ECLI:NL:RBDHA:2026:15442

ECLI:NL:RBDHA:2026:15442

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 02-06-2026
Datum publicatie 08-06-2026
Zaaknummer C/09/704283 / KG RK 26-711
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Wraking
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Wraking. Uit de wet volgt dat een wrakingsgrond gelegen moet zijn in feiten en omstandigheden die de persoon van de rechter betreffen. Nu verzoeker niet concreet uiteen heeft gezet welke specifieke bestuursrechters hij wraakt en het de wrakingskamer daarnaast uit de dossiers van de hoofdzaken ook niet is gebleken dat er al een behandelend rechter aan de hoofdzaken is toegewezen, is het wrakingsverzoek van verzoeker niet toewijsbaar. Daarenboven betreft hetgeen verzoeker aanvoert slechts veronderstellingen en suggesties. Concrete feiten waaruit de wrakingskamer de vooringenomenheid van de behandelend bestuursrechters in de hoofdzaken of de objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor kan afleiden, ontbreken. Ook om die reden zou het wrakingsverzoek zijn afgewezen als er al wel een bij naam genoemde rechter bekend was.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Wrakingskamer

wrakingnummer 2026/35

zaak- /rekestnummer: C/09/704283 / KG RK 26-711

Beslissing van 2 juni 2026

van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: verzoeker,

strekkende tot de wraking van:

de behandelend rechter(s) in de zaken met nummers SGR 25/6010 WIA en SGR 26/3269 WIA en alle WIA-zaken / procedures tegen het UWV,

hierna te noemen: de bestuursrechter(s).

1. Het wrakingsverzoek

Verzoeker heeft op 21 april 2026 en 25 april 2026 een schriftelijk wrakingsverzoek ingediend in de zaken met nummers SGR 25/6010 WIA en SGR 26/3269 WIA en alle WIA-zaken c.q. WIA-procedures tegen het UWV (hierna gezamenlijk: de hoofdzaken). Op 16 mei 2026 en 17 mei 2026 heeft verzoeker een aanvulling op deze wrakingsverzoeken gestuurd.

In de wrakingsverzoeken en de brieven van 16 mei 2026 en 17 mei 2026 staat, voor zover van belang, het volgende:

Wrakingsverzoek 21 april 2026

“De reden voor dit verzoek is niet uitsluitend dat mijn verzoek(en) om voorlopige voorziening eerder zijn afgewezen, maar vooral dat in meerdere opeenvolgende vovo-beoordelingen mijn zwaarwegende en met stukken onderbouwde spoedeisende situatie niet kenbaar en niet toereikend is meegewogen. (…).

De combinatie van herhaalde vovo-verzoeken, het niet kenbaar meewegen van essentiële stukken en de zichtbare urgentie van de situatie wekt objectief de schijn dat de zaak niet onbevangen is beoordeeld. (…). Die beoordeling is naar mijn mening in de vovo’s van dit jaar en van vorig jaar

onvoldoende zichtbaar gebleven.

Door de opeenvolging van afwijzingen, in combinatie met het niet kenbaar betrekken van de concrete

stukken en foto’s, is bij mij objectief de vrees ontstaan dat de spoed en mijn kwetsbare financiële en

medische positie niet met de vereiste onbevangenheid zijn beoordeeld. Ik stel dit niet als persoonlijke

aanval, maar als juridische klacht over de objectieve schijn van partijdigheid en over de wijze waarop de feiten zijn gewogen. Op grond van art. 36-38 Rv, art. 17 Grondwet en art. 6 EVRM verzoek ik daarom wraking. De schijn van partijdigheid is voldoende voor toewijzing van een wrakingsverzoek.

(…)

Ten slotte merk ik op dat thans opnieuw een verzoek om voorlopige voorziening aanhangig is, gebaseerd op nieuwe — en inmiddels nader onderbouwde — feiten en foto’s die ook in het kader van dit wrakingsverzoek zijn overgelegd. Deze stukken, die de acute en nijpende situatie onderbouwen, zijn naar mijn oordeel in eerdere beoordelingen niet kenbaar en niet toereikend meegewogen. Gelet op de huidige omstandigheden kan het spoedeisend belang thans niet (opnieuw) worden gepasseerd. Ik verzoek daarom dat dit lopende verzoek om voorlopige voorziening wordt beoordeeld door een andere, onafhankelijke rechter, die de feiten integraal en zichtbaar weegt en daarbij de maatstaven van redelijkheid en billijkheid, alsmede de fundamentele waarborgen van een eerlijk en onpartijdig proces, in volle omvang betrekt.

(…)

De wijze waarop in deze beroepszaak - SGR 25/6010 WIA - met de spoedeisendheid is omgegaan, wekt bij mij objectief de vrees dat mijn zaak niet met de vereiste onbevangenheid is beoordeeld. Eerst is de situatie als spoedeisend behandeld, vervolgens is zij kennelijk als niet-spoedeisend aangemerkt, daarna is mijn uitdrukkelijke bezwaar daartegen niet inhoudelijk beoordeeld en thans blijft een duidelijke reactie uit. Deze wisselende en onvoldoende kenbare beoordeling van dezelfde kernfeiten, in een zaak waarin meerdere relevante omstandigheden samenkomen, maakt dat bij mij de objectieve schijn ontstaat dat de zaak niet op een consistente en zorgvuldig gemotiveerde wijze is gewogen. Daarom acht ik wraking aangewezen.”

Wrakingsverzoek 25 april 2026

“De reden voor dit verzoek is niet uitsluitend gelegen in de inhoudelijke afwijzingen van eerdere verzoeken om voorlopige voorziening, maar vooral in de wijze waarop mijn concrete en met stukken onderbouwde situatie in opeenvolgende procedures is behandeld en beoordeeld.

(…)

Desondanks is in meerdere vovo-procedures geoordeeld dat geen, dan wel onvoldoende, spoedeisend belang aanwezig zou zijn. Naar mijn oordeel zijn essentiële feiten en stukken daarbij niet kenbaar, niet volledig of niet consistent meegewogen. De motivering van opeenvolgende beslissingen wisselt bovendien op wezenlijke onderdelen. Eerst lijkt sprake te zijn van erkenning van spoedeisendheid, vervolgens wordt diezelfde situatie als niet-spoedeisend aangemerkt, waarna een duidelijke inhoudelijke reactie op mijn bezwaren uitblijft. Dit alles wekt bij mij objectief de gerechtvaardigde vrees dat mijn zaak niet met de vereiste onbevangenheid en consistentie is beoordeeld.

(…)

Gelet op het voorgaande is bij mij objectief de schijn ontstaan dat de feiten, de spoedeisendheid en mijn fundamentele belangen onvoldoende onbevangen zijn beoordeeld. Dit verzoek dient daarom niet te worden opgevat als een persoonlijke aanval op individuele rechters, maar als een beroep op de waarborgen van onafhankelijke en onpartijdige rechtspraak zoals beschermd door artikel 6 EVRM, artikel 17 Grondwet en de wettelijke wrakingsregeling.

Ten slotte merk ik op dat thans opnieuw een verzoek om voorlopige voorziening aanhangig is, gebaseerd op dezelfde en nader onderbouwde feiten en foto’s die ook in het kader van dit wrakingsverzoek zijn overgelegd. Gelet op de huidige situatie kan het spoedeisend belang naar mijn oordeel niet opnieuw worden gepasseerd. Ik verzoek daarom dat dit verzoek wordt behandeld door een andere, onafhankelijke rechter die de feiten integraal, zorgvuldig en zichtbaar weegt en daarbij tevens de maatstaven van redelijkheid en billijkheid betrekt.”

Brief 16 mei 2026

“De opeenvolging van beslissingen in mijn WIA-gerelateerde procedures roept bij mij objectief de

schijn van partijdigheid op. Essentiële feiten en omstandigheden worden naar mijn oordeel niet

kenbaar en niet consistent meegewogen, terwijl de motivering van opeenvolgende beslissingen op

wezenlijke onderdelen wisselend en onvoldoende inzichtelijk is. Met name de beoordeling van de

spoedeisendheid verandert zonder voldoende uitleg, ondanks dat de onderliggende feiten en

bewijsstukken juist wijzen op een steeds verder escalerende noodsituatie.

(…)

Hierdoor is mijn vertrouwen in een onafhankelijke, consistente en onbevangen beoordeling ernstig

aangetast. Naar mijn oordeel dreigt effectieve rechtsbescherming hierdoor illusoir te worden,

hetgeen raakt aan de waarborgen van artikel 6 EVRM, artikel 17 Grondwet en de fundamentele

beginselen van behoorlijk procesrecht.

Voorts wens ik te benadrukken dat de acute situatie voortduurt en verder escaleert. De vertraging

die ontstaat gedurende de behandeling van het wrakingsverzoek veroorzaakt voor mij een reëel

risico op onherstelbare schade. Ik beschik momenteel niet over voldoende middelen om in mijn

basale levensonderhoud en vaste lasten te voorzien, terwijl de dreiging van verlies van woonruimte

actueel en concreet aanwezig blijft.

Om die reden verzoek ik de wrakingskamer nadrukkelijk om mee te wegen dat ten minste een

tijdelijke overbrugging, dan wel een versnelde en onafhankelijke beoordeling van de lopende

voorlopige voorziening noodzakelijk blijft.”

Brief 17 mei 2026

“Hierbij verzoek ik uw aandacht voor de acute situatie waarin ik mij momenteel bevind in

samenhang met het reeds ingediende wrakingsverzoek in mijn WIA-zaken tegen het UVW.

Er loopt thans nog een verzoek om voorlopige voorziening dat rechtstreeks verband houdt met

dezelfde feiten en omstandigheden die tevens ten grondslag liggen aan het wrakingsverzoek.

(…). Naar mijn oordeel is in eerdere vovo-beslissingen sprake geweest van: onvoldoende kenbare weging van essentiële feiten: inconsistente beoordeling van spoedeisendheid; motiveringen die

onvoldoende inzicht geven in de wijze waarop mijn bewijsstukken zijn beoordeeld; een

opeenvolging van beslissingen die objectief de schijn van partijdigheid oproepen.

Juist omdat dezelfde feiten en omstandigheden opnieuw aan de orde zijn in de lopende voorlopige

voorziening, bestaat bij mij ernstige twijfel of verdere behandeling door dezelfde rechter(s) nog het

vereiste vertrouwen in onafhankelijkheid en onbevangenheid kan waarborgen.”

2. De beoordeling

Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij of zij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid.

Uit het wrakingsverzoek leidt de wrakingskamer af dat het verzoek tot wraking in het algemeen betrekking heeft op de bestuursrechters die de hoofdzaken van verzoeker behandelen.

Het verzoek heeft derhalve geen betrekking op specifieke, bij naam genoemde rechters door wie de hoofdzaken van verzoeker worden behandeld. Evenmin is het verzoek gebaseerd op feitelijk omschreven beslissingen, handelingen of gedragingen van bij naam genoemde rechters.

Uit de wet volgt echter dat een wrakingsgrond gelegen moet zijn in feiten en omstandigheden die de persoon van de rechter betreffen. Nu verzoeker niet concreet uiteen heeft gezet welke specifieke bestuursrechters hij wraakt en het de wrakingskamer daarnaast uit de dossiers van de hoofdzaken ook niet is gebleken dat er al een behandelend rechter aan de hoofdzaken is toegewezen, is het wrakingsverzoek van verzoeker niet toewijsbaar. Daarenboven betreft hetgeen verzoeker in zijn wrakingsverzoek en de brieven van 16 mei 2026 en 17 mei 2026 aanvoert slechts veronderstellingen en suggesties. Concrete feiten waaruit de wrakingskamer de vooringenomenheid van de behandelend bestuursrechters in de hoofdzaken of de objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor kan afleiden, ontbreken. Ook om die reden zou het wrakingsverzoek zijn afgewezen, als er al wel een bij naam genoemde rechter bekend was.

Voor een behandeling van het verzoek ter terechtzitting bestaat geen reden. Het in de wet opgenomen recht op een mondelinge behandeling is door de wetgever bedoeld voor het debat over de gegrondheid van het verzoek, maar aan dat debat wordt gezien het vorenstaande niet toegekomen.

3. De beslissing

De wrakingskamer

wijst het verzoek tot wraking af;

bepaalt dat het proces in de hoofdzaken wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek;

beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 8:18, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt toegezonden aan:

• de verzoeker;

• de wederpartij in de hoofdzaak;

• de teamvoorzitter van de afdeling bestuursrecht Team 1.

Deze beslissing is gegeven door mrs. S.M. Krans, A.M.A. Keulen en E.E. Schotte, in tegenwoordigheid van de griffier mr. M.L. van Nooijen-Kühler en in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2026.

de griffier de voorzitter

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand