenstra - van der Veen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
griffier rechter
Openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. U ziet deze datum hierboven.